Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014

reageer

het concept intelligentie



Het concept natuurlijke intelligentie


  1. achtergrond
  2. Het idee dat iemand meer of minder intelligent is, is van origine een lekenbegrip. Al lang voordat de wetenschap zich hiervan meester maakte konden we al lezen over de slimheid, sluwheid, vindingrijkheid etc. van Odysseus of Reinaert de Vos. Intelligentie wordt gezien als een (kenmerkende) eigenschap van een individu.
    Rond 1900 probeerde de parijse schoolarts Binet, in samenwerking met Simon, een test te ontwikkelen om schoolprestaties te voorspellen. Deze test was niet gebaseerd op een verfijnd idee van het onderliggende begrip "intelligentie", ze was praktisch (en nogal triviaal) van aard. De test was in 1905 goed genoeg om te gelden als een voorspeller voor schoolsucces. Vanaf daar zijn de IQ tests verder ontwikkeld door o.a. Stanford, Catell en Spearman. E.e.a. staat uitvoerig beschreven in het boek Intelligentie van Piet Vroon. Kenmerk van deze test (eigenlijk: van dit type test) is, dat het gemiddelde van de groep per definitie op 100 ligt. Dit gemiddelde is gecorrigeerd voor o.a. leeftijd. De scores van de geteste individuen worden altijd herberekend om hier uit te komen. Alle IQ-test zijn aan elkaar getoetst, d.w.z. dat (binnen zekere marges) de score op de ene IQ test vergelijkbaar is met de score op een andere IQ test.
    Wat de test precies meet is onbekend, en dat wordt over het algemeen niet zorgelijk gevonden. De test doet wat hij moet doen (academische geschiktheid voorspellen), en kent daarbij een vrij goede statistische stabiliteit als het gaat om dingen als test-hertest betrouwbaarheid. Bovendien is intelligentie (nadat een serie correcties is aangebracht) over de levensloop behoorlijk stabiel. De statisticus zegt dat (per definitie) intelligentie is wat de IQ test meet. Ik ben aanzienlijk skeptischer: mijns inziens meet een intelligentietest voornamelijk het vermogen om een intelligentiest te maken. (dat blijkt bijvoorbeeld uit het gegeven dat men aanzienlijk hoger scoort als men boekjes met intelligentietest diepgaand bestudeert).

    Dat neemt niet weg dat er al meer dan een eeuw lang vaak heftig over intelligentie is gedebatteerd. Enerzijds omdat het een politiek sociale dimensie had (men was bang dat dom volk zich meer zou voortplanten, en dat daarom op termijn de bevolking dommer zou worden) wat in sommige gevallen leidde naar eugenetica-programma's. Op theoretisch gebied hield men zich vooral bezig met de vraag of er één soort algemene intelligentie was, of dat er misschien verschillende soorten intelligentie moesten worden onderscheiden, zoals muzikale intelligentie of wiskundige intelligentie. Bekendste loot hiervan is de zgn "emotionele intelligentie". Ook heeft er een lange discussie plaatsgevonden rond de nature/nurture vraag: aangeboren of aangeleerd. Veel hierover en meer is te vinden in het al genoemde boek van Piet Vroon.

    Dit alles heeft niet geleid tot een helder en eenvormig model of concept van intelligentie: wat is het, waar komt het vandaan, hoe werkt het. Dit gebrek aan theoretisch fundament wreekt zich in een uitspraak als zouden varkens en honden ook intelligent zijn. Bij mijn weten heeft geen hond ooit op een dergelijke test iets gescoord. Een dergelijke uitspraak is een lekenuitspraak, die geen enkele relatie heeft met het psychologische begrip van intelligentie als boven geschetst.

  3. terug naar de basis
  4. Een uitspraak over de cognitieve vermogens van een individu (Odysseus is sluw), is een lekenuitspraak van een individu over een ander individu. Met die uitspraak wordt bedoeld dat de ander met ideeën of oplossingen komt waar de spreker niet (of in elk geval: niet zo snel) op gekomen zou zijn. Essentieel is dat de spreker wél kan zien dat de ander met een bruikbaar en inzichtelijk idee is gekomen: als de spreker niet begrijpt wat het idee is (of de validiteit er niet van inziet) is de ander gewoon "gek". Als de spreker de indruk heeft dat hij hetzelfde idee sneller of makkelijker had kunnen genereren luist het oordeel dat de ander niet bijzonder slim is (want iedereen kan dit bedenken). Als de spreker hetzelfde idee had (en al sneller), en dat idee heeft verworpen, is de ander dom. M.a.w.: de uitspraak van een individu over de slimheid (intelligentie) van een ander individu is een vergelijking: de spreker is de maat voor de besprokene. Aangezien niet alle sprekers over dezelfde (cognitieve) vermogens beschikken, zal het oordeel over de ander uiteen kunnen lopen. Iemand die specialist is in zijn vakgebied zal niet gauw onder de indruk zijn van de ideeën van een ander, iemand die niet goed is ingevoerd zal heel veel als nieuw en verassend ervaren.
    Dit relatieve aspect lijkt mij tot de kern te horen van het begrip "natuurlijke intelligentie".

