Bert's brein

geplaatst: 5 -9-2018;

reageer

boekomslag

Achtergrond bij Kees Vuyk "Oude en nieuwe ongelijkheid"


  1. bij de inleiding:
    1. Bij gebrek aan bronnen wordt het niet duidelijk waarom KV denkt dat ongeveer 30% van de bevolking een IQ heeft van 110 of hoger, en dat dit een soort grenswaarde is om de havo en het hbo te kunnen voltooien. Om dit te kunnen controleren is enig begrip van statistiek vereist, dan met name het begrip z-waarde.

      Een z-waarde is een begrip dat hoort bij de analyse van de normaalverdeling, waar KV naar verwijst.
      Later in dit stuk vertel ik meer over normaalverdelingen en standaarddeviaties. In het kort: een standaarddeviatie is de maat voor de 'spreiding' van een normaalcurve.
      Met dit getal wordt uitgedrukt of de grafiek hoog en dun of laag en plat is.
      Bij de normaalverdeling van het IQ (later daarover meer) is de standaarddeviatie 15 punten.
      De z-waarde geeft aan hoeveel standaarddeviaties we ons vanaf het midden bevinden.
      Bij een standaarddeviatie van 1 zitten we daarom op een IQ van 115, bij een z-waarde van 2 zitten we op een IQ van 130.
      In een tabel kun je opzoeken welk percentage van de oppervlakte van de grafiek zich links van de z-waarde bevindt. [De tabel leest als volgt: verticaal staan de 10-den, horizontaal de 100-sten]
      Bij een z van 1,00 lezen we daarom 84,13 %; dat wil zeggen dat (100 - 84,13 =)15,87 procent van de beschreven groep een IQ heeft van 115 of hoger.
      Bij een z van 2 zijn de getallen 97,72% (links) en dus 2,28% rechts.
      Met behulp van de tabel is dus te bepalen welk percentage van de beschreven bevolking een IQ heeft van een bepaalde waarde of hoger.

      Volgens de standaardtabellen ligt de de grens 70% - 30% bij een IQ van 108 [z = 0,53].
      Een IQ van 110 hoort bij een z-waarde van 0,67, wat de grens op 75% - 25% legt. 25 % van de bevolking heeft dus een IQ van 110 of hoger.
      Volgens het CBS is ongeveer 35% van de bevolking hoogopgeleid. Vertaald naar IQ zou die grens liggen bij 106 [z = 0,39] (z-scores afgelezen uit deze tabel.)
      Om hoogopgeleid te kunnen raken is dus in praktijk dus geen excessief IQ nodig (106), en waarschijnlijk - zoals ik later in dit stuk zal aantonen met cijfers van het CBS - nog minder.
      Daarbij moet nog bedacht worden dat de testfout ongeveer + of - 5 punten bedraagt (in het midden van de verdeling, bij de extremen wordt het meer). Zie hiervoor deze publicatie. Uit deze marge blijkt al, dat een IQ-score van een individu op zich nog niet zo heel veel zegt over de groep waarin hij terecht komt. Meer hierover bij de bespreking van het begrip 'intelligentie'.

    2. bij hoofdstuk 1: Ongelijkheid

      Er wordt in dit hoofdstuk op grond van bestaand empirisch onderzoek duidelijk gemaakt dat hoog- en laagopgeleiden in min of meer gescheiden werelden leven. Wat wordt hier precies gezegd?
      Het eerste verband wordt gelegd tussen opleidingsniveau en inkomen, op basis van cijfers van het CBS (2011).
      CBS1 CBS2 CBS3
      Alleen de derde van deze grafieken is opgenomen in het boek. Hoewel het voor de hand ligt, dat er een verband tussen opleidingsniveau en inkomen zal bestaan, is de grafiek minder eenduidig dan een vluchtige blik suggereert:
      1. In het boek (en bij het CBS) is niet aangegeven of deze cijfers bruto of netto zijn, en of deze cijfers alleen inkomsten uit arbeid betreffen, of ook inkomsten uit vermogen. Dat laatste kan de cijfers enorm vertekenen. Juist bij hogere inkomens is inkomsten uit vermogen een belangrijke factor.
      2. Ook is niet aangegeven of dit de mediaan, of het gemiddelde, of nog iets anders betreft. Als dit het gemiddelde betreft, dan kunnen enkele veelverdieners de waarde voor de hoogopgeleiden onevenredig omhoog trekken. Aan de andere kant zou een onevenredig groot deel bijstandsgerechtigden het inkomen van de laagopgeleiden omlaag kunnen trekken. [de arbeidsparticipatie van laagopgeleiden is lager, dus dit kan een relevante factor zijn] De mediaan zou dus te prefereren zijn.
      Samenvattend: uit de grafiek blijkt wel dat hoogopgeleiden door de bank genomen aanzienlijk meer inkomsten hebben dan laagopgeleiden, maar heel veel meer dan dat mogen we uit het gepresenteerde materiaal niet concluderen. Dat een hoogopgeleide twee keer zoveel verdient als een laagopgeleide is misschien waar, maar uit deze cijfers blijkt dat niet overduidelijk. De definities die het CBS hanteert voor opleidingsniveau wijken enigszins af van de definities van Vuyk. De procentuele verdeling laag-midden-hoog is niet 30 - 40 - 30, maar 23 – 42 – 35. [geschat op basis van de 1ste grafiek]


      Het tweede verband wordt gelegd tussen opleiding en arbeidsparticipatie, op basis van cijfers van het CBS, 2006.
      CBS4
      Deze grafiek is moeilijk te interpreteren zonder de zustergrafiek uit hetzelfde CBS-document:
      CBS5
      Het CBS hanteert ook hier niet dezelfde driedeling die Vuyk hanteert. De onderste 23% van de bevolking zit hier in basisonderwijs + Vmbo. Het gewogen gemiddelde van deze twee groepen is (geschat: 1/4 BasisOnderwijs, 3/4 Vmbo: (1/4 * 46%) + (3/4 * 62%) = 11,5 + 46,5 = ) 58 % arbeidsparticipatie voor de laagst opgeleide 23% van de beroepsbevolking. De hoogste 33% van 2005 zit (geschat) op 86% arbeidsparticipatie. Nog altijd is het verschil aanzienlijk, maar niet zo scherp als een vluchtige blik op de grafiek suggereert (nl 46% versus 88%.)
      Bovendien is het de vraag hoe we dit gegeven moeten interpreteren. Wellicht dat in tijden van werkloosheid de WO-ers de HBO-ers verdringen, en zo verder naar beneden, zodat de laagst opgeleiden de minste kans op de arbeidsmarkt hebben. Arbeidsparticipatie lijkt me daardoor eerder een functie van conjunctuur dan van opleidingsniveau: bij een lage conjunctuur verwacht ik verdringing. Gegevens hierover zijn niet uit de grafiek af te leiden.
      Ander kritiekpunt: mogelijk bestaat die groep van 5% met alleen lager onderwijs uit ouderen, die wegens leeftijd of lichamelijke gebreken uit het arbeidsproces vallen. Dit zou hun lagere arbeidsparticipatie verklaren op andere gronden dan hun opleidingsniveau.

      Samenvattend: de stelling dat hoogopgeleiden vaker betaalde arbeid verrichten klopt op zich wel, maar de losse grafiek in het boek is iets suggestiever dan de werkelijkheid. Overigens blijkt uit deze grafiek niet of de arbeid die door hoogopgeleiden wordt verricht in overeenstemming is met hun opleidingsniveau.


