Meteen naar de inhoud

coronableid


Redenen om kritisch te zijn m.b.t het Covid-19 vaccinatiebeleid

geplaatst op 6-10-2021, laatst bewerkt  op 14-10-2021
8000 woorden; 35 minuten leestijd

  1. Inleiding

    Vaccins zijn een nuttige uitvinding waarmee veel ziekte en sterfte voorkomen kan worden. Echter: een vaccin grijpt in op de biologische omgeving van een ziekteverwekker en ook op het immuunsysteem van de gevaccineerde. Daardoor kan het gebruik van vaccins niet alleen gevolgen hebben voor het individu op het korte termijn, maar ook voor de hele bevolking op de lange termijn.

    De manier waarop we een virusziekte bestrijden kan leiden tot veranderingen bij het virus, en dat kan weer gevolgen hebben voor het aantal mensen dat ziek wordt en de ernst van hun ziekte. Als een ziekte met een vaccin bestreden kan worden, is het daarom niet altijd verstandig om dat ook te doen. Er zal altijd gekeken moeten worden naar alternatieve mogelijkheden om een ziekte te voorkomen of te genezen. Daarvoor moet er een analyse gemaakt worden van de aard en omvang van het probleem. Gekeken moet worden of de kosten van een vaccinatieprogramma (niet alleen financieel, maar ook de overige maatschappelijke kosten) opwegen tegen de verwachte gezondheidswinst. Daarbij moet ook aandacht besteed worden aan de effecten van vaccinatie op de lange termijn. Pas als al deze elementen zijn meegewogen kan men tot de conclusie komen dat vaccineren wel of niet een verstandige strategie is.

    Het kan dus zijn dat het een rationele beslissing is om een ziekte niet met een vaccin te bestrijden, of misschien zelfs helemaal niet te bestrijden.


  2. Omvang van het probleem

    In januari/februari 2020 werden problemen rond een nieuw verschenen coronavirus door overheden en wetenschappers gerelativeerd. Pas eind februari/ begin maart sloeg de sfeer om. Twee factoren speelden daarbij een rol. De beelden van de vele Covid patiënten in Noord-Italië, en een model over de mogelijke schade die dit virus kon aanrichten, gemaakt in Oxford, een model dat enorme aantallen slachtoffer voorspelde. Omgerekend naar de Nederlandse situatie zou het dan gaan om – grof geschat – 125.000 doden in de eerste golf.
    Dit is berekend aan de hand van dit artikel [VS = 388,2 miljoen inwoners; voorspeld 2,2 miljoen doden = 0,723%; NL bevolking = 17,28 miljoen; 0,723% van 17,28 miljoen = 125.000 corona doden; ik heb zelf aan de oversterfte in Nederland gerekend, en daar kwam uit dat er in 2020 een oversterfte was van 10.000; volgens de rekenwijze van CBS was dat 16.000. Dat komt allebei niet in de buurt van de Oxford-projectie.]
    Vrij snel daarna werden de apocalyptische voorspellingen zwaar gematigd, maar op dat moment was de publieke opinie er al van overtuigd dat we te maken hadden met een ernstige pandemie. Gedacht moest dan worden aan de orde van grootte van de Spaanse Griep (1918-1919).

    Uit de cijfers die nadien verzameld zijn, blijkt dat dit niet het geval was. Er zijn verschillende manieren om te bepalen hoe ernstig een epidemie is.
    • De infection fatality rate (ifr): het percentage mensen dat de ziekte krijgt en er ook aan overlijdt.
    • De oversterfte: er is altijd een verwachting hoeveel mensen uit een gegeven populatie in een jaar zullen overlijden. Een hoge oversterfte geldt als indicatie voor een zware epidemie.
    • Het aantal slachtoffers in relatie tot de totale bevolking.
    • Het aantal verloren gezonde levensjaren.
    Op verschillende van deze aspecten wordt ingegaan in een artikel van John P. A. Ioannidis.

    Hoewel al deze manieren van meten hun eigen technische problemen hebben, leiden ze allemaal naar dezelfde conclusie: deze epidemie/pandemie komt niet in de buurt van een echte pandemie zoals we die historisch kennen van de pest, de pokken of de Spaanse Griep. Om dit te illustreren verwijs ik naar een artikel waarin de omvang van verschillende epidemieën wordt vergeleken
vergelijking_epidemie
    Het blijkt dat het aantal dodelijke slachtoffers in de zelfde orde van grootte is als een griepepidemie. [Dezelfde orde van grootte betekent: tot een factor √10 ( ~ 3,16 ) groter of kleiner.]
    De Spaanse griep was 50 keer zo erg, de pokken 250 keer zo erg. Dit is niet om Covid-19 te trivialiseren, maar wel om deze ziekte in perspectief te zetten. Bovendien telt ieder slachtoffer niet even zwaar. In het algemeen treft Covid-19 mensen met een nog korte levensverwachting en/of een verzwakt immuunsysteem. Daarin zit de overeenkomst met een griepepidemie. Mensen onder de 60 zonder onderliggende ziekten lopen nauwelijks een risico. Misschien worden ze wel even ziek, maar over het algemeen is hun eigen immuunsysteem, zonder hulp van buiten, in staat om deze ziekte te overwinnen. Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen te vinden, natuurlijk zijn er ook jonge mensen die een ernstig ziekteverloop hebben en soms ook blijven zitten met een lange nasleep, maar dit gaat om maar een gering deel van de bevolking. Hoe ongelukkig ook: dit zijn de uitzonderingen en het zijn niet de mensen op wie het beleid in eerste instantie moet worden afgestemd. De reactie van de overheid, van de media en van het grote publiek staat – gegeven deze cijfers – niet in verhouding tot het reële gevaar. Getalsmatig is een vergelijking van Covid-19 met een ernstige griepepidemie meer to the point dan een vergelijking met de Spaanse griep.

    Conclusie: De analyse van de omvang van het probleem was – hoewel als eerste reactie begrijpelijk – niet correct.

  1. Analyse van het probleem

    Bij een epidemie is het van cruciaal belang om te weten langs welke weg een ziekte zich verspreidt: als een ziekte wordt verspreid door insecten (zoals bij malaria) heeft het geen zin om de mensen in quarantaine te plaatsen, dan moet je de insecten bestrijden. Als een ziekte wordt overgebracht door middel van uitwisseling van lichaamsvloeistoffen (zoals bij AIDS) is het zinnig om je ter bestrijding te richten op het voorkomen/beheersen van die uitwisseling.
    In het geval van Covid-19 was al snel duidelijk dat er besmetting van mens-op-mens plaatsvindt, en dat die zich voltrekt door directe nabijheid, ook zonder direct fysiek contact. Dan is de conclusie al gauw dat besmetting via de lucht plaatsvindt. In dat geval kan quarantaine zin hebben. (Traditioneel plaatst men dan enkel de mogelijke dragers van een ziekte in quarantaine, en niet de gehele bevolking.)

