Bert's brein

geplaatst: 5 -9-2018;

reageer

boekomslag
Het boek "Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal" van Kees Vuyk heeft de Socratesprijs voor het beste filosofieboek van 2018 gewonnen. Is dat terecht? Een boekbespreking.

Deconstructie Kees Vuyk "Oude en nieuwe ongelijkheid"


  1. inleiding

    Een Fb-vriend van mij, (R.J. Gr) kwam met een sterke aanbeveling om "Oude en nieuwe ongelijkheid, over het failliet van het verheffingsideaal" van Kees Vuyk te lezen. Het boek had de Socratesbeker 2018 gewonnen, de prijs voor het beste filosofieboek van 2018. Wat hem betrof, was het het beste boek dat hij deze zomer had gelezen. Hij deelde een kort filmpje waarin Kees Vuyk werd geïnterviewd, en daar werd ik al heel ongemakkelijk van. Ik herkende ideeën waarvan ik dacht dat we die achter ons gelaten hadden. R.J. Gr. verzekerde me dat het boek veel genuanceerder was, dat ik een verkeerde indruk had gekregen. Dus toch maar het boek gekocht en gelezen. Het viel niet mee. Mijn kritiek snijdt echter veel verder dan ik in een fb-conversatie kwijt kan. Dus bij deze, speciaal voor R.J. Gr.

  2. Hoofdlijn van het betoog

    ‘Oude ongelijkheid’ was: een relatief kleine elite had toegang tot scholing en daarmee tot de invloedrijke maatschappelijke posities (in overheid en bedrijfsleven).

    De rest van de bevolking had een mix van intelligente en minder intelligente mensen. De intelligenten daarvan hadden geen (of minder) toegang tot hoger onderwijs, waardoor ze ook niet op die invloedrijke posities terecht kwamen.

    Na een lange aanloop (vanaf de 19de eeuw) komt in de naoorlogse periode een verandering tot stand: iedereen met voldoende intelligentie wordt in de gelegenheid gesteld om hoger onderwijs te volgen. Er waren verschillende redenen om dit te doen. Ter linker zijde van het politieke spectrum gebeurde dit in het kader van de ‘verheffing van het volk’; te rechter zijde zag men in een hoog opgeleide bevolking de mogelijkheid om de economie te laten groeien.

    Hoger onderwijs is weggelegd voor de mensen met een IQ van 110 of hoger (110 is de ondergrens om met redelijke zekerheid de HAVO te kunnen voltooien; 115 voor atheneum/gymnasium). Dit betreft te samen ongeveer 30 % van de bevolking. Zij worden de hoogopgeleiden genoemd. 40 % van de bevolking hoort tot de middenmoot (IQ: 90 – 110). 30 % tot de onderkant (IQ < 90. Voor deze mensen is ook een MBO diploma doorgaans niet haalbaar. Zij worden in het betoog de laagopgeleiden genoemd.

    Het gevolg van de genoemde verandering (hoger onderwijs voor iedereen met een toereikend IQ) is dat we nu zouden leven in een ‘meritocratie’: mensen verrichten arbeid die in overeenstemming is met hun ‘merites’ die [voornamelijk, maar niet alleen] worden gemeten aan hun behaalde schoolresultaten. Vuyk concentreert zich daarbij op de hoogopgeleiden. Gedurende hun schoolcarrière (en daarna) maken zij zich los van het milieu van herkomst, concentreren zich in de grote steden of de bijbehorende slaapsteden. Na hun studie gaan ze [voor zover van toepassing] niet meer terug naar ‘de provincie’, omdat daar voor hen niet voldoende werk zou zijn. Deze groep zoekt zijn levenspartners in eigen kring, d.w.z. onder de andere hoogopgeleiden.

    Bijkomend gevolg is, dat de laagopgeleiden zijn ‘achtergebleven’. [Hij bedoelt dit letterlijk: achtergebleven in de provincie]. In hun directe omgeving beschikken ze niet meer over mensen met hoge intelligentie maar lage opleiding, die hen in voorkomende gevallen bij kan staan. Ook zij zoeken (noodgedwongen) hun levenspartner in eigen kring.