      Het derde verband gaat tussen opleidingsniveau en levensverwachting:
      CBS6
      Ook hier geeft de lopende tekst van KV het verschil dat het CBS geeft voor de levensverwachting van hbo & universiteit versus die van de mensen met alleen basisonderwijs. Maar die groep omvat (grof geschat) maar ¼ van wat Vuyk zelf opvat als laaggeschoold. Compenseer ik hiervoor, dan worden de verschillen kleiner van 7 jaar verschil naar ongeveer 5 jaar verschil. Nog steeds niet onaanzienlijk, maar toch iets minder spectaculair. Hetzelfde geldt voor de volgende grafiek, uit hetzelfde stuk:
      CBS7
      Opgemerkt moet worden dat de keuze die het CBS maakt om verschillende variabelen tegen elkaar af te zetten niet geheel neutraal is. Immers: als opleidingsniveau zo sterk correleert met inkomen, dan zouden we in deze grafieken ook kunnen lezen dat de levensverwachting daalt met het inkomen. Dat wekt direct een heel andere suggestie.

      Het vierde verband dat Vuyk legt is suggestiever: inkomen en cultuurconsumptie. Hij citeert een grafiek die betrekking heeft op concertbezoek (klassieke muziek) naar leeftijd en naar opleidingsniveau. Het volledige rapport van het SCP is hier te vinden. [tabel op pagina 50]
      Uit deze tabel blijkt dat hoogopgeleiden aanzienlijk vaker concerten klassiek muziek bezoeken dan laagopgeleiden. Deze tabel is een voorbeeld van een algemene tendens in cultuurgebruik (volgens KV) Zijn claim luidt:
        (…) de hoogopgeleiden vormen de meerderheid van de bezoekers aan culturele instellingen die de ‘hoge cultuur’ presenteren. Laagopgeleiden gaan of zelden uit, of als ze uitgaan dan bezoeken ze eerder uitingen van populaire cultuur: popmuziek, musicals, films. (…)
      Wat Vuyk er niet bij vertelt is, wat onder de tabel staat:
        (…) Onder hoogopgeleiden loopt de belangstelling voor klassieke muziek vrij sterk terug. Het effect daarvan op het totale bereik doet zich al wat voelen, maar is tot nu toe geremd door de groei van het aandeel hoger opgeleiden in de bevolking. Nu die groei afneemt, zou dat remmende effect op de langere termijn uitgewerkt kunnen raken en de dalende belangstelling onder hoogopgeleiden sterker in de totale belangstelling voor klassieke muziek tot uiting kunnen komen. (…)
      Direct daarna volgt een rapportage over het bezoek van popconcerten, op dezelfde wijze getabelleerd naar leeftijd en naar opleidingsniveau. Ook popconcerten worden door hoogopgeleiden beter bezocht dan door enige andere, lager opgeleide groep. En bij deze groep hoogopgeleiden is ook nog eens de grootste stijging in gebruik te vinden.
      Nog afgezien van de precieze inhoud van de termen ‘hoge cultuur’ versus ‘populaire cultuur’, blijkt de claim van KV niet bijster relevant. Hoogopgeleiden bezoeken vaker klassieke concerten dan laagopgeleiden – so what. Ze bezoeken ook meer popconcerten. Als de hoogopgeleide groep een culturele voorkeur heeft die (zoals later in het boek gesuggereerd wordt) -mede- is ingegeven door intelligentie, dan zou de gang naar klassieke concerten niet mogen afnemen (alternatief: voor de waardering van popmuziek is steeds meer intelligentie vereist. Maar in dat geval zou concertbezoek door laagopgeleiden moeten afnemen, en dat gebeurt ook niet).

      Tot slot van dit onderdeel citeer ik het onderdeel van de conclusies van de makers van dit rapport, voor zover het betrekking heeft op kunstconsumptie:
        De grootste veranderingen deden zich voor bij het bereik van cabaret en populaire muziek (pop, jazz en musical). Sinds 1995 steeg het bezoek aan beide podiumkunsten met ruim 30%. Tussen 1995 en 2007 groeide het aandeel van de bevolking dat ten minste één maal per jaar een musical, pop- of jazzconcert bezocht van 25% naar 34%. In dezelfde periode nam het bezoek aan cabaret toe van 11% naar 15%. Uitvoeringen van klassieke muziek hebben sinds het midden van de jaren negentig daarentegen een kleiner bereik gekregen. Het bezoek aan klassieke muziek daalde tussen 1995 en 2007 van 17% naar 14%. De dalende heeft zich tussen 2003 en 2007 niet voorgezet. Het bereik van (professioneel) toneel en ballet veranderde in de loop der jaren nagenoeg niet. Het toneelbezoek bleef constant op ruim een kwart van de bevolking, terwijl een constante 14% van de bevolking naar beroepstoneel (BO -vermoedelijk wordt bedoeld: beroepsdans) bleef gaan. Omdat het bezoek aan populaire cultuur toeneemt en dat aan traditionele cultuur gelijk blijft, slaat de balans in de publieke belangstelling meer door in de richting van populaire cultuur. Bij de beeldende kunst valt geen publiekskrimp te constateren. De kunstmusea mogen zich in een groeiend bereik verheugen (17% in 1995 en 20% in 2003 en 2007). Het bezoek aan galeries is in de loop der jaren nagenoeg constant gebleven, met een bereik van een op de vijf Nederlanders. Het bereik van podiumkunsten en beeldende kunst is groter dan het bezoek van voorstellingen en tentoonstellingen doet vermoeden. Uit nieuwe vragen in de enquête uit 2007 blijkt dat in dat jaar ruim 40% van de bevolking een feest met een live optreden bezocht, waarvan een kwart niet naar podiumkunst in een culturele instelling was geweest. Verder bekijken veel Nederlanders (52%) kunst in de openbare ruimte
      Met name uit de laatste opmerkingen blijkt, dat geld wellicht een parameter is in kunstgebruik: als het gratis is wil men er wel naar toe, maar men heeft er – om wat voor reden dan ook – geen geld voor over. Omdat de hoogopgeleiden (zie boven) meer te besteden hebben, zal geld daar minder snel een belemmering zijn. Naarmate er meer hoogopgeleiden komen, neemt het cultuurgebruik over de hele linie (dus ook cabaret, populaire muziek en musical) toe.
      Hoe dit verder ook zij, de cijfers zijn precies wat ze zijn: ze meten van elke groep hoe vaak zij bepaalde culturele activiteiten bezoeken. Dat zegt niet automatisch iets over de persoonlijke waardering of over de motivatie om de activiteit de bezoeken. Het is in elk geval denkbaar dat mensen klassieke concerten bezoeken (of literaire romans lezen etc.) omdat dat vereist wordt in je sociale milieu: je moet kunnen meepraten. Omgekeerd is het denkbaar dat mensen wel van klassieke muziek houden, maar geen concerten bezoeken, bijvoorbeeld omdat die duur zijn, of niet voldoende beschikbaar in de directe omgeving. Tenslotte kan het ook zo zijn dat sociale dwang mensen ervan af houdt om (publiekelijk) uiting te geven aan bepaalde kunstvoorkeuren. Om terug te vallen op een cliché: als een bouwvakker hoge waardering heeft voor de beeldende kunst van Jackson Pollock, en voor atonale muziek, dan doet hij er toch goed aan om dat niet te zeer te uiten, op straffe van een vorm van uitstoting. Dit is het spiegelbeeld van de eerste mogelijkheid die ik noemde. Ook in de ‘hogere’ milieus zal dit gelden: een hoogleraar wiskunde zal niet gauw een huilend zigeunerkindje aan de muur hangen, hoezeer het beeld hem/haar misschien ook aanspreekt.