    Nu zijn er bij overdracht van een virus door de lucht twee mogelijkheden: ‘grote’ druppels die ten gevolge van de zwaartekracht binnen een bepaalde afstand na uitstoting op de grond terecht komen, en ‘kleine’ druppels, die zo klein zijn dat ze voor langere tijd in de lucht kunnen blijven zweven, de zgn. aerosolen.
    Het begrip ‘aerosol’ klinkt technisch en wetenschappelijk, maar eigenlijk is het een heel alledaags verschijnsel en iedereen heeft ervaring met de manier waarop een aerosol zich verspreidt, namelijk: roken. Als iemand binnenshuis rookt, dan slaan de rookdeeltjes niet alleen neer op de grond, ze komen ook op het behang, in de gordijnen en aan het plafond terecht. Kortom: ze verspreiden zich door de hele ruimte. En de geur van sigarettenrook kan ook lang blijven hangen. Dit illustreert dat rookdeeltjes langdurig in de lucht kunnen blijven zweven. Ze vallen niet binnen 1,5 meter op de grond.
    Binnen de virologie heeft er een stammenstrijd plaatsgevonden tussen deze twee mogelijkheden waarop een virus zich kan verspreiden (grote versus kleine druppels). De uitkomst was dat alle ziekten die via de lucht worden overgedragen werden geacht dat te doen door middel van grote druppels, tenzij aerosolen bewezen waren. Dit laatste werd eigenlijk alleen voor de mazelen geaccepteerd. Voor een inzicht in deze ontwikkelingen, zie dit historische overzicht.

    Deze uitkomst van het wetenschappelijk debat heeft ertoe geleid dat alle virologen tijdens hun opleiding meekrijgen dat verspreiding door middel van grote druppels een ‘geaccepteerd wetenschappelijk feit’ is. Bij het uitbreken van Covid-19 werd er binnen die gemeenschap dan ook niet aan getwijfeld dat besmetting voornamelijk plaats vond door middel van deze grote druppels, hoewel daar geen enkel concreet bewijs voor was. Naar aanleiding van de Covid uitbraak is er veel nieuw onderzoek gedaan, en de uitkomst is dat grote druppels niet of nauwelijks een rol spelen. Zie bijvoorbeeld hier en hier. Inmiddels hebben ook het CDC (de Amerikaanse autoriteit op het gebied van volksgezondheid) en het WHO (idem op wereldschaal) onderkend – zij het soms schoorvoetend – dat aerosolen een dominante rol spelen bij de overdracht van Covid-19.

    Conclusie: De oorspronkelijke analyse omtrent de wijze van verspreiden van het virus was niet correct.

  2. Maatregelen

    Als de analyse niet correct is, dan zullen in veel gevallen de maatregelen die op basis van deze analyse worden doorgevoerd ook niet erg zinvol zijn. Ik zet de belangrijkste maatregelen op een rijtje:
    1. 1,5 meter
      Deze afstand is afkomstig van de afstand die een grote druppel maximaal kan afleggen voordat hij ten gevolge van de zwaartekracht op de grond landt. Een maatregel met een specifieke afstand is echter niet relevant voor aerosolen, die – onder bepaalde omstandigheden – langdurig in de lucht kunnen blijven zweven. Overigens is het ook niet inzichtelijk hoe de overdracht met die 1,5 meter precies zou moeten werken: een druppel begint te vallen op het moment dat hij mond of neus verlaat, en het traject gaat alleen maar omlaag. Behalve op een afstand van een centimeter of 30 van het gezicht kan zo’n druppel eigenlijk niemand bereiken. De verschillende media-uitingen van wetenschappers en politici zijn erg weinig specifiek over de wijze waarop besmetting precies zou moeten plaatsvinden

    2. handen wassen
      Deze maatregel is gebaseerd op overdracht via grote druppels die op een oppervlakte zijn geland, daarna met de hand zijn aangeraakt, waarna de hand in contact komt met neus, mond of oog. Dit is een onwaarschijnlijke en omslachtige weg om geïnfecteerd te raken. Besmetting op deze wijze is alleen in een laboratorium-setting bekend. Handen wassen is dus voor de overdracht van dit virus naar alle waarschijnlijkheid niet effectief of zelfs maar relevant. Het inademen van virussen via aerosolen is veel eenvoudiger en waarschijnlijker, omdat het virus daarmee direct terecht komt op de plaats waar het schade aan kan richten, nl. in de longen. Handen wassen is voornamelijk geraden als een infectie loopt via het maag-darm kanaal. Dat is bij Covid-19 niet het geval. Het is overigens wel waar dat zeep in staat is om virussen te doden, maar zeep helpt niet tegen verspreiding door de lucht.

    3. mondmaskers
      Deze zijn in enkel staat om grote druppels tegen te houden, zowel bij uitademen door een geïnfecteerde, als bij inademen door een niet-geïnfecteerde. Gegeven de beperkte aansluiting op het gezicht en de dichtheid van het materiaal waar de maskers van zijn gemaakt, helpt een mondmasker niet of nauwelijks tegen verspreiding door aerosolen. Het nut van gecertificeerde mondmaskers in een medische setting staat hier niet ter discussie. Het gaat hier puur om het gebruik van mondmaskers door de burgerbevolking in de publieke ruimte.

    4. maatregelen ter beperking van intermenselijk contact
      Daarbij valt te denken aan a) de beperking van groepsgrootte thuis of in de publieke ruimte, b) thuiswerken wanneer mogelijk, c) avondklok, d) lockdown.
      De gedachte achter al deze maatregelen is dat mensen elkaar niet kunnen besmetten als ze niet fysiek bij elkaar in de buurt komen. In principe kan dit werken, maar onderzoek heeft uitgewezen dat deze maatregelen niet of nauwelijks effectief zijn. De hoeveelheid virus die een besmet persoon uitstoot kan van persoon tot persoon enorm verschillen. De meeste besmette mensen besmetten nul anderen, zelfs als die anderen veel in de nabijheid verkeren, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van verzorger of huisgenoot. De reden dat de ander niet besmet wordt kan zijn dat de uitstoot van virusdeeltjes gering is, dat de ventilatie voldoende is, dat het binnenklimaat zodanig is dat een aerosol snel neerslaat, of dat de blootstelling slechts gedurende korte periodes plaatsvindt.

    5. verbod/beperking evenementen
      Verspreiding vindt in praktijk voornamelijk plaats bij bijeenkomsten van veel mensen in slecht geventileerde ruimtes, vaak met veel fysieke inspanning of veel vocale activiteit. Denk aan sportscholen of koorrepetities. In dat geval kan een enkel persoon met een grote uitstoot van virusdeeltjes in één keer heel veel anderen besmetten.
      Verspreiding van dit virus kan daarom inderdaad worden voorkomen door beperkingen op te leggen aan het aantal mensen dat binnen mag samenkomen. Daarbij moet echter wel rekening gehouden met de volgende factoren:
      - ventilatie (als het een buitenevenement betreft is de ventilatie sowieso al snel op orde)
      - de activiteit (bij zang, schreeuwen of grote fysieke inspanning zal een besmettelijk persoon meer virus verspreiden dan bij spraak, stilte of rustig op een stoel zitten)
      - binnenklimaat (de duur dat een virusdeeltje in een aerosol kan rondzweven wordt in hoge mate bepaald door de temperatuur en de luchtvochtigheid. In een koude en droge omgeving kan een deeltje het langst blijven zweven. Dit is relevant in bijvoorbeeld slachterijen.)