    De ‘nieuwe ongelijkheid’ ziet KV als de ongelijkheid tussen hoog- en laagopgeleiden. Tussen de twee groepen bestaan grote en systematische verschillen, bijvoorbeeld in inkomen, in culturele smaak, gezondheid en levensverwachting, mediagebruik, politieke betrokkenheid en politieke voorkeur. De achterliggende oorzaak van al deze verschillen tussen hoog- een laagopgeleiden is volgens KV het verschil in intelligentie. De scheiding van de hoogopgeleiden van de laagopgeleiden is het gevolg van de verheffingsideaal, dat leidde tot hoger onderwijs voor iedereen met voldoende capaciteiten. Vandaar dat de ondertitel luidt: 'over het failliet van het verheffingsideaal'.

    Omdat de leden van deze twee groepen leven in gescheiden gemeenschappen, en hun partners kiezen uit de eigen groep, en omdat KV intelligentie voor een belangrijk deel erfelijk acht, verwacht hij dat de laagopgeleiden (= de mensen met een lage intelligentie) ook weer een volgende generatie laag-intelligenten zal voortbrengen.

    Daarbij schrijft hij de laag-intelligenten verschillende eigenschappen toe, zoals het onvermogen om om te gaan met een steeds complexer wordende maatschappij, een slecht begrip van politiek, politieke besluitvorming en bijbehorende discussie. Dit leidt tot onvrede. Die onvrede, gecombineerd met de natuurlijke behoefte van onintelligente mensen aan leiderschap, leidt naar een onevenredig grote aanhang van laaggeschoolden voor populisten. In die zin is dus ook de opkomst van het populisme een indirect gevolg van de verheffingspolitiek. Ook ziet KV bij laag-intelligenten beperkte vermogens om om te gaan met eigen gezondheid en gezondheidszorg, wat leidt naar de – empirisch vastgestelde – lagere levensverwachting.

    Anders dan voorheen, ziet KV geen rol voor onderwijs en voorlichting: deze mensen zijn gegeven hun lage intelligentie niet in staat om daarvan te profiteren. In plaats daarvan pleit hij voor begeleiding en begrip.

  3. Analyse van de hoofdlijn van het betoog

    Tegen de achtergrond van deze hoofdlijn zal ik een aantal hoofdstukken uit het boek bespreken. Om het boek te kunnen beoordelen is enige kennis vereist van het onderzoek naar intelligentie, en dan met name over het aanleg/omgeving (nature/nurture) - debat, zoals dat gevoerd is tussen 1970 en 1995. Om het verhaal niet al te veel te onderbreken heb ik deze extra informatie op een losse pagina geplaatst. In de lopende tekst zal ik me zoveel mogelijk tot de kern en de uitkomsten beperken.
    Veel van de achtergrondinformatie is afkomstig uit het boek 'intelligentie' van Piet Vroon, (Ambo, Baarn, 1980; herziene druk 1984)
    1. Inleiding.
      Er wordt in de inleiding vooruitgelopen op allerlei zaken die later aan bod komen. Ik zal daarom de inleiding niet tot in detail behandelen.
      Van belang zijn voor het verdere betoog:
      Het begrip ‘hoogopgeleid’ wordt gedefinieerd als personen die een diploma op hbo-niveau of hoger hebben behaald. Dit betreft iets meer dan 30% van de beroepsbevolking [p 17]. Laagopgeleiden worden niet expliciet gedefinieerd. Het dichtst daarbij komt de volgende passage: [p 10]
        (…) Mensen met een diploma hoger onderwijs biedt de nieuwe wereld volop kansen; de mensen die zelfs geen opleiding op middelbaar niveau hebben afgerond kunnen daarin geen kant op. De eersten zijn optimistisch en internationalistisch. De laatsten pessimistisch en nationalistisch. De groepen met een middelbare opleiding – nog altijd het grootste deel van de bevolking (zie figuur 1) – zwalken tussen beide extremen in. (…)
      In figuur 1 (zonder nadere bronvermelding) is te zien dat het CBS in de periode van 2004 t/m 2014 een steeds verder dalend percentage van de bevolking laagopgeleid noemt. Dit loopt van 37% naar 30% (afgelezen uit de grafiek) In 2014 .
      [noot: merk op dat het woordje ‘zelfs’ een waardeoordeel inhoudt: de feitelijke inhoud van de zin verandert niet als het woord wordt weggelaten]
      [noot: Onder personen met een laag opleidingsniveau verstaat het CBS mensen die ten hoogste het basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo of de assistentenopleiding (mbo-1) hebben voltooid. Het middelbaar onderwijs omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo-2), de vakopleiding (mbo-3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo-4). Het hbo en het wetenschappelijk onderwijs worden door het cbs gerekend tot het hoog onderwijs.]
      Op p 16 - 17 wordt expliciet het verband gelegd tussen opleidingsniveau en intelligentie: ongeveer 30% van de bevolking heeft een IQ van 110 of meer; een IQ van 110 of meer wordt de ondergrens geacht (zonder bronvermelding) om succesvol havo en hbo te kunnen volgen. Ergo: de 30% hoogopgeleiden valt min of meer samen met de 30% meest intelligente mensen.
      Op deze redenering is nogal wat af te dingen, maar daarmee wacht ik tot in latere hoofdstukken het begrip ‘intelligentie’ meer in detail wordt besproken.
      Wat in elk geval opvalt is dat die 30% hoogopgeleiden nog een vrij heterogene groep vormen. Mensen met een pabo-diploma uit 1990 worden samengepakt met mensen die gepromoveerd zijn in de theoretische natuurkunde. Zelfs binnen universitaire studies bestaat er nog een wereld van verschil in de mentale capaciteiten die vereist zijn om een studie met succes te kunnen voltooien.