      Na deze figuren en tabellen verwijst Vuyk in samenvattend proza naar de resultaten van anderen. Er worden relaties gelegd tussen opleidingsniveau en mediagebruik (hoog: meer kranten, meer publieke omroep; laag: nauwelijks kranten, roddelbladen, commerciële zenders). Bijproduct van dit onderzoek is een verschil in de naamgeving van de kinderen. Ook wordt verwezen naar een onderzoek in verschil in gevoel voor humor.

      Vervolgens wordt ingegaan op onderzoek van Robert Putnam, maar de sociale mobiliteit van jongeren in Amerika, waarbij het opleidingsniveau van de ouders als referentiepunt werd gekozen. Dit opleidingsniveau blijkt een goede voorspeller te zijn voor o.a. de kans dat het kind hoogopgeleid zal worden, maar ook voor andere zaken - als de kans om op te groeien in een éénoudergezin, -de kans dat het gezin gezamenlijk de avondmaaltijd gebruikt, -de kans dat het kind deelneemt aan buitenschoolse activiteiten, -de mate van ‘social trust’.

      Commentaar: Ook in Amerika is er een stevige relatie tussen inkomen en opleiding. We kunnen veilig aannemen dat de geïnterviewde personen die laagopgeleid waren, een lager inkomen hadden en in mindere wijken woonden dan de hoogopgeleiden. Als we voor hoogopgeleid/laagopgeleid lezen ‘hoog inkomen’ en ‘laag inkomen’, dan heeft Putnam gewoon een klassenverschil gemeten. [In het volgende hoofdstuk staat dat ook met zoveel woorden: Putnam was geïnteresseerd in klassenverschil, en hij zag opleidingsniveau als een makkelijk te meten indicator hiervan. Zie p 63.] Het is al erg lang bekend dat mensen uit de lagere milieus minder toegang hebben tot hoger onderwijs. Putnam onderbouwt met zijn onderzoek dat de sociale mobiliteit nog is afgenomen.
      Het is wel de vraag in hoeverre dit onderzoek van toepassing is op de Nederlandse situatie. Heeft in Amerika ook een vergelijkbare beweging plaatsgevonden, waarbij iedereen met de vereiste intelligentie ook toegang had tot hoger onderwijs? Bovendien: de kwaliteit van het onderwijs is in de VS veel sterker buurtgebonden dan in Nederland, omdat de financiering gebonden is aan de onroerende-zaak belasting (of het Amerikaanse equivalent daarvan). Onafhankelijk van intelligentie of van opleidingsniveau kan dus de kwaliteit van het lager onderwijs in de wijk waar men woont bepalend zijn voor de mogelijkheid of hoger onderwijs te voltooien.

      Als laatste bespreekt Vuyk de relatie tussen opleidingsniveau en politieke voorkeur. Hij baseert zich daarbij voornamelijk op Bovens & Wille, 2011. Die signaleren dat het overgrote deel van de leden van de 2de kamer een academisch graad heeft. Dat aantal is sinds de jaren 70 gestaag toegenomen. Destijds had nog maar 40-50 % een academische graad. Bovens en Wille gaan ook in op de verschillende voorkeuren van hoog- en laagopgeleide kiezers. Hoogopgeleiden zijn meer pro-europa, meer pro-milieu, hechten minder aan verplichte integratie van minderheden. De groepen verschillen onderling ook in hun vertrouwen in de politiek:
        (…) De verschillen zouden allemaal niet zo erg zijn als de laagopgeleiden in elk geval het vertrouwen hadden dat de hoogopgeleiden die hen besturen ook in hun belang handelen. 54% van de laagopgeleiden meent echter dat ‘Kamerleden zich niet bekommeren om de mening van mensen zoals ik’ en 63% meent: ‘Kamerleden zijn alleen maar geïnteresseerd in mijn stem en niet in mijn mening.’ Van de hoogopgeleiden onderschrijft slechts 22% respectievelijk 33% die stellingen (…)[p 50]
      Commentaar: Het boek van Bovens & Wille (Diploma-democratie, Amsterdam, 2010) is weliswaar bekend en geruchtmakend, maar het is geen neutrale studie. Dit is niet de plaats om diep in te gaan op dit werk. Gemakshalve verwijs ik naar een artikel in De Groene, waarin kritiek wordt geleverd op de kwaliteit van de gebruikte data en op de politieke interpretatie van die data.




    3. hoofdstuk 2: de betekenis van opleiding

      In dit hoofdstuk probeert KV een verklaring te vinden waarom opleiding tegenwoordig zo’n grote invloed heeft op het leven van mensen [p 53]. Later omschrijft hij het anders, nl. [p 54] ‘de invloed die opleiding heeft op gedragingen’.
      Hij onderscheidt 3 soorten verklaringen.
      1. de verschillen komen voort uit de opleiding zelf
      2. opleiding is het zichtbare deel van een groter verband
      3. er is sprake van een onderliggende factor, te weten ‘intelligentie’
      Ad 1
      De relatie tussen opleidingsniveau enerzijds, en inkomen en arbeidsparticipatie anderzijds behoeft geen toelichting. Moeilijker is de mate van politieke participatie. Bovens & Wille betogen dat de inhoud en de vaardigheden die hiervoor worden vereist worden verworven gedurende de opleiding (niet noodzakelijkerwijs wat betreft de inhoud – het kan ook gaan om vaardigheden die anderszins tijdens de studietijd worden verworven, vaardigheden die vereist zijn om mee te komen in het debat). KV betwijfelt dit op historische gronden: in het verleden waren er ook laagopgeleide vakbondsmensen en politici. Wat betreft KV kan opleiding daarom niet de enige of de volledige verklaring zijn voor het verband dat hij signaleert.
      Commentaar: de weerlegging van KV is niet sluitend. Het is mogelijk dat die vaardigheden ook kunnen worden opgedaan buiten een studie, het is mogelijk dat de debatcultuur of de politieke cultuur veranderd is, waardoor nu sprekers worden uitgesloten die vroeger wel toegang hadden.