    In retrospect is het verbieden van grote bijeenkomsten in overdekte ruimtes met onvoldoende ventilatie de enige echt effectieve maatregel geweest. Voor de overige maatregelen geldt, dat ze niet of nauwelijks een positieve bijdrage hebben geleverd. Dit is o.a. te zien aan het volgende: als een maatregel echt effectief is, zou je een abrupte afname in het aantal besmettingen moeten zien direct nadat de maatregel ingaat, en ook een acute toename als de maatregel wordt afgeschaft.
    Dit is (behalve mogelijk bij het verbod op evenementen) bij geen enkele maatregel het geval, in Nederland niet, maar ook elders in de wereld niet. De meeste maatregelen kunnen ook, om de redenen die boven al zijn uiteengezet, niet of nauwelijks effectief zijn. Ze geven misschien het idee dat de overheid krachtdadig optreedt, ze geven de mensen wellicht het idee dat ze actief kunnen bijdragen aan de oplossing van de crisis, maar het maakt allemaal niet wezenlijk uit: de invloed van seizoenen en weersomstandigheden is vele malen groter dan de bijdrage van deze maatregelen.
    Overigens is het moeilijk om alle maatregelen los te beoordelen omdat vaak een heel pakket van zeer verschillende maatregelen tegelijkertijd werd ingevoerd. Toch geeft de vergelijking van de pakketten, de data van invoeren en weer opheffen in verschillende landen een eenduidig beeld: het verbieden/beperken van bijeenkomsten die tot 'superspread-events' kunnen leiden helpt - de rest niet of nauwelijks.
    Hoewel het effect van de meeste van deze maatregelen op de verspreiding van het virus gering is, kunnen ze wel een aantal ongewenste bijwerkingen/effecten hebben. De belangrijkste zijn:
    1. Het menselijk immuunsysteem moet om optimaal te functioneren met regelmaat worden blootgesteld aan ziektes die het bestrijden kan. Hier geldt net als bij vele andere systemen ‘use it or loose it’. Door grote beperkingen op te leggen aan de mogelijkheden voor sociale contacten, kan voor vele mensen het immuunsysteem achteruit gaan. Dit vindt mogelijk zijn weerslag in de onverwachte uitbraak van het RS-virus bij jonge kinderen. Tijdens de zwaarste maatregelen leek deze ziekte verdwenen, maar zij kwam met dubbele kracht terug in de zomermaanden, waarin ze normaliter niet opduikt. Het is denkbaar dat na meer dan een jaar corona-maatregelen er een zwaarder griepseizoen komt. Dan kan zo hard aankomen omdat ten gevolge van de maatregelen het immuunsysteem van sommige mensen achteruit is gegaan.

    2. De sociale beperkingen hadden ook gevolgen voor mensen om aan hun vereiste lichaamsbeweging te komen. Om optimaal te functioneren is een immuunsysteem gebaat bij voldoende beweging.

    3. De beperkingen hebben grote invloed gehad op het psychisch welzijn van mensen die in een isolement zijn geraakt. Dit betreft ook (en voornamelijk) ouderen, die toch al een minder flexibel immuunsysteem hebben. Verminderd welzijn tast ook de weerstand/ het immuunsysteem verder aan.

    4. Ook zijn er mensen die ten gevolge van de maatregelen in een toestand van sociale en economische onzekerheid terecht zijn gekomen – wederom verminderd welzijn, dat kan leiden naar een minder goed functionerend immuunsysteem.

    5. Verminderde mogelijkheden tot beweging heeft geleid tot een gewichtstoename bij een deel van de bevolking (de zgn. coronakilo’s). Overgewicht is een van de grootste risicofactoren bij het verloop van deze ziekte. Ook hierin is het beleid contraproductief te noemen.

    6. ‘Je handen stuk wassen’ is sowieso een erg slecht idee. De huid van de handen hoort bij je immuunsysteem. Voor dagelijkse doelen is gewoon afspoelen met lauw water doorgaans voldoende. Echt diepgaand reinigen (zoals artsen doen voor een operatie) zal de meeste mensen niet lukken. In het slechtste geval verstoor je het hele bioom van de huid, met onvoorspelbare gevolgen.

    7. Er is veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van mondmaskers en de (mogelijke) bijwerkingen op welzijn en gezondheid. Het uiteindelijke beeld is negatief: het effect op de verspreiding van een virus is nihil, maar het gebruik van mondmaskers kan allerlei andere negatieve effecten hebben. Zie voor een uitgebreid overzicht de site van Ademvrij.

    8. Door alle resources te besteden aan het bestrijden van deze (vermeende) pandemie, zijn andere vormen van zorg in het gedrang gekomen. De kwaliteit van leven wordt in kringen van medische beleidsmakers uitgedrukt in qaly’s (quality adjusted life-year). Een qaly staat voor een extra levensjaar in goede gezondheid. Door de betrokken ambtenaren op het ministerie van volksgezondheid is destijds berekend dat voor elke qaly die door een lockdown wordt gewonnen, er ongeveer zes verloren gaan door uitstel van zorg en door andere effecten. Dit is bekend n.a.v. een WOB-verzoek. De ambtenaren adviseerden dan ook om niet over te gaan tot een lockdown. Ook prof. Ira Helsloot heeft dit in het publieke debat aangekaart.

      Het meest waarschijnlijke gevolg van het Nederlandse coronabeleid is geweest, dat er een groot aantal gezonde levensjaren verloren is gegaan, een groter aantal jaren dan er door het beleid is behouden is gebleven.

    Conclusie:: De maatregelen die genomen zijn op basis van een onjuiste analyse van het probleem zijn voor het overgrote deel ineffectief en zelfs contraproductief.
    [Overigens waren er ook wel (onbedoelde) positieve effecten van het beleid: door minder vervoersbewegingen (auto, vliegtuig) ging in steden de luchtkwaliteit er sterk op vooruit, en werd er tijdelijk minder CO2 en NOx uitgestoten.]


  3. De vaccins zoals die ontwikkeld zijn

    Om een oordeel te vellen over de wenselijkheid van de vaccins die tegen corona zijn ontwikkeld, is er enige kennis nodig over vaccins in het algemeen. De vaccins in de reguliere vaccinatieprogramma’s (kinkhoest, pokken, difterie etc. ) hebben de eigenschap dat ze het immuunsysteem zodanig voorbereiden, dat het een nieuw binnenkomend virusdeeltje (van het bedoelde type) onschadelijk kan maken voordat de persoon daadwerkelijk ziek wordt. Beter gezegd: het virus wordt door het immuunsysteem eerder herkend en bestreden, waardoor het virus niet de gelegenheid krijgt om zich zodanig te vermenigvuldigen dat de persoon ziek wordt. Omdat het virus zich niet of nauwelijks vermenigvuldigt zal de besmette persoon ook niet of nauwelijks anderen kunnen besmetten. De ziekteverwekker wordt dus vroeg in het proces vernietigd. De mRNA-vaccins voor Covid-19 doen dat niet. Deze vaccins zijn getest op hun vermogen om (ernstige) ziekteverschijnselen te voorkomen, en om ziekhuisopnames te voorkomen. Ze zijn niet getest op het vermogen om de ziekteverwekker uit te bannen. Het is daardoor mogelijk dat iemand die gevaccineerd is wel geïnfecteerd wordt (en ook in staat is om het virus te verspreiden) zonder dat hij er zelf ziek van wordt. Dit blijkt ook te gebeuren.

    Een vaccin dat op deze manier enkel symptomen vermindert of voorkomt, zonder dat het de eigenlijke ziekte onschadelijk maakt heet een ‘leaky’ vaccin. Vaccineren met een leaky vaccin is een gevaarlijk idee. Om te zien waarom dit zo is, is enig inzicht nodig in de wijze waarop virussen zich ontwikkelen.