      Bij gebrek aan bronnen wordt het niet duidelijk waarom KV denkt dat ongeveer 30% van de bevolking een IQ heeft van 110 of hoger, en dat dit een soort grenswaarde is om de havo en het hbo te kunnen voltooien. Ik heb de tabellen erbij gepakt, en de feitelijke waarden liggen als volgt:
      25 % van de bevolking heeft een IQ van 110 of hoger;
      30 % van de bevolking heeft een IQ van 108 of hoger;
      35 % van de bevolking heeft een IQ van 106 of hoger;
      Volgens het CBS is ongeveer 35 % van de bevolking hoogopgeleid, d.w.z. dat - de redenering van KV volgend - een IQ van 106 vereist is om hoogopgeleid te worden.
      Daarbij moet nog bedacht worden dat de testfout ongeveer + of - 5 punten bedraagt. Zie hiervoor deze publicatie. Uit deze marge blijkt al, dat een IQ-score van een individu op zich nog niet zo heel veel zegt over de groep waarin hij terecht komt. Meer hierover bij de bespreking van het begrip 'intelligentie'.

    2. hoofdstuk 1: Ongelijkheid

      In dit hoofdstuk wordt uiteengezet dat er grote en structurele verschillen zijn tussen de groep hoogopgeleiden en de groep laagopgeleiden. Dit betreft het inkomen, de arbeidsparticipatie, de (gezonde) levensverwachting, opwaartse sociale mobiliteit, de mate waarin en de wijze waarop deelgenomen wordt aan kunst en cultuur, mediagebruik, politieke voorkeuren en politieke participatie.
      KIV onderbouwt dit verschil met wetenschappelijk onderzoek en met statistieken van het CBS. Wat bij dat laatste opvalt is, dat er vooral veel wordt weggelaten. Zelfs tot het niveau dat de afgedrukte grafieken niet of nauwelijks te interpreteren zijn. Worden de originele stukken erbij gehaald, dan blijken de verschillen nog steeds te bestaan, maar ze zijn iets minder groot dan KV ze voorstelt. In de pagina met achtergrondinformatie worden de originele cijfers besproken.

      Een paar dingen springen eruit: de groep hoogopgeleiden is vaak wat groter dan de 30 % die in de inleiding werd gesteld (meestal rond de 35 %), de groep laagopleiden is juist wat kleiner (zo rond de 23 %).

      Enigszins storend is dat KV een vrij elitaire opvatting over kunst lijkt te hebben: klassieke muziek hoort erbij, musical niet. Dit gaat zelfs zover dat hij stelt dat laagopgeleiden niet in staat zijn om van 'kunst' te genieten.