      Wat betreft cultuurparticipatie betoogt KV dat de relatie tussen onderwijs en cultuurparticipatie zwak is. [En trouwens ook dat de cultuurparticipatie per groep hoogopgeleiden nogal wisselt: accountants, ingenieurs, managers en bedrijfsleiders zijn ondervertegenwoordigd; leraren, wetenschappers, journalisten en kunstenaars zijn oververtegenwoordigd. Hij geeft voor dit fenomeen geen verklaring] Er moet daarom een andere reden zijn dat hoogopgeleiden (gemiddeld) meer participeren dan laagopgeleiden.
      Commentaar: Bij deze argumentatie komt KV met de volgende alinea, die weliswaar bij eerste lezing neutraal en objectief kan lijken, maar dat zeker niet is:
        (…) Wie de laatste vormen van onderwijs gevolgd heeft [i.e. (voorbereidend) beroepsonderwijs] weet na afloop weinig van de kunsten en die gebrekkige kennis verhindert dat hij of zij aansluiting vindt bij wat zich in de kunsten afspeelt. Feit is immers dat kunst, ook of juist de ogenschijnlijke meest simpele kunst, altijd staat in een traditie en vanuit die traditie begrepen moet worden. Wie de kennis van de traditie mist, zal van kunst nooit goed kunnen genieten. (…)
      Dit is een aanvechtbare stellingname, gepresenteerd als feit, die uit lijkt te gaan van een heel specifiek soort kunst als enige echte kunst. Wie bepaalt wat kunst is en wat niet? Wie bepaalt hoe kunst ‘begrepen moet worden’? Natuurlijk kunnen laagopgeleide mensen genieten van kunst, ook zonder kennis van de traditie. Misschien gaat het niet om de kunstenaars, de schrijvers en de componisten die KV op het oog heeft, maar het vermogen tot genieten wordt zeker niet bepaald door opleidingsniveau of door kennis. Sterker nog [hier is onderzoek naar gedaan:] als iemand iets niet mooi vindt, dan heeft het niet of nauwelijks effect om uit tet leggen waarom het wel mooi is. Kennis van de gebruikte technieken en tradities zal de algemene waardering voor het werk verhogen, maar de esthetische ervaring wordt er juist nauwelijks door beïnvloed.
      Er bestaat overigens wel theorievorming over de ervaring van culturele uitingen: als men bepaalde elementen of patronen niet eerder heeft gezien, ervaart men die als ‘spannend’; naarmate men ze vaker heeft gezien ervaart men ze als minder spannend. De cultuurgebruiker zoekt een als prettig ervaren spanningsniveau . De man achter de theorievorming hierachter is Berlyne, onder andere in debat met Zajonc over het verschijnsel ‘mere exposure’.
      Wat KV hier eigenlijk zegt is: de ‘hoge’ kunst is de enige echte kunst, en alleen degenen die deze kunst waarderen weten wat ‘genieten van kunst’ is. Merk op dat deze kunstopvatting bij gebrek aan definitie in hoge mate cyclisch kan zijn: misschien is het niet zo dat mensen meer genieten van ‘hoge kunst’ omdat ze hoogopgeleid zijn, maar eerder dat iets ‘hoge kunst’ wordt genoemd, omdat het door hoogopgeleiden wordt gewaardeerd.

      Ook bij de derde relatie die KV bespreekt, de relatie tussen gezondheid/levensverwachting en opleidingsniveau, zijn de verschillen tussen beide groepen volgens VK niet toe te schrijven aan de opleiding zelf: de informatie over bijvoorbeeld roken is algemeen bekend, ook bij de lager opgeleiden. Iets vergelijkbaars geldt voor leefpatronen en sociale structuren. [p 61]
        “De meeste laagopgeleide ouders weten heus wel wat goed is voor hun kinderen. Ze slagen er alleen niet om die goede omstandigheden te creëren. Maar waarom?”
      Op drie samenhangen (politieke participatie, cultuurconsumptie en gezondheidsgedrag) komt KV hiermee tot de conclusie dat de opleiding zelf – inclusief de vorming die uitgaat van het feit dat met een opleiding volgt – geen afdoende verklaring vormt voor de verschillen tussen hoog- en laagopgeleiden.

      Ad 2
      Hier gaat KV in op drie samenhangen: a) gezondheid, b) carrièreperspectief zoals onderzocht door Putnam en c)cultuurparticipatie.

      Met betrekking tot gezondheid: KV is het met sociaal-geneeskundigen eens dat laaggeschoolden vaker werk doen dat lichamelijk belastend of riskant is. Toch kan dit geen volledige verklaring bieden voor de lagere levensverwachting, omdat ook veel laagopgeleiden werk doet dat niet in deze categorie valt. Bovendien zijn de beschermingsmaatregelen door de jaren heen verscherpt, maar heeft dit niet zichtbaar geleid tot een toename in de levensverwachting/gezondheid van de deze groep.

      Vervolgens besteedt hij aandacht aan de achtergronden en aanbevelingen van Putnams werk. Putnam ziet opleidingsniveau als een indicator van sociale klasse. De achterliggende vragen stelt Putnam volgens KV echter niet: Waarom is dat zo? Hoe komt het dat die kloof groeit, terwijl tegelijkertijd het aantal hoogopgeleiden groeit?

      Met betrekking tot cultuurparticipatie bespreekt hij onderzoek van Ganzeboom, dat ook tot de conclusie komt dat herkomst/ouderlijk milieu een grotere samenhang vertoont met culturele voorkeuren dan het niveau van onderwijs. Wederom stelt KV zichzelf de vraag waar dat dan aan ligt. De constatering op zich is voor hem niet genoeg, hij zoekt naar een achterliggende verklaring voor deze samenhang.
      Conclusie: KV acht de verklaring dat opleidingsniveau en de daarmee verbonden verschijnselen (gezondheid, carrièreperspectief en cultuurparticipatie) allemaal deel uitmaken van een groter geheel (i.e.: SES, sociaal economische klasse) op zich niet onjuist, maar onbevredigend. Hij wil weten waarom opleidingsniveau is verbonden aan SES en waarom cultuurparticipatie is verbonden met SES.

      Ad 3
      KV maakt alle normale voorbehouden ten aanzien van intelligentie: er is verschil tussen het lekenbegrip en het psychologische begrip, er is discussie over wat de test precies meet, het richt zich te veel op puur cognitieve vaardigheden, Schoolprestaties en intelligentie vallen niet direct samen omdat door omstandigheden ook intelligente mensen die intelligentie niet kunnen ontplooien, of omdat superintelligente mensen op school ook problemen kunnen ondervinden.
      Dit alles gezegd zijnde, bouwt hij verder op intelligentie als verklaring op de achtergrond.
      Merk op dat hier een stap gemaakt wordt: in de inleiding was intelligentie de noodzakelijke voorwaarde om een hogere opleiding te kunnen voltooien. Nu is intelligentie de achteliggende variabele, die twee dingen verklaart: enerzijds dat mensen zich in een hogere of lagere klasse bevinden, en anderzijds dat ze hoog- of laagopgeleid zijn.