    Een virus is een biologische entiteit, die maar één ding wil: overleven als soort.
    Ik ben me ervan bewust dat een virus geen bewuste entiteit is en dus ook niets wil. Het zou correcter zijn om de algehele tendens van een virus om zich in een bepaalde richting te ontwikkelen louter in termen van evolutie te vatten. Dat maakt een tekst echter nodeloos ingewikkeld. Mensen begrijpen de wereld nou eenmaal makkelijker in termen van motivaties, doelen en belangen, ook als dat strikt genomen helemaal niet aan de orde is. Ik sluit me dus voor de gelegenheid aan bij het populaire spraakgebruik dat een virus iets ‘wil’, en alsof het ‘inzicht’ heeft in zijn eigen belangen, en zich daar ook naar ‘gedraagt’. Dit doe ik enkel om de leesbaarheid van de tekst te vergroten.
    Om te overleven moet een virus zich zoveel mogelijk vermenigvuldigen en zich zo veel mogelijk verspreiden. Om zich te vermenigvuldigen heeft een virus een ander organisme nodig, een gastheer. Bij dit coronavirus gaat het dan om mensen, maar ook om o.a. katten en fretten. Een virus heeft er geen belang bij om zijn gastheer ziek te maken of te doden. Immers: een zieke gastheer trekt zich doorgaans terug bij zijn soortgenoten waarbij de mogelijkheid tot verdere verspreiding voor het virus afneemt, en een dode gastheer is niet langer in staat om het virus te vermenigvuldigen, laat staan te verspreiden. Vanuit een virus gezien is de ideale situatie dus, dat er bij de gastheer zo min mogelijk ziekteverschijnselen optreden, dat er een zo lang mogelijk tijd bestaat tussen de besmetting en het optreden van de eerste ziekteverschijnselen. Tijd waarin het virus de gelegenheid krijgt om zich verspreiden naar nieuwe gastheren. Ook heeft een virus er belang bij dat een kleine hoeveelheid virus al in staat is om een gastheer te besmetten. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door een mutatie die niet of minder goed door het immuunsysteem van een gastheer wordt herkend. Het virus wordt dan besmettelijker.

    Virussen muteren voortdurend. Daar zitten soms mutaties bij die beter in staat zijn om nakomelingen te maken dan de voorgaande generatie, bijvoorbeeld omdat ze er beter in slagen om niet te worden opgemerkt door het immuunsysteem van de gastheer, en dus langer hun gang kunnen gaan. Als een mutatie in staat is om meer nakomelingen te krijgen, dan wordt die mutatie al snel de dominante variant. Normaliter ontwikkelen virussen zich in een voorspelbare richting: ze worden steeds minder ziekmakend. Dat is gegeven het voorgaande ook goed te begrijpen. Immers: een virus dat sneller ziek maakt of ernstiger ziek maakt zal daardoor minder goed in staat zijn om zich te verspreiden. Anders gezegd: de ernst van de ziekteverschijnselen bij de gastheer geeft richting aan de levensvatbaarheid van de verschillende mutaties. Een mutatie die minder ziek maakt zal meer nakomelingen krijgen. Een mutatie die zieker maakt zal minder nakomelingen krijgen.

    De vergelijking met de SARS-uitbraak van 2003 is in deze zinvol. SARS werd ook veroorzaakt door een coronavirus, een virus dat zodanig verwant is met Covid-19, dat de laatste ook wel wordt aangeduid met SARS-Covid-19. SARS had een kortere incubatietijd en een hoger sterftecijfer (ongeveer 9% van de geïnfecteerden overleed, met 50% bij de 60+-ers. (bron: wikipedia) Bij Covid- 19 is dit veel lager.
    De ontwikkeling van SARS naar Covid-19 volgt dus de natuurlijke weg: de gastheer wordt minder ziek en de incubatietijd neemt toe, waardoor het virus beter in staat is om zich te verspreiden.
    Dat is ook de reden dat aan de uitbraak van SARS snel een halt kon worden toegeroepen: de mensen werden zo snel zo ziek dat het makkelijk was om ze snel te herkennen en te isoleren
    Kenmerkend is ook, dat een grote groep mensen bij de Covid-19-variant asymptomatisch is, d.w.z. dat ze de ziekte krijgen en er spontaan van genezen zonder dat ze het door hebben. Daarbij kunnen ze wel het virus verspreiden (zij het in mindere mate dan de mensen die wel echt ziek worden). Ook zo’n grote groep asymptomatische besmettingen is in lijn met de natuurlijke verwachting.

    Samenvattend: de ontwikkelde mRNA-vaccins zetten het immuunsysteem er niet voldoende toe aan om het virus (althans niet direct of op korte termijn) te doden, ze voorkomen niet dat het virus zich in de gevaccineerde vermenigvuldigt, en ze voorkomen niet dat het virus zich daarna verspreidt. Ze voorkomen enkel dat mensen (ernstig) ziek worden. Mensen die niet (ernstig) ziek worden blijven gewoon hun ding doen – ze trekken zich niet terug uit de interactie met soortgenoten. Dit vergroot voor een virus juist de gelegenheid om zich te verspreiden. Dit zorgt er ook voor dat het voor een virus geen voordeel meer heeft om minder ziekmakend te worden.

    Bij deze configuratie van gegevens kan het zelfs voorkomen dat er onder een vaccinatieprogramma uiteindelijk meer virus gaat circuleren dan zonder vaccinaties. Wellicht zijn de mensen die op deze manier niet-ziek worden (d.w.z. wel besmet maar t.g.v. het vaccin geen symptomen ontwikkelen) wat minder besmettelijk dan als ze wel ziek geworden zouden zijn, misschien verspreiden ze gemiddeld per persoon minder virusdeeltjes, maar het gaat dan wel om veel meer personen (inmiddels is meer dan 80% van de NL bevolking gevaccineerd), die zich allemaal niet meer laten testen (omdat ze geen ziekteverschijnselen hebben en omdat ze toch gevaccineerd zijn), maar die in voorkomende gevallen wel kunnen bijdragen aan de verspreiding van het virus, juist omdat ze zich niet terugtrekken uit het openbare leven.
    Meer virus betekent ook meer gelegenheid tot muteren, en die mutaties moeten in eerste instantie zien te overleven binnen een reeds gevaccineerd persoon. Daardoor wordt het waarschijnlijker dat er een mutatie ontstaat die (nog) beter in staat is om het vaccin te ontwijken, een variant die beter in staat is om zich te vestigen in een gevaccineerd persoon, een variant die in staat is meer kopieën van zichzelf te verspreiden zonder dat de gevaccineerde gastheer ziekteverschijnselen ervaart. De virussen kunnen daarbij wel steeds gevaarlijker worden voor de niet-gevaccineerden, omdat die geen wezenlijke rol meer spelen bij de verspreiding. Daardoor is het voor het virus van ondergeschikt belang geworden of en hoe ernstig die ongevaccineerde mensen ziek worden: verspreiding vindt primair plaats tussen wel-gevaccineerden onderling. Zolang besmettelijker mutaties geen hinder ondervinden van het feit dat ze (ongevaccineerden) ernstiger ziek kunnen maken, kunnen die zich blijven verspreiden en ontwikkelen, net zolang tot ze de grens bereiken dat ze ook de wel-gevaccineerden ziek kunnen maken. Op dat moment kan er een wapenwedloop ontstaan tussen vaccins en virussen: de mens ontwikkelt stap voor stap betere vaccins om het virus te hinderen, het virus past zich stap voor stap aan.

    Ik ga niet beweren dat deze ontwikkeling onvermijdelijk zal plaatsvinden, maar het risico van een dergelijke wapenwedloop bestaat zeker. We hebben ook een voorbeeld van een dergelijke wapenwedloop bij een kippenziekte, de ziekte van Marek. Misschien is het risico klein maar de gevolgen kunnen groot en ingrijpend zijn. In een dergelijk scenario wordt de mens volkomen afhankelijk van de vaccinaties. Wie niet is gevaccineerd tegen de nieuwste varianten loopt dan een risico, een groter risico dan bij de oorspronkelijke eerste uitbraak.