    Iets wat op gespannen voet kan komen te staan met dit relatieve aspect, is het idee van een ordinale schaal. Een intelligentie-test kent iemand een score toe - hoe hoger de score hoe intelligenter iemand is. De implicatie is, dat iemand met score 120 slimmer is dan iemand met score 110, dat iemand met score 110 slimmer is dan iemand met score 100, en (transitieve eigenschap) dat daarom iemand met 120 ook slimmer is dan iemand met score 100. Maar: is dat zo? Zou intelligentie werkelijk iets zijn als lengte of gewicht: absoluut, objectief te bepalen en normaal verdeeld?
    Een ander model is gangbaar in de sportwereld. Bij tennis (of schaken) heeft iemand een rating, maar het is niet gezegd dat degene met de hoogste rating het duel altijd wint. M.a.w. :A verslaat B, B verslaat C, maar daaruit volgt niet met zekerheid dat A ook zal winnen van C. Hier is geen sprake van een transitieve eigenschap, hooguit van verhoogde kansen. Zowel bij tennis als bij schaken kennen we het verschijnsel van de "angstgegner": iemand die je gegeven je rating makkelijk zou moeten kunnen verslaan, maar waar je in praktijk altijd van verliest, bijvoorbeeld om de "stijl" van die persoon je uit je eigen spel haalt.
    De zoektocht is nu, om het begrip "natuurlijke intelligentie" zo te modelleren dat het zowel recht doet aan het lekenbegrip van het individuele oordeel (met het bijbehorende niet-ordinale aspect), als aan onze ervaringen met de uitkomsten van IQ-tests.

  5. een netwerk-benadering
  6. Bij deze stel ik voor om "natuurlijke intelligentie" te modelleren middels een netwerk. De knopen in het netwerk staan voor "betekenisdragende elementen", de paden tussen de knopen representeren de mogelijkheid om het ene betekenisdragende element te koppelen aan het andere. Cognitieve activiteit is het maken van een zgn. keten langs verschillende betekenisdragende elementen. Het oplossen van een probleem zou dan (losjes gezegd) het verbinden zijn van een vraag aan een antwoord of van het verbinden van middelen met een doelstelling. De mogelijkheid wordt open gehouden dat er verschillende knopen tegelijk als "startpunt" gekozen kunnen worden. Interactie is mogelijk tussen verschillende ketens. Het oplossen van een probleem zou dan zijn dat er knopen (betekenis dragende elementen) van een mogelijke oplossing worden geactiveerd, en tegelijkertijd knopen van de vraag en/of de middelen die ter beschikking staan. De oplossing is gevonden als er een keten is gelegd die de vraag met het antwoord verbindt.

    Dit netwerkmodel mag niet één op één vertaald worden naar een (fysiek of electronisch) neuraal netwerk. Elke knoop mag bestaan uit een groot aantal onderling verbonden elementen (cellen), en omgekeerd mag iedere cel ook deel uitmaken van meerdere knopen. In die zin is elke knoop weer te beschouwen als een netwerkje op zich. Van dit netwerkje kan bijvoorbeeld ook de klankvorm van het concept deel uitmaken.
    Overigens valt het begrip "knoop" niet noodzakelijkerwijs samen met begrippen als "woord" of "concept" : ook smaken of geuren die niet eenduidig in woorden te vatten zijn zouden kunnen fungeren als knoop. Als een knoop ook een klankvorm heeft (een woord) is dat wel een goede manier om die knoop te activeren, maar omgekeerd is het wel mogelijk dat een knoop actief is zonder dat de klankvorm zich aan het bewustzijn opdringt. Dit is het geval als een woord "op het puntje van de tong ligt". Het begrip is actief, de spreker weet wat hij bedoelt, maar hij is (tijdelijk) niet in staat om de klankvorm te mobiliseren.
    Knopen worden hier ook niet gezien als statisch: iedere keer dat we te maken krijgen met (het betekenisdragende element) "olifant" zal daardoor ons idee over een "olifant" worden bijgesteld. Op voorhand kan wel worden gesteld dat comparatieve elementen (is een olifant groot) niet een vast deel uit kunnen maken van de knoop: een olifant is groot in vergelijking met een muis, maar klein in vergelijking tot een flatgebouw. Om deze vraag te beantwoorden is dus cognitieve actie nodig waarbij een relatie wordt gelegd tussen de verschillende lokale netwerkjes van betekenisdragende elementen(olifant, muis, groot), niet het ophalen van een element van de knoop. Dit in tegenstelling tot absolute elementen, als bij de vraag: "heeft een olifant een slurf?" Het is niet op voorhand duidelijk of deze verschillende typen cognitieve activiteit met dezelfde regels te beschrijven zijn, omdat het a.h.w. een schaalverschil betreft. Het ligt niet op voorhand vast dat de regels waarmee dergelijke activiteiten moeten worden beschreven schaal-invariant zijn.
    In deze netwerk-benadering is een uitspraak over iemands intelligentie een evaluatie van de lengte van de keten die de spreker nodig gehad zou hebben om tot het idee te komen dat wordt geëvalueerd. Dit onder de (doorgaans onjuiste) vooronderstelling dat zowel de knopen van het netwerk als de paden binnen het netwerk van de ander min of meer hetzelfde zijn als die van de spreker.