      Ik citeer een passage uit dit betoog over minder intelligente mensen: [p 68-69]
        (…) Al zal de relatie niet altijd een-op-een zijn, toch mogen we aannemen dat minder intelligente mensen zich minder aangetrokken zullen voelen tot zaken die complex zijn en die ze daarom niet makkelijk doorgronden. Dat verklaart, lijkt me, hun geringere participatie in politiek en kunst en hun geringe belangstelling voor media die veel aandacht schenken aan politieke discussies en ruimte bieden aan artistieke producties. Ze begrijpen er onvoldoende van of het kost ze zoveel moeite om het te begrijpen dat ze voortijdig afhaken. Het gaat bij politiek en kunst immers niet primair om kennis. Het gaat om oordelen op basis van (vaak ontoereikende) kennis. Waarden spelen daarbij een rol. Waardeoordelen vellen is lastiger dan uitspraken doen op basis van kennis. Een waardeoordeel vraagt immers om een vergelijking van meerdere gezichtspunten. Daarbij moet je dan nog een kader vinden om ze te kunnen vergelijken en dat kader consequent toepassen. Veel mensen slagen er niet in deze operatie tot een goed einde te brengen.(…)
      Voor KV vallen weinig intelligent en laagopgeleid inmiddels samen. Vervolgens wordt politek en kunst gezien als complex - te complex voor laagopgeleiden. Maar KV weet niets van de complexiteit van de dingen waar laagopgeleiden zich wel mee bezig houden: in theorie is het zelfs denkbaar dat ze zich niet met kunst en politiek bezig houden omdat het te weinig complex is, te saai in vergelijking tot de andere dingen die ze doen. Hoe complex of hoe simpel iets is wordt mede bepaald door iemands kennis en achtergrond: een druppelende kraan is voor de gemiddelde nederlander saai, maar voor een wiskundige (chaostheorie) een bron van inspiratie. Zonder dat hij goed weet waar de laagopgeleiden mee bezig zijn, meent KV dat de dingen die hij zelf belangrijk vindt complex zijn, en de dingen waar de ander mee bezig is niet-complex. Andere verklaringen worden ook niet overwogen. Misschien zijn laagopgeleiden wel zo druk bezig met overleven, dat ze in hun vrije tijd (het is hun vak niet) geen zin hebben in politiek of kunst. Of misschien kost participeren in kunst geld dat ze er niet voor over hebben.
      Ook de relatie tussen kunst en complexiteit of analytisch vermogen is niet heel eenduidig. Ik vraag regelmatig hoogopgeleiden naar hun voorkeuren in kunst (theater, literatuur, muziek) en wat mij het meest opvalt is dat vrijwel niemand in staat is (en vaak ook niet bereid) om in analytische termen over kunst te praten. Meestal is het idee dat je het werk als geheel moet consumeren, dat je het kapot maakt als je het analyseert, dat analyse niets toevoegt aan de beleving.
      De meeste keren dat er bij de publieke omroep aandacht gevraagd wordt voor een kunstuiting, gaat het om de publiciteit: de kijker moet ertoe worden aangezet om naar deze of gene voorstelling te gaan, dit of dat concert te bezoeken/boek te lezen/tentoonstelling te bezoeken. Dat vraagt niet om een afgewogen meningsvorming zoals KV die beschrijft, maar om de bereidheid om middelen (tijd, geld) vrij te maken naar aanleiding van het aangekondigde cultuurgoed. Wie dat niet kan, of wie een andere culturele interesse heeft, hoeft niet te kijken.
      Ook voor (gebrek aan) politieke interesse is het niet moeilijk om een alternatieve verklaring te vinden, die geen beroep doet op intelligentie. Laagopgeleide mensen hebben in het onderzoek van Bovens & Wille duidelijk aangegeven waarom ze hun interesse in de politiek kwijtraken. De standpunten waarin zij zich herkennen worden door de verschillende politieke partijen niet ingenomen. De standpunten waarvoor ze zich in referenda hebben uitgesproken worden terzijde geschoven. Kortom: hun ervaringen met de politiek (mogelijk op verschillende niveaus) zijn waarschijnlijk niet bijzonder bevredigend. Dat kan ook te maken hebben met de politieke cultuur van dit moment, die bepaalde meningen in het debat diskwalificeert, zonder dat de wederpartij door argumenten is overtuigd. Onwelgevallige meningen worden afgeserveerd of genegeerd. Als mensen langdurig geen effect zien van hun inspanningen, houden ze er vaak wel mee op. Dat hoeft niets te maken te hebben met hun intelligentie. Het zou immers ook van intelligentie kunnen getuigen om te stoppen met iets wat toch geen resultaat oplevert.

      Aan het eind van zijn hoofdstuk [p 70 -72] vraag KV zich af, waarom allerlei andere onderzoekers er niet toe over gaan om ‘intelligentie’ als achterliggende oorzaak aan te geven voor de scheiding van levenssferen. Suggesties zijn 1) gebrek aan data, en 2) een zeker taboe om intelligentie te noemen, omdat dit een factor is die de nadruk legt op verschillen en niet op overeenkomsten. Ik kom hier nog op terug.

    4. Deel 2: intelligenties (hoofdstuk 3 t/m 7)

      Bij zijn bespreking van het begrip intelligentie maakt KV voornamelijk gebruik van een werk van Resing en Drenth; alle verwijzingen naar de vakliteratuur vinden plaats via dit werk. Daarbij valt KV terug op oud onderzoek (vrijwel alles wat wordt aangehaald dateert van voor 1980). In mijn ogen is de selectie van theorieën en ideeën die hij bespreekt te willekeurig, en ontbreekt daarbij de theoretische diepgang. Ik zal zijn bespreking hier dan ook niet samenvatten.In plaats daarvan zal ik een hoeveelheid basale kennis omtrent intelligentie-onderzoek in eigen woorden weergeven, als achtergrondinformatie bij de rest van het betoog. Ik maak daarbij gebruik van een overzichtswerk van Piet Vroon (intelligentie, 1980, Ambo bv, Baarn; uitgebreide druk 1984). In dit werk worden vrijwel alle auteurs die KV aanhaalt ook besproken. Daarnaast wordt er een uitgebreide en vrij technische uitleg gegeven over de achterliggende statistiek, de wijze waarop testen worden geconstrueerd, en wordt de methodologie van veel achterliggend empirisch onderzoek besproken. Ik kan dit boek iedereen die zich in dit veld wil inlezen zeer aanraden.
      Ik zal de basiselementen van de theorie rond intelligentie uiteenzetten in korte stellingen.
        ALGEMEEN
      1. Intelligentie is een lekenbegrip. In allerlei culturen en tijdperken bestaan er woorden waarmee iemands leervermogen, probleemoplossend vermogen, reken- en/of taalvaardigheid, intermenselijke sluwheid en nog zo wat dingen worden aangeduid. Wat er met dergelijke woorden wordt bedoeld is sterk afhankelijk van de cultuur en van degene die het woord gebruikt om er een waardeoordeel mee te geven. Het is dus geen absolute grootheid, zoals lichaamslengte, ademvolume of spierkracht in de biceps. Het is een waardeoordeel over iemands cognitieve (soms ook motorische) vermogens. Voor meer algemene informatie, zie de engelse wikipedia , en de Nederlandse.
      2. Eind negentiende eeuw merkten sommige wetenschappers (de belangrijke man hierachter heet Francis Galton) op dat allerlei menselijke eigenschappen (lichaamslengte, longvolume etc.) redelijk te beschrijven waren met een zgn. normale verdeling. Dat is grafisch weergegeven een symmetrische klokvormige kromme, ook wel aangeduid met de naam Gausscurve.
        normaalverdeling
        De curve loopt van min-oneindig naar plus-oneindig.
        Te linker en te rechter zijde van het midden ligt op de curve een punt waar de figuur verandert van hol in bol (links) en daarna weer van bol in hol (rechts) Dit noemen we de buigpunten. Sigma is de naam voor de afstand tussen het midden en het buigpunt.
        Een normaalcurve kan heel hoog zijn of juist heel plat. In het eerste geval liggen alle beschreven waarden dicht rond het gemiddelde, in het tweede geval liggen die waarden erg gespreid. Bij een normaalverdeling willen we dus ook altijd weten hoe hoog of hoe plat hij is. Dit drukken we uit met een getal voor de 'spreiding'.
        Sigma is de maat voor de spreiding, en in de standaardnormaalverdeling is sigma precies 1. Bij een hoge, smalle curve is sigma kleiner dan 1, bij een brede platte curve juist groter.
        In de standaardnormaalverdeling ligt het midden van de curve op 0.