    Overigens ben ik niet de eerste en de enige die de mogelijkheid voor deze gevaarlijke ontwikkeling ziet. Dit gevaar is ook genoemd in relatie tot niet-farmaceutische ingrepen als lockdowns, en ook in relatie tot vaccineren gedurende een epidemie [vrij technische longread]. Ook op het gevaar van leaky vaccins is eerder gewezen.

    Conclusie: De ontwikkelde mRNA vaccins dragen het risico in zich dat ze het virus ertoe aanzetten om zich in een ongewenste richting te ontwikkelen (schadelijker, besmettelijker), waardoor er op termijn juist meer schade wordt gedaan dan bij niet-vaccineren.

  4. De normale gang van zaken: 1889

    Het huidige beleid wordt gepresenteerd als een keuze tussen twee alternatieven:
    1) lockdown en/of andere strenge maatregelen, of
    2) vaccinatie.
    Dit is een schijntegenstelling, omdat er een alternatief bestaat. Dat ligt ook wel voor de hand: de mogelijkheid tot vaccinatie is pas in de recente geschiedenis ontwikkeld, en toch heeft de mensheid het tot zover zonder voortdurende lockdowns en andere strenge maatregelen gered. Het is dus zinnig om te kijken hoe we in het verleden met dergelijke pandemieën zijn omgegaan.

    De vergelijking met een specifieke uitbraak dringt zich op, nl de zgn. ‘Russische griep’ van 1889. Aan deze uitbraak is te zien wat het verloop is van een pandemie als we niet de beschikking hebben over vaccinaties. Recent wetenschappelijk onderzoek geeft reden om te denken dat dit ook een uitbraak van een coronavirus betrof. Symptomen, ziekteverloop en het demografisch profiel van de slachtoffers tonen grote overeenkomsten met die van de huidige Covid-19-uitbraak.
    Het aantal dodelijk slachtoffers was ongeveer 1 miljoen mensen, 0,07% van de toenmalige wereldbevolking. Dit is in dezelfde orde van grootte als Covid-19.
    Bij Covid-19 is dit ook ongeveer 0,07%, en de epidemie is nog niet voorbij. Dit ondersteunt de stelling dat de maatregelen tegen Covid-19 niet bijzonder effectief zijn, en elk geval niet effectiever dan de maatregelen die destijds genomen zijn. Omdat de wereld inmiddels meer verstedelijkt is, zou je bij eenzelfde epidemie nu een iets hoger percentage slachtoffers verwachten. Anderzijds is de redelijke verwachting dat er sprake is van een zekere kruis-immuniteit, d.w.z. dat blootstelling aan andere corona-virussen het immuunsysteem tot op zekere hoogte kan voorbereiden op een onbekend corona-virus.
    Deze Russische griep is niet bestreden met vaccins, want die bestonden toen nog niet. Het effect van deze epidemie op de lange termijn (na 130 jaar dus) is dat het virus ongevaarlijk geworden is (er vallen niet of nauwelijks meer doden, en zeker niet in die mate dat we overwegen nu alsnog een vaccin tegen dit virus te ontwikkelen). In het kader van het bovenstaande is dat goed te begrijpen: het is evolutionair gezien beter voor het virus om mensen minder ziek te maken. De ziekte is nu endemisch geworden: het hoort bij een hele serie luchtweginfecties waar iedereen wel eens mee te maken krijgt, en die ons immuunsysteem in voldoende mate kan afweren. Wellicht krijgt iedereen op jonge leeftijd al met dit oude virus te maken, waardoor het immuunsysteem al vroeg leert om dit virus af te weren. Het is in elk geval geen probleem meer.
    Als we niet ingrijpen met vaccins is dit dan ook het meest waarschijnlijke scenario voor Covid-19: in een tijdsbestek van 5 jaar of minder wordt het virus minder virulent, en heeft een jongere generatie op eigen kracht voldoende immuniteit opgebouwd om de ziekte in endemische vorm te accepteren. Daarbij vallen in eerste instantie slachtoffers, nl. degenen die niet in staat zijn om immuniteit op te bouwen. De cruciale vraag is echter of dit meer slachtoffers zijn dan wanneer we nu iedereen gaan vaccineren, met alle eventuele lange termijn gevolgen van dien. Het is mogelijk dat we door middel van vaccins de duur en de intensiteit van de epidemie eindeloos gaan rekken, waardoor steeds nieuwe en gevaarlijker varianten de ronde doen, met als eindresultaat meer slachtoffers over een langere periode.

    Conclusie: naast ‘lockdown/maatregelen’ en ‘iedereen vaccineren’ is er nog een alternatief, nl. ‘de ziekte laten uitwoeden en daarbij de schade zoveel mogelijk proberen te beperken’. We weten dan met redelijke zekerheid hoe de ziekte zich dan in de loop van de tijd zal ontwikkelen.

  5. Een alternatief beleid

    Het is makkelijk om kritiek te hebben op beleid, als daar niets tegenover staat. Op basis van het bovenstaande zou ik een alternatief beleid willen formuleren:

    Voor de korte termijn:
    • Zorg voor voldoende zorgcapaciteit
      Het grootste probleem lijkt dat de zorg de instroom van Covid-19 patiënten niet aankan, zeker wat betreft de IC-capaciteit. Dat komt o.a. doordat deze patiënten veel langduriger gebruik maken van een IC-bed dan gemiddeld. Het gebrek aan capaciteit is mede veroorzaakt door beleid waarbij capaciteit is teruggebracht om economische redenen. Omdat het bij Covid een groep patiënten met specifieke behoeften betreft moet het mogelijk zijn om – relatief goedkoop? – voor hen gespecialiseerde faciliteiten te creëren.

    • Vaccineer enkel de risicogroepen (d.w.z. ouderen, mensen met onderliggend lijden, mensen met een probleem met hun immuunsysteem).
      Dus stop met het vaccineren van de rest van de bevolking die een gering risico loopt, en geef iedereen de kans om op eigen kracht immuniteit op te bouwen. De immuniteit van een doorgemaakte infectie lijkt beter en langduriger te werken dan de immuniteit op basis van een vaccinatie. Op termijn zal de immuniteit op basis van de al gegeven vaccinaties afnemen. Ga dan niet aan de gang met booster-shots. Dit zal er mogelijk alleen maar voor zorgen dat de epidemie langer duurt, en dat het virus gevaarlijker wordt. Het zou het beste zijn als dit beleid van niet (verder) vaccineren wereldwijd werd geaccepteerd.

    • Leg aan gevaccineerden hetzelfde regime van testen op als aan ongevaccineerden
      Ook gevaccineerde niet-zieken kunnen immers drager en verspreider van het virus zijn. Het is waarschijnlijker dat een gevaccineerde een ongevaccineerde besmet dan omgekeerd.

    • Stimuleer een gezonde leefstijl
      Een goed functionerend immuunsysteem is de beste manier om te voorkomen dat mensen ernstig ziek worden.

    • Financier onderzoek naar methoden om de ziekte (versneld) te behandelen
      Op dit moment lijkt de aandacht van onderzoekers voornamelijk uit te gaan naar het ontwikkelen van vaccins. Dat is ook begrijpelijk in die zin dat er aan een vaccinatieprogramma veel meer te verdienen valt dan aan genezing of preventie. Maar daaruit volgt niet dat vaccinatie de beste manier is om deze ziekte te bestrijden.