  7. uitwerking van de netwerk-benadering
  8. Een dergelijk netwerk heeft een aantal (deels kwantificeerbare) eigenschappen:
    1. de grootte van het netwerk, i.e. het aantal knopen
    2. de elementen die deel uitmaken van het netwerk
    3. de relaties tussen de elementen (welke elementen zijn wel verbonden/welke niet)
    4. de lengte van de keten die een individu actief kan houden (i.e. het aantal stappen dat tegelijkertijd in het geheugen gehouden kan worden zonder dat de initiële knopen uit het zicht verdwijnen)
    ad 1: de grootte van het netwerk
    Ik zou verwachten dat de potentiële grootte van het netwerk (i.e. het aantal aanwezige knopen) in principe genetisch bepaald is. Hoeveel knopen er werkelijk worden gerealiseerd zou dan afhankelijk zijn van omgevingsfactoren. Dit aspect van netwerk-intelligentie lijkt vergelijkbaar met fysieke lengte: genetisch is bepaald dat een mens niet korter wordt dan 80 cm - hoe slecht de voeding ook is. Idem voor de bovenkant van de schaal: niemand zal 4.50 meter worden als de voeding maar goed genoeg is. De genetica zet de grenzen voor wat de omgevingsfactoren kunnen realiseren. Daarbinnen mogen we een normaalverdeling verwachten. Overigens zal het aantal knopen over de levensspanne wel veranderen onder invloed van omgevingsfactoren.

    ad 2: de elementen die deel uitmaken van het netwerk
    Dit is puur en alleen een omgevingsvariabele: als iemand nooit wordt geconfronteerd wordt met het sanskriet, zal hij ook geen elementen kennen die betrekking hebben op deze taal.
    Dat neemt niet weg dat het mogelijk kan zijn dat er bepaalde gedeelten van het brein zijn "voorgeprogrammeerd" om bepaalde soorten informatie te bevatten en/of te verwerken. Er ligt als het ware al een gereserveerd stukje netwerk klaar om taal-elementen te bevatten, een ander deel voor de opslag van betekenisdragende elementen die betrekking hebben op gezicht-herkenning, voor rekenkundige operaties, voor temporele en spatiële relaties enzovoort.
    Het heeft er zelfs de schijn van dat verschillende talen relatief los van elkaar gehouden worden binnen het netwerk. Er is onderzoek gedaan naar associaties/beleving van lange-termijn migranten, waarbij bleek dat er verschillen zijn bij ondervraging in de moedertaal dan wel in de taal van het migratieland. Dichter bij huis: mijn digitale camera komt na het maken van een grote serie foto's snel achter elkaar met de mededeling "storing". Ik begrijp (omdat alle menu's in het engels zijn) dat hij beelden aan het opslaan is. In het nederlands zou ik begrijpen dat er sprake is van een defect. Er was een tamelijk autistische bui voor nodig om dit verschil op te merken.

    ad 3: de relaties tussen de elementen
    Welke knopen met elkaar verbonden zijn is puur een omgevingsvariabele. Juist dit onderdeel is essentieel voor het relatieve aspect van intelligentie. Zelfs als twee individuen exact dezelfde knopen in hun netwerk zouden hebben, maar tussen de knopen liggen andere paden, dan is de lengte van de keten die voor elk nodig is om twee specifieke knopen te verbinden verschillend. Wat voor de ene persoon een keten is van vele stappen kan voor de ander een bijzonder korte keten zijn. Onder de gegeven (geïdealiseerde) voorwaarde van gelijke knopen is intelligentie volstrekt relatief: als A intelligent is t.o.v. B puur op grond van de verschillende inrichting van het netwerk, dan is B exact even intelligent t.o.v. A. De transitieve relatie is dus niet geldig: intelligentie is dan de absolute waarde van het verschil.

    ad 4: de lengte van de keten
    Hierbij kunnen zowel genetische als omgevingsvariabelen een rol spelen: hoe ver het geheugen strekt kan een kwestie van training zijn. Overigens mag hier niet direct de relatie met het zgn. korte termijngeheugen worden gelegd: lang niet iedere stap zal "doordringen tot het bewustzijn".