        Niet iedere normaal-verdeelde curve heeft zijn gemiddelde op 0 en een sigma van 1. Daarom wordt zo’n curve altijd beschreven met twee getallen: het rekenkundig gemiddelde plus de spreiding.
        Als we willen uitdrukken in hoeverre een individuele waarde afwijkt van het gemiddelde, doen we dat in termen van het aantal keren dat sigma past in de afstand tussen het gemiddelde en die betreffende waarde.
        De oppervlakte onder de gehele curve bedraagt 1. Dat komt overeen met 100% van de populatie.
        Met een normaalcurve kan men iets als lichaamslengte redelijk beschrijven, maar het blijft wel een benadering, omdat de actuele waardes niet van min-oneindig naar plus-oneindig lopen. De beschrijvende waarde wordt gering op een afstand van 3 of 4 sigma. [Zie wikipedia voor meer details]
      3. Vanuit de statistiek gezien treedt een normaalverdeling alleen op, als de waarde die wordt beschreven wordt bepaald door een oneindig groot aantal onafhankelijke factoren, met elk in principe een oneindig kleine bijdrage, waarbij al de bijdragen lineair optelbaar zijn. Dit is eigenlijk nooit het geval.
        Een normaalverdeling is dus altijd een beschrijving bij benadering. Ook andere verdelingen zijn vaak redelijk te benaderen met een normaalverdeling.
      4. Galton en de zijnen kwamen op de gedachte dat de mentale capaciteiten van mensen (intelligentie) ook normaal-verdeeld zou moeten zijn. Er is geen enkele logische of inhoudelijke reden waarom dit zo zou moeten zijn, de gedachte is alleen gebouwd op analogie met bijvoorbeeld spierkracht. Het is dus best mogelijk dat intelligentie (wat het verder ook is) een andere verdeling heeft, bijvoorbeeld een asymmetrische verdeling met een lange staart aan de rechterkant.
        gammaverdeling
        dit is een gammaverderling (ook wel: paretoverdeling)
      5. Galton en de zijnen zochten naar een relatie tussen een lichamelijke maat (zoals spierkracht) en intelligentie, en die vonden ze niet.
        De eerste die het praktisch aanpakte was Alfred Binet, die een toets ontwierp om te bepalen welke kinderen het meest veelbelovend waren voor onderwijs. Van Binet is het idee om ‘intelligentie’ op te delen in leeftijdsintervallen, en de testresultaten van de proefpersoon te vergelijken met die van andere proefpersonen in dezelfde leeftijdsgroep. Vandaar die gemiddelde 100, die het referentiepunt is in iedere IQ-test: 100 betekent dat je volgens de test 100% van de mentale vaardigheden van jouw leeftijdsgroep hebt.
      6. Een IQ test scoort dus per leeftijdscohort, en het gemiddelde van ieder cohort is per definitie 100. Dat is de reden dat het gemiddelde van de curve die de scores van een intelligentietest beschrijft op 100 ligt, en niet op 0. Het tweede getal dat de curve definieert (sigma), is 15 (soms 16) punten. Dit is per definitie: een test wordt altijd zo geconstrueerd dat sigma op 15 (of 16 ligt). Dit gebeurt bij de vertaling van de ruwe testscores (hoeveel vragen goed, hoeveel fout) naar de uitslag, uitgedrukt als IQ-score.
        Wie een IQ van 115 punten heeft, zit [wederom: per definitie] 1 standaardafwijking boven het gemiddelde, wie 85 scoort zit in standaardafwijking onder het gemiddelde.
        Wie 1 standaardafwijking boven het gemiddelde zit, kent zijn plaats in zijn cohort: ongeveer 18 % van je leeftijdsgenoten scoort beter, ongeveer 82 % scoort slechter op deze test.
      7. Een IQ-score zegt dus alleen iets over de plaats binnen het eigen cohort, maar het getal zelf betekent niets.
        Dat komt omdat er slechts sprake is van een ordinale schaal, zonder eenheid en zonder 0-punt.
        Met deze getallen mag je dus niet rekenen: iemand met een IQ van 110 is niet 1,1 keer zo intelligent als iemand met een IQ van 100.
      8. Er is nooit consensus bereikt de vraag of intelligentie bestaat uit één algemene component die tot uiting komt op verschillende gebieden (taalvaardigheid, ruimtelijk denken, rekenvaardigheid etc.) of dat het gaat over een aantal cognitieve vaardigheden die min of meer samenhangen. Noch is er duidelijkheid over wat er wel of niet bij hoort. Muzikaliteit? Het vermogen om emoties van jezelf en van anderen snel en goed te herkennen (ook wel uitgewerkt tot EQ)? Het vermogen om snel fysieke routines eigen te maken? Veel hiervan wordt in elk geval niet onderzocht in een standaard IQ-test.
      9. Spearman (een van de grondleggers van dit vakgebied) introduceerde de factor g (general intelligence), naast een factor s (specific intelligence). Een IQ-test wordt wel gezien als een poging om deze g te meten.
        Een ander bekend onderscheid komt van Cattell: ‘fluid’ en ‘chrystallized’ intelligence.
        Beide lijken een algemeen onderscheid te willen maken tussen het vermogen tot leren enerzijds, en het geleerde anderzijds. Echter: er zijn bijna zoveel definities als er theoretici zijn.
      10. Omdat niet goed is gedefinieerd wat intelligentie is, is het ook moeilijk om het te testen. Iedere IQ-test heeft daarom een validiteitsprobleem: je neemt een test af en er komt een getal uit, maar je weet niet wat de relatie is tussen het getal en datgene wat je wilde meten.
        Het gevolg is dat de verbeeldingskracht van de psycholoog die de test-items bedenkt een grote rol speelt.
        Zo zijn er intelligentietests waarbij de proefpersoon de opdracht krijgt om een mensfiguur te tekenen. Mensen uit verschillende culturen hebben heel verschillende resultaten. Die resultaten veranderen weer, als je de opdracht verandert in: teken een paard-figuur.
        Intelligentietests zijn dus gevoelig voor cultuur, en cultuur is een breed begrip.
        Cultuur verandert ook mee met bijvoorbeeld sociale klasse. Het blijkt bijzonder moeilijk (zeg maar: onmogelijk) om een IQ test te maken die los staat van de cultuur. Ook als je bijvoorbeeld abstracte figuren mentaal laat manipuleren, is dat nog steeds gebonden aan de (school-)cultuur van de proefpersoon.
      11. Niet alleen de fantasie van degene die de testitems maakt is van belang voor de inhoud van de test, maar ook zijn/haar (voor-)oordelen over wat intelligentie wel of niet is. In die zin meet een intelligentietest dus mogelijk eerder welke mentale vaardigheden of beroepsmogelijkheden binnen een maatschappij in hoog aanzien staan, dan de werkelijke mentale vermogens waarover iemand beschikt.
        Een aardig voorbeeld dat Piet Vroon aandraagt:
        een test gericht op kinderen bevat de vraag wat er zou gebeuren als je beide oren afsnijdt.
        Het goede antwoord zou zijn: ‘dan kun je niets meer horen’ (wat op zich niet waar is).
        Een Mexicaans kind antwoordt: ‘dan valt mijn sombrero over mijn hoofd’.
        Dat levert geen punten op.
        Het gevolg is dat intelligentietests waarschijnlijk geen goed middel zijn om mensen te vinden die echt ‘anders denken’ dan de maker van de test. Toch menen we die in sommige gevallen – wetenschappers, kunstenaars, uitvinders – erg intelligent.
      12. Op ieder testitem geeft een proefpersoon een antwoord, maar je weet als psycholoog nooit wat voor denkproces tot dat antwoord heeft geleid. Er is onderzoek gedaan naar een klassiek probleem, ‘de toren van Hanoi’.