    • Gebruik meer resources om verspreiding van ziekteverwekkers via aerosolen te voorkomen
      Dat betekent het aanbrengen van ventilatieapparatuur (niet louter luchtverplaatsing, maar uitwisseling met de buitenlucht) en van luchtreinigingsinstallaties (middels uv-c licht). Niet alleen in grote gebouwen (schoollokalen, kantoren overheidsinstellingen, winkels, overdekte winkelcentra, ziekenhuizen etc. etc.), maar ook in treinen, bussen en liften, zo mogelijk ook in privé-verblijven en in privé vervoer. Ziektes als cholera, die via water worden verspreid, hebben we uitgebannen door een goede riolering aan te leggen. Ziektes die via de lucht worden verspreid (niet alleen Covid-19, maar bv ook influenza) kunnen we bestrijden met goede ventilatie. Dit is een investering die zich snel zal terugverdienen. E.e.a. zou ook een wettelijke basis moeten krijgen, d.w.z. dat het aantal personen dat is toegestaan binnen een bepaald volume aan (afgesloten) ruimte wordt gekoppeld aan een norm voor ventilatie en/of luchtreiniging.
    Voor de lange termijn:
    • Verander de wijze van besluitvorming
      Besluitvorming m.b.t. Covid-19 wordt nu gedomineerd door twee instituties: ‘de politiek’ (kabinet en de Eerste en Tweede Kamer) en ‘de wetenschap’, vertegenwoordigd in het OMT, gesteund door het RIVM. Deze combinatie is ongelukkig, omdat leden van beide instituties een vertekend beeld kunnen hebben van de aard en omvang van het probleem, en van de gevolgen van hun optreden. Dit maakt dat ze niet altijd tot de beste beslissingen zullen komen. Er zijn minstens 5 problemen:
      1. onbepaalde verantwoordelijkheid
        ‘De politiek’ wijst naar ‘de wetenschap’, en zegt zijn beleid op expertise te baseren. Daarmee ontduiken politici een deel van hun verantwoordelijkheid in de besluitvorming. Omgekeerd claimt ‘de wetenschap’ alleen maar wetenschappelijke kennis te leveren vanuit het eigen vakgebied, en vooral geen beleidsmatig advies te geven. Daarmee ontduiken wetenschappers ook een deel van hun verantwoordelijkheid, want veel advies wordt door de politiek wel direct vertaald naar beleid. Uiteindelijk, als er schade gedaan is (denk aan de qaly’s) heeft iedereen integer zijn best gedaan, valt niemand wat te verwijten en is niemand verantwoordelijk. Beleid waar uiteindelijk niemand op kan worden afgerekend is doorgaans niet het beste beleid.
      2. “Loss aversion”
        ‘De politiek’ laat zich inderdaad niet enkel leiden door expert-advies van het OMT, maar ook door het sentiment in de samenleving (zie onder). Daarbij is sprake van ‘loss aversion’, een bekende vorm van vertekening bij besluitvorming.[zie Kahneman, Thinking fast and slow, hfst 26; ook hfst 31: risk policy] Loss aversion houdt in dat men, ook als dat aantoonbaar nadelig is, vasthoudt aan wat men al heeft. Geen politicus wil erop worden afgerekend dat er onder zijn verantwoordelijkheid mensen overlijden die misschien gered hadden kunnen worden. Dit verwijt zou immers nadelig kunnen uitpakken bij volgende verkiezingen. Dat het redden van zoveel mogelijk mensenlevens in het heden kan leiden tot een aanzienlijk groter verlies van mensenlevens in de toekomst is dan van ondergeschikt belang. Doden van de toekomst kun je immers niet filmen.
      3. Onevenwichtige samenstelling adviesorganen
        In het OMT zijn medici en virologen/ microbiologen/ epidemiologen oververtegenwoordigd. Historici, economen, data-analisten, wetenschapsfilosofen, psychologen en logici zijn bijzonder slecht (eigenlijk: niet) vertegenwoordigd, terwijl ook zij waarschijnlijk een relevante bijdrage zouden kunnen leveren. De groepen die in het OMT zitten hebben een niet-neutrale kijk op de feiten. Om te beginnen zijn mensen met een medische achtergrond, gebonden door hun eed van Hippocrates, sowieso geneigd om zich primair in te zetten voor het behoud van alle leven. Deze mentaliteit is inherent aan de keuze voor een studie medicijnen. Voor sommige medici geldt bovendien dat ze ’s ochtends bezig zijn met stervende patiënten en ’s middags deelnemen aan een OMT-vergadering. Allicht vertekent dit de perceptie van de ernst van de situatie. Voor de puur academische wetenschappers zonder klinische praktijk geldt, dat de optie “nietsdoen, laten uitwoeden” niet zal worden ervaren als een realistisch of werkbaar alternatief: ze hebben hun hele leven gewijd aan hoog-technische vormen van preventie en genezing. Het is niet redelijk om van hen te verwachten dat ze dit terzijde schuiven als zijnde ‘nu even niet van toepassing’. Door advies te vragen aan virologen stuur je als politiek impliciet al aan op een oplossing in termen van een vaccin.
      4. Commitment-problemen
        Medische wetenschappers en politici blijken erg veel moeite te hebben om van koers te veranderen als die koers eenmaal in het publieke debat is ingezet. Alleen al het erkennen dat aerosolen een veel grotere rol spelen dan de grote druppels bleek een vrijwel onneembare horde. Als men zou moeten toegeven dat het vaccinatiebeleid niet heeft opgeleverd wat ervan werd verwacht, zou dat waarschijnlijk onacceptabel gezichtsverlies opleveren. Erkennen dat er ook gevaren kleven aan vaccineren met een ‘leaky’ vaccin is daarom vrijwel ondenkbaar. In die zin hoeven we een keuze voor het boven geschetste korte-termijn beleid niet te verwachten van het OMT. Hoe goed een alternatief beleid verder ook wordt onderbouwd: het OMT heeft zich te zeer gecommitteerd aan het beleid dat gebaseerd is vaccinaties.
      5. Financiering en peergroup oriëntatie van OMT-leden
        Andere reden dat de leden van het OMT een vertekende perceptie kunnen hebben is deze: hoe graag we ook willen dat wetenschap altijd objectief en onafhankelijk is, zij is dat natuurlijk zelden. In elk geval niet als er grote financiële belangen in het geding zijn. Vaccins zijn veel lucratiever dan preventie, dus vaccins krijgen meer geld voor onderzoek. Leerstoelen worden soms door het bedrijfsleven bekostigd, de farmaceutische industrie besteedt veel geld aan een lobby om bepaalde (dure) medicijnen te laten voorschrijven. Kortom: het is denkbaar dat alleen al door het sociale netwerk waarin de OMT-leden zich bevinden, door de wijze waarop hun vakgroepen worden gefinancierd, door de contacten die ze hebben met hun opleiders of hun eigen ex-studenten, door de manier waarop ‘dat wereldje’ nou eenmaal in elkaar zit, er een zekere voorkeur is voor vaccins boven preventie of genezing. Dit hoeft niet bewust of opzettelijk te zijn. Dergelijke mechanismes spelen altijd. Deze mechanismes kunnen wel zorgen voor een suboptimaal advies, omdat de oriëntatie van de OMT-leden te eenzijdig is.