      KV gebruikt als belangrijkste parameter 'hoogopgeleid' versus 'laagopgeleid', en lijkt daarbij aan te sluiten bij het onderscheid dat het CBS maakt. Het kan geen kwaad om op te merken dat het CBS eigenlijk Sociaal Economische Status (ses) wil onderzoeken, maar dat het opleidingsniveau een makkelijk meetbaar gegeven is, dat - in grote lijnen - de ses weergeeft.

    3. hoofdstuk 2: de betekenis van opleiding

      In dit hoofdstuk probeert KV een verklaring te vinden waarom opleiding tegenwoordig zo’n grote invloed heeft op het leven van mensen [p 53]. Later omschrijft hij het anders, nl. [p 54] ‘de invloed die opleiding heeft op gedragingen’.
      Hij onderscheidt 3 soorten verklaringen.
      1. de verschillen komen voort uit de opleiding zelf
      2. opleiding is het zichtbare deel van een groter verband
      3. er is sprake van een onderliggende factor, te weten ‘intelligentie’
      De eerste verklaring is niet in staat om alle verschillen uit het eerste hoofdstuk te plaatsen, zeker omdat die verschillen in opleidingsniveau tot in de vroeg 70-er jaren niet zo merkbaar doorwerkten in bijvoorbeeld politieke participatie.

      De tweede verklaring (die in eigenlijk terugggaat op het begrip sociaal economische klasse) ziet KV als een diepere verklaring dan de eerste, maar ook deze is niet afdoende omdat het de achterliggende vraag niet beantwoordt: hoe komt het dan precies dat ses op deze manier doorwerkt in bijvoorbeeld politieke voorkeur of in levensverwachting?

      De derde verklaring is de centrale these van dit boek: er is een gemeenschappelijke factor 'intelligentie' die enerzijds verklaart waarom men een hoger of lager opleidingsniveau bereikt, en anderzijds de verschijnselen die in het voorgaande hoofdstuk zijn besproken. In een later hoofdstuk (p 84) schetst hij hoe een lagere intelligentie door zou kunnen werken op de wijze waarop iemand met zijn eigen gezondheid omgaat. Een meer gedetailleerde bespreking van dit hoofdstuk is te vinden op de pagina met achtergrondinformatie.

    4. Deel 2: intelligenties (hoofdstuk 3 t/m 7)

      Bij zijn bespreking van het begrip intelligentie maakt KV voornamelijk gebruik van een werk van Resing en Drenth; alle verwijzingen naar de vakliteratuur vinden plaats via dit werk. Daarbij valt KV terug op oud onderzoek (vrijwel alles wat wordt aangehaald dateert van voor 1980). In mijn ogen is de selectie van theorieën en ideeën die hij bespreekt te willekeurig, en ontbreekt daarbij de theoretische diepgang. Ik zal zijn bespreking hier dan ook niet samenvatten.In plaats daarvan zal ik een hoeveelheid basale kennis omtrent intelligentie-onderzoek in eigen woorden weergeven, als achtergrondinformatie bij de rest van het betoog. Ik maak daarbij gebruik van een overzichtswerk van Piet Vroon (intelligentie, 1980, Ambo bv, Baarn; uitgebreide druk 1985). In dit werk worden vrijwel alle auteurs die KV aanhaalt ook besproken. Daarnaast wordt er een uitgebreide en vrij technische uitleg gegeven over de achterliggende statistiek, de wijze waarop testen worden geconstrueerd, en wordt de methodologie van veel achterliggend empirisch onderzoek besproken. Een samenvatting van de kernpunten van Piet Vroon staat op de pagina met achtergrondinformatie De punten die essentieel zijn om het betoog van KV te beoordelen geef ik hieronder weer, wetend dat ik geen recht doe aan het onderliggende onderzoek.