        Het bleek dat er minstens vier verschillende oplossingsstrategieën waren. Dit kan leiden naar een interpretatieprobleem: de ene strategie is misschien wel veel slimmer dan de andere.
        Het is daarom moeilijk om testresultaten te interpreteren.
      13. Het bovenstaande samenvattend: we weten niet of intelligentie bestaat (het is een puur conceptuele grootheid), maar zo ja, dan weten we nog niet of het uit één factor bestaat of uit meerdere factoren die wel of niet samenhangen, en welke factoren dat zijn. We weten ook niet hoe die factoren statistisch verdeeld zijn. Een normaalverdeling is een mogelijkheid, maar er is geen a priori reden om deze verdeling te vooronderstellen.
        Vervolgens weten we niet hoe we intelligentie zouden moeten testen. De testitems die de psycholoog verzint zijn een beetje een gok: ze mikken op datgene wat die psycholoog intelligent acht. Dat is uiteraard gebonden aan de cultuur, de normen en waarden en de fantasie van die psycholoog. Het is in sommige gevallen moeilijk antwoorden te beoordelen, omdat niet bekend is hoe een proefpersoon tot zijn antwoord komt.
        Zelfs als de test de algemene intelligentie g (van Spearman) meet, is het niet onwaarschijnlijk dat een dergelijke test ook andere dingen meet, zoals schoolresultaat of bereidwilligheid om mee te werken aan een test.
      14. Om dergelijke redenen is de standaardfrase uit de psychologie: intelligentie is wat de test meet.
        De relatie tussen enerzijds ‘intelligentie’ zoals omschreven in proza, en anderzijds het testresultaat is niet te garanderen, maar we hanteren de testscores alsof we intelligentie (g) hebben gemeten.
      15. Een test wordt gemaakt door items te bedenken van oplopende moeilijkheidsgraad, met een gemiddelde score van 0,5 [op een schaal van 0 tot 1].
        De testtheorie laat zien dat je dan [onder de nodige randvoorwaarden] altijd een normaal-verdeeld resultaat moet krijgen.
        Items die niet bijdragen aan een dergelijk resultaat worden geschrapt. (Zelfs Binet deed dat al)
        Dat intelligentietests aangeven dat intelligentie (binnen het cohort) normaal verdeeld is, zegt dus alleen iets over de vaardigheid van de maker van de IQ-test, en niet iets over IQ als concept. Immers: als er iets anders uitkomt heeft de maker zijn test niet goed geconstrueerd.
      16. EMPIRISCH
      17. Het meetresultaat is gevoelig voor de omstandigheden waaronder de test wordt afgenomen. Een lawaaiige omgeving of andere vormen van afleiding beïnvloeden het testresultaat nadelig. Stress of depressie ook. Anderzijds is er wel sprake van een zekere leerbaarheid: wie een week lang met boekjes ‘hoe maak ik een intelligentietest’ oefent, haalt een beter resultaat. Als dezelfde test twee keer kort achter elkaar wordt afgenomen is er sprake van een leereffect, waardoor men de tweede keer beter scoort.
      18. Als dezelfde (of een vergelijkbare) IQ test wordt afgenomen op verschillende leeftijden, blijft – boven een bepaalde leeftijd – de plaats binnen het cohort min of meer constant. Tests voor jonge kinderen zijn erg onbetrouwbaar.
        leeftijd in maanden correlatie met leeftijd 17-18 jaar
        1 - 3 0.05
        4 - 6 -0.01
        7 - 9 0.20
        10 - 12 0.41
        13 - 15 0.23
        18 - 24 0.55
        27 - 36 0.54
        42 - 54 0.62
        leeftijd in jaren  
        5 - 7 0.86
        8 - 10 0.89
        11 - 13 0.96
        14 - 16 0.96
        Pas als kinderen naar school gaan komt er enige lijn in de onderzoeksresultaten. Het is niet duidelijk of we hier op een omslachtige weg schoolresultaten meten, of dat we een onderliggend begrip als ‘intelligentie’ meten.
      19. Bij volwassenen is er verschil tussen longitudinale studies (1 groep wordt gedurende het hele leven gevolgd) en transversale studies (op 1 moment worden alle leeftijdsgroepen getest)
        Bij de eerste soort blijft de score tot op hoge leeftijd constant, bij de tweede kan er een daling inzetten vanaf het 40ste levensjaar.
        Dat laatste kan ook zijn, omdat de wijze van scholen van de oudere leeftijdscohorten anders is dan die van de jongere generaties.
      20. Door de jaren heen gaan groepen proefpersonen hoger scoren op intelligentietests. Dit scheelt grofweg 1 standaarddeviatie in 50 jaar. Dit heet het Flynn-effect. (Klik ook door naar de de Engelse versie, die is uitgebreider)
        Dit maakt dat de testmakers om de zoveel jaar een aanpassing moeten maken in de vertaling van de ruwe testscores naar de IQ-score.
        Het effect lijkt de laatste decennia minder te worden.
      21. Er zijn verschillende studies gedaan naar de relatie tussen IQ, sociale klasse en inkomen. Hoewel hierover geen consensus is (een specifieke groep aanleg-theoretici gaat ertegenin), lijkt de hoofdlijn dat sociale klasse bepalend is voor zowel IQ als (mede via scholing) voor inkomen. Zie Piet Vroon, p 75 e.v.
      22. Gezinsgrootte en positie in de geboorte-orde hebben meetbare gevolgen voor de IQ-scores: kinderen in grotere gezinnen scoren lager, oudste kinderen scoren iets beter, latere kinderen minder, behalve als het echte nakomertjes betreft. De verschillen zijn significant maar klein (ongeveer 3 punten), waardoor ze binnen de foutenmarge van de test vallen.
        Een theorie die zich hierop richt, is de theorie van Zajonc
      23. GENETISCH
      24. De harde kern van dit soort onderzoek is statistisch van aard, en heet variantieanalyse. Bij variantieanalyse worden twee groepen gemeten, en wordt bepaald of de verschillen tussen die groepen systematisch zijn, danwel dat de verschillen berusten op toeval. Gemeten wordt bijvoorbeeld de intelligentie van een groep kinderen en die van een groep volwassenen, en die twee worden vergeleken. In de standaardprocedure wordt dus niet steeds één kind met één volwassene (bijvoorbeeld: een ouder met zijn kind) vergeleken.
      25. De vorm van variantieanalyse die in dit type onderzoek wordt gebruikt, volgt een lineair additief model voor de variantie (vandaar de V):
        Vf = Vg + Vde + Vsp + Vo+ CVgo + Vi + Ve
        Vf is de variantie zoals die binnen de populatie wordt aangetroffen (het fenotype, vandaar die f). De omvang daarvan is per definitie 152 of 162 (de variantie is de spreiding in het kwadraat).
        Vg is de additieve (optelbare) variantie die genetisch bepaald wordt (genotype, vandaar die g). De rest gaat over bijdragen aan de totale variantie (dus: die 152) op basis van andere factoren.
        Er worden in dit model allerlei invloeden op de totale variantie onderscheiden, tot en met Ve (e staat voor error), de variantie ten gevolge van de testfout. Vsp bijvoorbeeld heeft betrekking op de selectieve partnerkeuze. Vo is voor dit verhaal de belangrijkste. Vo gaat over de omgevingsvariabelen. Dat is de factor waarover we uiteindelijk iets willen zeggen.
      26. De mate waarin intelligentie erfelijk is, wordt uitgedrukt in h2; h2 wordt berekend door de erfelijke factoren (dat is: alle factoren, behalve Vo) te delen door (Vf – Ve). De variantie ten gevolge van omgevingsvariabelen wordt dus zelf niet gemeten, maar geconcludeerd uit de gegevens omtrent andere variabelen. De interpretatie van dit getal is nog niet zo eenvoudig, ook omdat vrijwel alle getallen geschat moeten worden. Die h2 is dus een breuk tussen 0 en 1. Als Vo (de variantie t.g.v. omgevingsvariabelen) erg groot is, wordt h2 klein, als Vo klein is, nadert h2 naar 1.