      Om bovenstaande redenen zou het verstandig zijn als men, zowel binnen ‘de politiek’ als binnen ‘de wetenschap’ actief zijn eigen tegenspraak zou organiseren. Dit is bij beide instituties eigenlijk ook de normale praktijk: voor de politiek is dat de eerste en tweede kamer, voor de wetenschap is dat het systeem van peer-review bij publicatie. Maar juist het ‘crisisgevoel’ lijkt ervoor gezorgd te hebben dat men vindt dat nu alle neuzen dezelfde kant op moeten staan, en dat mensen met een andere mening of invalshoek gemarginaliseerd moeten worden omdat ze het publieke belang (zoals gedefinieerd vanuit dat crisisgevoel) schaden. Dus juist op het moment dat georganiseerde tegenspraak het hardst nodig is, wordt die het minst gezocht, en zelfs actief de kop ingedrukt. Het is daarbij illustratief dat de ambtenaren van volksgezondheid wel degelijk aan de minister hebben voorgerekend dat, gerekend in de normale termen van qaly’s, het afkondigen van een lockdown een slecht en schadelijk idee was, en dat de minister (destijds Wiebes) dat advies naast zich heeft neergelegd.


    • Verander de wijze waarop de media een vermeende crisis rapporteren
      Hoewel niet direct bij de besluitvorming betrokken, spelen de media in de perceptie van deze pandemie een cruciale rol. Zij bepalen hoe het publiek denkt over de aard en omvang van het probleem, over het nut en noodzaak van de maatregelen. Zij bepalen in hoeverre het publiek bekend is met de risico’s op de lange termijn, en niet in de laatste plaats in hoeverre het publiek op de hoogte is van mogelijke alternatieven en de voor- en nadelen daarvan. Alleen al de hoeveelheid zendtijd die aan deze (vermeende) pandemie werd besteed, heeft ervoor gezorgd dat de omvang van het probleem door iedereen ernstig woerdt overschat. [Availability-bias, Kahneman]

      Het is opvallend dat in de MainStream Media (televisie, gedrukte pers) voornamelijk mensen aan het woord kwamen die het beleid uitlegden en verdedigden (politici, OMT-leden), en die bij iedere gelegenheid de ernst van de situatie onderstreepten. Daarbij werden met grote regelmaat cijfers op een misleidende manier gepresenteerd. Tussen de genodigden was alleen debat mogelijk zolang men het eens was over de onderliggende basisaanname dat er hier sprake was van een pandemie die met alle mogelijke middelen bestreden moest worden, en waarbij vaccins gezien werden als de uiteindelijke oplossing. Wie deze aannames niet deelde werd aan de talkshowtafels niet serieus genomen. Als er al iemand werd uitgenodigd die kritisch stond tegenover deze aannames, dan was dat iemand met dermate extreme denkbeelden, dat die persoon makkelijk kon worden weggezet als iemand die het totaal niet begrepen had.
      Op die manier ontstond het beeld dat iedereen die het niet eens was met het beleid dom was, of gek, of een complotdenker. Wat door de MSM zonder enige terughoudenheid of tegenspraak werd uitgedragen was dat het gekozen beleid het enige juiste, het enige mogelijke, het enige rationele beleid was. Een afwijkend standpunt werd per definitie toegeschreven aan een gebrek aan kennis. Als iedereen maar goed genoeg werd voorgelicht zou uiteindelijk iedereen het er automatisch mee eens zijn. Etc. etc. etc.

      In de niet-MSM zijn er allerlei mensen met kritische geluiden (en de wetenschappelijke onderbouwing daarvan) naar voren getreden (o.a. Maurice de Hond, Ira Helsloot, Mattias Desmet), die via de MSM nauwelijks in de gelegenheid werden gesteld om een groter publiek te bereiken. Dit is bij de omroepen en bij de kranten bewust beleid geweest. Verschillende redacteuren hebben zich hierover uitgelaten: men wilde in het kader van het crisisgevoel geen ruimte bieden aan geluiden die het overheidsbeleid zouden kunnen ondermijnen.

      Dit beleid heeft de perceptie van de aard en omvang van het probleem bij het grote publiek ernstig vertekend, en dit werkt weer door in de druk die politici voelen om het ingezette beleid krachtdadig door te zetten. Dus waar normaliter de MSM ook een belangrijke rol hebben in de georganiseerde tegenspraak, blijkt dat ze die rol bij een gevoelde crisis (wederom: juist als een tegengeluid het hardste nodig is) verzaken. Sterker nog: door hun invloed op publiek en politici maken ze de ruimte voor alternatieve opvattingen eerder kleiner dan groter. Waarschijnlijk is het hieraan te danken dat vrijwel alle politici/partijen zich achter het kabinetsbeleid hebben geschaard, waardoor ook binnen de politiek de ruimte voor debat en tegenspraak sterk is afgenomen. De MSM hebben als het ware de werkelijkheid ‘gedefinieerd’, en iedereen die aan die werkelijkheid twijfelt wordt actief geweerd uit het debat. In die zin hebben de MSM, in een poging om eensgezindheid te creëren, juist bijgedragen aan een tweedeling in de maatschappij: juist ten gevolge van de eenzijdige berichtgeving heeft een deel van het publiek zich van de MSM afgewend.

      Wat wellicht ook een rol speelt is, dat journalisten en redacties ook maar gewone mensen zijn, die bang gemaakt kunnen worden waardoor dat ‘crisisgevoel’ kan ontstaan. Zij hebben niet voldoende wetenschappelijke bagage om zelf tot een kritisch geluid te komen, om de OMT-leden kritisch te ondervragen, om een onzin-kritiek te kunnen onderscheiden van een serieuze en wetenschappelijk onderbouwde kritiek. Het is moeilijk om aan te geven hoe hierin verbetering gebracht kan worden, behalve misschien dat redacties in elk geval nog veel duidelijker moeten aangeven wat hun beleid is en waarom. Dan weet het publiek in elk geval dat de informatie die wordt gepresenteerd opzettelijk eenzijdig is, en slechts gericht op het ondersteunen van kabinetsbeleid. Het risico is wel dat er dan iemand heel hard: “Noord-Korea” gaat roepen: een redactie die zijn taak om het publiek volledig en evenwichtig te informeren bewust verzaakt om regeringsbeleid te ondersteunen laat zich (ongetwijfeld met integere bedoelingen) inzetten voor staatspropaganda.

      Meer algemeen zou ik willen pleiten voor meer kennis bij alle betrokken instituties van de denkfouten die mensen makkelijk maken. Verschillende heb ik al genoemd, maar er zijn er veel meer. Het genoemde boek van Daniel Kahneman, Thinking, fast and Slow, is een uitstekende en onderhoudende inleiding in dit veld.
      Kennis van allerlei vertekeningen in waarneming en besluitvorming voorkomt niet dat die fouten worden gemaakt, maar het kan in elk geval zorgen voor een bewustzijn van de eigen cognitieve kwetsbaarheid, en daarmee aanleiding zijn voor twijfel in plaats van dogma. Aanleiding voor het organiseren van tegenspraak en reden om te proberen die tegenspraak serieus te nemen, ook als zij een iets andere perceptie van de werkelijkheid met zich meebrengt.

    Conclusie: De huidige crisis is (mede) het gevolg van de wijze waarop verschillende instituties (politiek, wetenschap en journalistiek) in hun samenhang functioneren. De normale georganiseerde tegenspraak die eigen is aan de verschillende instituties verdwijnt zodra men de situatie in termen van een crisis benoemt. Nader onderzoek naar de wijze waarop de verschillende instituties elkaar wat dat betreft versterken is gewenst.