      1. We hebben een begrip, 'intelligentie' waarvan niemand precies weet wat het betekent. Iedere onderzoeker heeft zijn eigen omschrijving. Het oordeel over wat 'slim' of 'intelligent' is, en wat dat wel of niet bij hoort lijkt van cultuur tot cultuur, van plaats tot plaats en van tijdprerk tot tijdperk te verschillen. Er is geen consensus of het één factor betreft, of misschien meerdere min of meer samenhangende factoren. Kortom: intelligentie is een concept of een construct waarmee we waardeoordelen formuleren. Wat de feitelijke status ervan is, is niet duidelijk.
      2. We hebben daarnaast 'intelligentietesten'. Hoe deze testen zich verhouden tot het concept is niet duidelijk. Als er al iets bestaat als 'intelligentie', en dat iets wordt met de test gemeten, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zo'n test ook - en dwars daardoorheen - andere dingen meet, zoals geheugen, motivatie, het opleidingsniveau van de ouders, sociaal economische klasse, gezondheid, de mate waarin schoolse leerstof is begrepen en onthouden.
      3. Vanwege deze onduidelijkheid gebruiken testpsychologen de frase: 'intelligentie is wat de test meet'. Daarmee bedoelen ze dat ze niet weten wat ze precies meten, maar dat dat op zich ook niet erg is. De meting dient een doel, en doorgaans is dat doel om te voorspellen of een kind in staat zal zijn een bepaald niveau van onderwijs af te ronden. Al het andere gebruik van de intelligentietest is daarvan afgeleid, omdat iemands plaats [binnen zijn leeftijdscohort] gedurende zijn leven min of meer gelijk blijft. Als binnen een gegeven cultuur 'gehoorzaamheid' de garantie biedt dat je je diploma haalt, en de test meet ook 'gehoorzaamheid', dan doet de test een goede voorspelling. Je zou ook kunnen zeggen dat in die cultuur 'gehoorzaamheid' min of meer samenvalt met 'intelligentie'.
      4. Een IQ-score komt tot stand door de 'ruwe score' door middel van een tabel om te zetten in een IQ-score. Dat gebeurt op zo'n manier dat de IQ scores van een grote groep mensen in hetzelfde leeftijdscohort (bijvoorbeeld 8-jarigen) een specifieke wiskundige verdeling hebben, de zogenaamde 'normaalverdeling'. Die normaalverdeling is dus niet een eigenschap van de scores zelf, maar een eigenschap van de manier waarop een test wordt gemaakt. Dat intelligentie binnen een leeftijdscohort goed wordt benaderd met een normaalverdeling wordt voorondersteld naar aanleiding van de analogie met bijvoorbeeld spierkracht of lichaamslengte. Er is geen enkele inhoudelijke reden waarom intelligentie normaalverdeeld zou moeten zijn.
      5. Het uiteindelijke getal van de IQ-score zegt niet zoveel, omdat het alleen aangeeft hoe goed of slecht het individu heeft gescoord ten opzichte van zijn leeftijdsgenoten. Dit is af te lezen uit een tabel. Iemand met een IQ van 115 weet dat 84,13 % van zijn leeftijdsgenoten de test slechter heeft gemaakt. Het getal waarmee IQ wordt uitgedrukt staat op een zgn. ordinale schaal: het verschil in intelligentie tussen iemand met score 96 en iemand met score 95, is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde verschil als tussen iemand met 106 en iemand met 105. Er is op deze schaal geen eenheid en geen nulpunt gedefinieerd. We weten alleen wie beter scoort en wie slechter scoort - meer niet.
      6. Door de jaren heen is men dezelfde test steeds beter gaan maken. Dit is het Flynn-effect. Dat effect is groot: het scheelt 15 punten in 50 jaar. Om het gemiddelde IQ toch op 100 te houden, wordt de manier waarop de ruwe scores worden vertaald in een IQ-score eens in de paar jaar aangepast.


      Met deze gegevens in het achterhoofd, lijkt het erop dat KV de materie niet voldoende heeft bestudeerd, of niet goed genoeg begrijpt.

      Ik geef drie voorbeelden:
      Op pagina 16 schrijft KV:
        Uit onderzoek blijkt dat door de tijd heen de relatieve omvang van de groepen met een IQ boven de 115 of tussen de 110 en 115 in de bevolking behoorlijk constant is. Hetzelfde geldt voor de andere intelligentieniveau's.
      Commentaar: zoals boven beschreven is dit de manier waarop een IQ-test wordt geconstrueerd. Het blijkt ook niet uit onderzoek, het is het gevolg van het feit dat het gemiddelde op 100 is gedefinieerd, in combinatie met een vooronderstelde normaalverdeling.
      Gegeven het Flynn-effect zegt dit helemaal niets over de verdeling van intelligentie, maar alles over de vaardigheid van degene die de test maakt. Als er iets anders uit zou komen, heeft de constructeur van de test gefaald.