  9. de gedachte
  10. Een netwerk benadering van natuurlijke intelligentie biedt ruime mogelijkheden voor empirisch onderzoek. Men kan (om een voorbeeld te noemen) onderzoeken wat de eigenschappen zijn van het begrip "functie" bij verschillende beroepsgroepen. Wiskundigen hebben naar mijn verwachting een totaal ander functie-begrip dan managers.
    Ander voorbeeld: door associatie-opdrachten [waarbij men steeds gedwongen terug moet naar een gegeven uitgangs-begrip, waardoor de lengte van een keten beperkt wordt] is enig inzicht te krijgen in de knopen die gerelateerd zijn aan een gegeven knoop. Hierbij kunnen ook individuele verschillen worden gekwantificeerd.
    Ander voorbeeld: met een soortgelijke onderzoeksopzet is er wellicht meer inzicht te krijgen in de relatie tussen taal en denken. Als men bijvoorbeeld een opdracht geeft om woorden te noemen die beginnen met de klank/letter B, zou ik verwachten dat die woorden in een gestructureerde volgorde langskomen, d.w.z. clusters die hetzij semantisch verbonden zijn (een serie dieren met een B) hetzij syntactisch/morfologisch verbonden zijn (een serie bijvoegelijke naamwoorden, een serie woorden die allemaal beginnen met hetzelfde prefix). Bij een opdracht die een langere keten vergt (noem woorden die in nederlandse spelling op de derde plek een B hebben) zal een dergelijke structuur ontbreken. Zowel de snelheid waarmee woorden worden opgehoest als de semantische en morfologische diversiteit en/of wijze van clusteren zouden iets kunnen zeggen over de structuur van het netwerk en de wijze waarop ketens tot stand komen.

    Uiteindelijk zal onderzoek naar de netwerk-structuur en de individuele verschillen tussen netwerken kunnen leiden naar technieken om de intelligentie te trainen of te vergroten. Te denken valt aan het bijbrengen van de gewoonte om (veelbelovende) tussenresultaten ter lengte van de (bijna) maximale ketenlengte van het individu te noteren. Dit ontlast de geheugen-component, waardoor uiteindelijk langere ketens kunnen worden gemaakt.
    Andere mogelijkheid: geheel onverwachte gedachten komen vaak voort uit associatieve missers: ten gevolge van een "lijkt-op" relatie die er eigenlijk niet is (bijvoorbeeld omdat de relatie van de klankvorm wordt gevolgd in plaats van de inhoudelijke relatie) kunnen er plotseling heel nieuwe verbanden ontstaan. Het lijkt wel wat op mutaties in de evolutietheorie: het meeste werkt niet, maar soms is er sprake van een wezenlijke verbetering. Dergelijke associatieve missers doen zich veelal voor als men moe is, of anderszins slecht geconcentreerd. Mogelijk is creativiteit te stimuleren door mensen onder sub-optimale omstandigheden te laten nadenken, en het resultaat achteraf kritisch te filteren en te analyseren: het levert relaties tussen knopen op die anders slechts langs een (te) lange weg zouden moeten voeren.

  11. slotwoord
  12. Natuurlijke intelligentie is niet zinvol in een enkel getal te vatten. Wie de beschikking heeft over een rijk en enigszins onvoorspelbaar netwerk dat betrekking heeft op wis-en natuurkunde (en daarom op velen een intelligente indruk zal maken) hoeft niet te beschikken over een dergelijk netwerk als het gaat om smaken (en hoe die smaken aangenaam te combineren), en zal in dat geval heel wat minder indruk maken als kok. Het heeft daarom geen zin om een aantal mensen met soortelijke netwerken bij elkaar te zetten in een denktank: ze snappen elkaar waarschijnlijk heel goed, maar tegenover elkaar zijn ze relatief niet-intelligent. Als er al iets zou zijn als "de intelligentie van een qroep", als functie van de intelligentie van de leden van die groep, dan is het waarschijnlijk verstandig om mensen bij elkaar te zetten die zeer verschillende netwerken hebben, niet zozeer wat betreft absolute grootte, als wel wat betreft de aanwezige knopen en relaties in de individuele netwerken. Ook voor de "intelligentie van de groep" zou, op basis van getalsmatige weergave van zowel de grootte als de inrichting van het netwerk, een wiskundig gemotiveerde maat ontwikkeld kunnen worden.

Bert's werk