  6. Slotbeschouwing: het ruimere kader

    De wijze waarop we omgaan met een epidemie als corona wordt mede bepaald door het maakbaarheidsdenken. We denken dat we in principe ieder probleem te lijf kunnen (en moeten) gaan met het inzetten van technologie. We willen best een jaartje in lockdown gaan, als we dat nodig hebben om de technologie te ontwikkelen (d.w.z. gebruiksklaar maken) die ons van deze nieuwe ziekte afhelpt. Het idee dat epidemieën, net als aardbevingen en komeetinslagen, te begrijpen zijn als natuurrampen, die weliswaar veel leed veroorzaken maar toch in zekere zin onvermijdelijk zijn, geldt als verouderd. Door dit maakbaarheidsdenken zoeken we ook niet serieus in de geschetste alternatieven: preventie, behandeling en vooral: de ziekte zijn natuurlijke beloop laten en daarbij al het mogelijke inzetten om het leed te beperken. In plaats daarvan is de ambitie gekomen om de ziekte ‘te verslaan’ of ‘uit te bannen’. Dat is een ambitie waarvan iedere bioloog en iedere viroloog kan vertellen dat die niet haalbaar is, simpelweg omdat er dierlijk reservoir voor deze ziekte bestaat.
    Normaliter wordt zo'n reservoir gezien als een nadeel, omdat het het onmogelijk maakt om een ziekte uit te roeien. Jillis Kriek attendeerde me erop dat het ook een voordeel kan zijn, omdat dat grote reservoir niet wordt beïnvloed door de varianten die kunnen ontstaan t.g.v. een leaky vaccin. Daardoor krijgen die nieuwe varianten uiteindelijk niet de overhand. Als we ook dieren gaan vaccineren vergroten we het gevaar voor onszelf.


    De inzet van techniek heeft een lange traditie, en die traditie kent ook een groot aantal tragische mislukkingen. Het idee is steeds om een – voorheen onoplosbaar – probleem aan te pakken met de nieuwste techniek. Zodra die technische oplossing eenmaal beschikbaar is het niet langer acceptabel om het probleem te laten bestaan. Voorbeelden van deze aanpak zijn te zien
    • in de landbouw (Probleem: voedselzekerheid. Oplossing: monoculturen, bestrijdingsmiddelen, grote arealen, landbouwmachines.)
    • in geneeskunde en bij veeteelt (Probleem: infectieziekten. Oplossing: antibiotica.)
    • in kostenbeheersing industriële productie (Probleem: arbeid schaars, lonen hoog. Oplossing: productie verplaatsen naar lage-lonen landen, en dan goedkoop container transport.)
    • in logistiek van steden (Probleem: paard & wagen inefficiënt en vervuilend. Oplossing: gemotoriseerd transport.)
    Dit zijn slechts een paar voorbeelden, de lijst is lang en gevarieerd. Plastic verpakkingen, elektrisch licht, sleepnet-visserij, verhandelbare waardepapieren. Allemaal concrete oplossingen voor concrete problemen, meestal met de nieuwste technieken van dat moment. Met allemaal hetzelfde gevolg: achteraf blijkt de oplossing de aanleiding voor een veel groter nieuw probleem, dat haast niet op te lossen is als we niet ook die eerdere ‘oplossing’ drastisch inperken.
    • In de landbouw hebben monoculturen met alles wat daarbij hoort geleid tot enorme verslechtering van de bodem en verlies aan biodiversiteit. Uiteindelijk zal dit leiden naar lagere opbrengsten.
    • In de geneeskunde leidt overmatig gebruik van antibiotica tot resistente bacteriën. Uiteindelijk zal dit ertoe leiden dat we infectieziekten veel moeilijker kunnen bestrijden.
    • Uitbesteding van arbeid naar lage lonen landen leidt naar sociale problemen en grotere ongelijkheid op wereldschaal. De mondiale verwevenheid is erg crisis-gevoelig. Uiteindelijk kan die toegenomen ongelijkheid op vele manieren leiden naar een afname van de welvaart.
    • Goedkoop transport leidt tot overconsumptie en draagt daardoor bij aan klimaatverandering. Het gemotoriseerd transport leidt tot milieuvervuiling.
    In het bijzondere geval van Covid-19 is, gegeven de aard en omvang van het probleem, een oplossing met een nieuw type vaccin helemaal niet nodig, en mogelijk is ook dit middel op termijn erger dan de kwaal. We hebben (zie: Russische griep) een alternatief waarvan we weten dat het werkt, namelijk: de ziekte laten uitwoeden, en mens en virus beide de gelegenheid geven om zich aan elkaar aan te passen. De mens past zich aan door een vroeg geactiveerd immuunsysteem, het virus door minder gevaarlijk en minder besmettelijk te worden. Dan hoeft de mens zo’n virus helemaal niet ‘uit te roeien’ of ‘te verslaan’, dan is het mogelijk om samen te leven met een nieuw endemisch virus. Dat doet de mens al eeuwen, met honderden virussen, en ons immuunsysteem is over het algemeen goed in staat om met luchtweginfecties om te gaan. Bij deze benadering vallen er in eerste instantie zeker slachtoffers, maar die vallen er bij de huidige wijze van bestrijden ook: de genomen maatregelen zijn voor het overgrote deel niet eens effectief. De vraag is welke benadering uiteindelijk de meeste slachtoffers eist.

    Het alternatief dat ons nu wordt voorgehouden als de enige wenselijke oplossing, – iedereen één of meer injecties met een leaky vaccin – , is een nodeloos riskante keuze, een keuze die op de wat langere termijn tot enorme problemen kan leiden. Een serieus debat over deze risico’s vindt in het publieke domein niet plaats, er is niemand die de risico’s tegen elkaar afweegt. Er is niet eens een bewustzijn dat er ook lange-termijn bezwaren kunnen kleven aan het gebruik van mRNA-vaccins (of zelfs: aan vaccins in het algemeen). Dit is het gevolg van het actief monddood maken van tegenspraak. Gegeven de echte omvang van het probleem is het waarschijnlijk helemaal niet nodig om dat risico te lopen.

    Op dit moment lijkt het erop dat politici en wetenschappers zich laten leiden door de gedachte aan de hypothetische situatie dat ze niet genoeg zouden hebben gedaan in de ogen van de huidige, maar wellicht ook in de ogen van toekomstige generaties. Ze zouden er goed aan doen om ook na te denken over de hypothetische situatie dat ze in de ogen van de toekomstige generaties de ziekte eindeloos gerekt en verergerd hebben.

  7. De conclusies nog even op een rij:

    1. De analyse van de omvang van het probleem was niet correct.
    2. De oorspronkelijke analyse omtrent de wijze van verspreiden van het virus was niet correct.
    3. De maatregelen die genomen zijn op basis van een onjuiste analyse van het probleem zijn voor het overgrote deel ineffectief en zelfs contraproductief.
    4. De ontwikkelde mRNA vaccins dragen het risico in zich dat ze het virus ertoe aanzetten om zich in een ongewenste richting te ontwikkelen (schadelijker, besmettelijker), waardoor er op termijn mogelijk juist meer schade wordt gedaan dan bij niet-vaccineren.
    5. Naast ‘lockdown/maatregelen’ en ‘iedereen vaccineren’ is er nog een derde alternatief, nl. ‘de ziekte laten uitwoeden en daarbij de schade zoveel mogelijk proberen te beperken’.
    6. De huidige crisis is (mede) het gevolg van de wijze waarop verschillende instituties (politiek, wetenschap en journalistiek) in hun samenhang functioneren. De normale georganiseerde tegenspraak die eigen is aan de verschillende instituties verdwijnt zodra men de situatie in termen van een crisis benoemt. Nader onderzoek naar de wijze waarop de verschillende instituties elkaar wat dat betreft versterken is gewenst.