      27. Erfelijkheid op individueel niveau doet heel specifieke uitspraken over de hoeveelheid van een eigenschap die ouder en kind gemeen moeten hebben. Deze voorspellingen zijn onderzocht onder verschillende omstandigheden: bij tweelingen, en bij adopties.
      28. Tussen tweelingen: er wordt gewerkt aan de vergelijking van eeneiige tweelingen (Monozygoot, MZ) en tweeëiige tweelingen (Dizygoot, DZ). Dit om steeds twee kinderen te onderzoeken die in zoveel mogelijk opzichten gelijk zijn. Het enige verschil moet zitten in de genetische aanleg. DZ heeft genetisch dezelfde verwantschap als twee kinderen van dezelfde ouders, MZ wordt geacht volledig identiek genetisch materiaal te hebben.
        Als MZ-tweelingen die opgroeien onder sterk verschillende omstandigheden uiteindelijk toch een zelfde IQ blijken te hebben, is dit een sterk punt voor een aanlegtheorie. Het omgekeerde geldt ook: als dezelfde genetische aanleg onder verschillende omstandigheden tot een zeer verschillend resultaat leidt, is aanleg blijkbaar van ondergeschikt belang.
      29. De eerste lijn van onderzoek betreft MZ tweelingen die gescheiden opgroeien. Onderzoekstechnische problemen bemoeilijken het trekken van conclusies.
        Er zijn weinig gevallen bekend van MZ-tweelingen die gescheiden opgroeien, waarbij de omgeving ook echt fundamenteel anders is: vaak worden de twee kinderen in vergelijkbare gezinnen geplaatst.
        Het moment van scheiden valt niet altijd direct na de geboorte.
        Het blijkt door dit soort omstandigheden niet goed mogelijk erfelijke variabelen te scheiden van omgevingsvariabelen.
        De steekproefgrootte is in het algemeen klein.
        Bijkomend is achteraf niet altijd is uit te maken of het MZ betreft, of een DZ die is aangezien voor een MZ.
        Voorts zijn er problemen met de leeftijd waarop de vergelijking van de tweelingen plaatsvond: die bleek te variëren van 11 tot 59 jaar oud.
        Dit alles bemoeilijkt het trekken van conclusies.
        Deze lijn van onderzoek laat tot dusver geen harde conclusies toe, maar de resultaten wijzen niet in de richting van een aanleg-theorie.
      30. Ook is er onderzoek gedaan naar het omgekeerde: wat gebeurt er als een DZ wordt aangezien voor een MZ, en dus (ondanks genetische verschillen) vrijwel exact hetzelfde werd opgevoed. Dit sluit aan bij onderzoek naar DZ en MZ die wel gezamenlijk opgroeien.
        Het lijkt erop dat ouders de MZ ook zo gelijk mogelijk behandelen, en DZ juist enigszins verschillend aanpakken. Eeneiige tweelingen worden door hun ouders blijkbaar ook nog eens blootgesteld aan een zo gelijk mogelijke omgeving, waardoor ze nog meer op elkaar gaan lijken.
        Ook dit maakt het vrijwel onmogelijk om genetische variabelen te onderscheiden van omgevingsvariabelen.
        Wederom: geen harde conclusies.
      31. Andere lijn van onderzoek is de overeenkomst in intelligentie tussen ouder en kind.
        Voor de verandering citeer ik de hele alinea van Piet Vroon:
          (…) In het kort komen de bevindingen van McAskie en Clarke op het volgende neer. Empirisch ligt de ouder-kind correlatie tussen een negatief getal en .80, wat toetsing uiteraard niet vereenvoudigt. Verschillen in de sfeer van vader-zoon en moeder-dochter en dergelijke zijn er niet. Aanwijzingen voor de dominantie van het hoogste IQ (vader of moeder) werden evenmin aangetroffen. De correlaties met de kinderen vallen wat lager uit in de (zeldzame) gevallen dat de ouder als kind was getest, en bij zeer intelligente ouders waren er merkwaardigerwijs nauwelijks correlaties met de kinderen. Gemiddeld zijn de correlaties lager dan op grond van het genetisch model verwacht wordt. De correlatie met de gemiddelde ouder is niet .71, maar ligt tussen de .35 en .70. De regressie naar het gemiddelde vanuit de enkelvoudige ouder varieert sterk, maar is gemiddeld (inderdaad) 50 pct., wat heel aardig klopt als we het verschijnsel zuiver statistisch interpreteren (…). De gemiddelde ouder mag geen regressie laten zien; deze is echter gemiddeld 39 pct. De conclusie van de auteurs ligt voor de hand: met betrekking tot de samenhang van ouders en kinderen klopt het aanlegmodel niet.
      32. Iets soortgelijks kan worden gezegd over onderzoek naar adopties, waarbij de intelligentie van de kinderen wordt vergeleken met die van de adoptieouders en met die van de biologische moeder.
        Ook hier treffen we een mijnenveld van methodologische moeilijkheden, en een schot hagel van testresultaten.
        De enige conclusie is weer, dat er geen duidelijke bevestiging voor het aanleg-model in kan worden gezien.
      33. Het hele veld overziend, is er geen reden om te denken dat intelligentie een belangrijke erfelijke component heeft. De theorie dat intelligentie erfelijk is doet in principe heel duidelijke voorspellingen over de samenhang tussen ouders en kinderen, tussen MZ-tweelingen en DZ-tweelingen.
        Voor zover er al een verband is in de voorspelde richting, is de verband niet in de orde van grootte van de voorspelling.
        Kortom: we hebben er gericht naar gezocht, en we hebben het niet gevonden.
      34. Moet bij worden opgemerkt dat voor genetici de vraag naar opvoeding/aanleg een non-vraag is: de twee variabelen kunnen in praktijk nooit volledig worden gescheiden, dus de vraag is in wetenschappelijke zin niet te beantwoorden.
        Voor een bioloog wordt alles wat niet strikt genetisch bepaald is gerekend tot de omgeving.
        Dat omvat bijvoorbeeld ook de invloeden tijdens de zwangerschap (alcohol- nicotine- medicijngebruik van de aanstaande moeder).
        Omgeving is dus een bijzonder ruim begrip, en geen enkele genetische eigenschap bestaat op een relevante manier buiten een omgeving.
        Bovendien is het onderscheid aanleg/omgeving lang niet altijd duidelijk, omdat de interactie tussen die twee bepalend is voor het eindresultaat.
        Vroon geeft een voorbeeld van een ziekte die zich uit bij een gewoon dieet, maar niet bij een aangepast dieet.
        Wellicht is dus het onderscheid aanleg/omgeving bij iets complex’ als intelligentie gewoon niet zinvol.
      35. Tweede opmerking: het onderzoek zoals gedaan richt zich in principe op een vrij simpel model van intelligentie, nl dat er een groot aantal genen is die allemaal een kleine bijdrage leveren aan ‘intelligentie’, waarbij die bijdragen lineair optelbaar zijn, dat wil zeggen dat ze geen onderlinge interactie hebben.
        Dat laatste is natuurlijk maar de vraag.
        Het kan zo zijn dat bepaalde combinaties van genen een andere bijdrage aan intelligentie leveren dan hun individueel opgetelde waarden.
        Ook dit is echter allemaal nauwelijks te onderzoeken, mede omdat we eigenlijk niet weten wat we precies meten, en wat we precies willen meten.
        Met betrekking tot intelligentie hebben we in elk geval nog geen enkel individueel gen ontdekt dat een optelbare bijdrage levert.

Bert's werk