      Op pagina 83 schrijft KV:
        Het feit dat intelligentiescores het patroon van de normaalverdeling volgen is een sterk argument voor de theorie dat intelligentie in elk geval deels is aangeboren.
      Commentaar: dat is het niet. Het bewijst alleen dat de maker van de test erin geslaagd is om zijn scoringsprotocol in een normaalcurve te proppen. En het is slechts voorondersteld dat 'intelligentie' normaalverdeeld is.
      Ook de relatie tussen normaalcurve en aangeboren eigenschap is niet evident: niet alles wat is aangeboren volgt deze curve, niet alles wat deze curve volgt is aangeboren.
      Later in dit stuk zal ik uitgebreid in gaan op de redenen om wel of niet te denken dat ‘intelligentie’ erfelijk is, op welke wijze, in welke mate. Maar zoals het hier staat is het echt onzin.

      Erger is de derde fout, de fout die de grondslag van zijn hoofdbetoog vormt: op p 16 – 17 stelt KV dat de intelligentie van de bevolking normaal verdeeld is. Hij verbindt dit met de samenstelling van de bevolking, geordend naar opleidingsniveau. Die zou ook iets vertonen als een ‘normale verdeling’: ongeveer 30% van de bevolking is hoogopgeleid, ongeveer 30% van de bevolking heeft een IQ van 110 of hoger, en voilá: de meritocratie zorgt ervoor dat iedereen de opleiding krijgt die past bij zijn aangeboren vermogens.
      Er zijn natuurlijk genoeg nuances en kanttekeningen: het systeem is niet perfect, dus sommigen met een hoog IQ worden toch niet hoog opgeleid, en er zit nog veel ‘onbenut potentieel’ bij kinderen van migranten. Soms kan iemand met veel motivatie en hard werken een opleiding voltooien die eigenlijk boven zijn niveau ligt. Anderzijds kunnen erg intelligente types zoveel moeite met het systeem hebben dat ze toch geen opleiding voltooien.
      Maar dat zijn allemaal nuances: de hoofdlijn is dat er een sterke statistische relatie bestaat tussen de intelligentie van het individu en zijn/haar opleidingsniveau. Zo stelt KV het in elk geval voor.

      Deze redenering bevat 3 fouten: 1) de normaalverdeling van intelligentie over de hele bevolking, 2) de bij benadering normale verdeling van opleidingsniveau over de bevolking, en 3) de samenhang tussen die twee.

      Ad 1: Dat per cohort de intelligentie, zoals gedefinieerd door de IQ-test, normaal verdeeld is, houdt nog niet in dat voor de hele bevolking de intelligentie normaal verdeeld is. Dit vooronderstelt dat de gemiddelde ruwe testscore en de gemiddelde spreiding in de ruwe testresultaten gelijk blijven over de cohorten. Dat is niet het geval, gegeven het Flynn-effect. De waardering van de ruwe testscores moet voortdurend worden bijgesteld om het gemiddelde per cohort op 100 te houden. De gemiddelden van de verschillende cohorten zijn dus, uitgedrukt in ruwe testscores niet gelijk. Als je twee normaalcurves met ongelijk gemiddelde optelt komt er geen normaalcurve uit.
      Ergo: intelligentie is binnen de bevolking niet normaal verdeeld. Deel 1 van de vergelijking klopt dus al niet, of niet noodzakelijkerwijs. Deze valt in elk geval niet af te leiden uit de normaalverdeling per cohort. [Technisch beter: de uitspraak is betekenisloos: IQ zegt alleen iets over de plaats van het individu binnen zijn leeftijdscohort, en doet geen uitspraak over alle cohorten tezamen]

      Ad 2: KV vertelt dat vroeger veel mensen die qua IQ daartoe wel in staat zouden zijn, toch niet hoogopgeleid werden, als gevolg van de toenmalige sociale structuren. Dat verklaart waarom opleidingsniveau destijds geen normaalverdeling kende. Bij een meritocratie echter, wordt ervoor gezorgd dat ieder individu (idealiter) de opleiding ontvangt die past bij zijn intelligentie. Dit leidt zelfs tot een voorspelling: [p 154]
        (…) Op basis van onze kennis over intelligentie kunnen we voorspellen dat een meritocratie altijd een bovenklasse zal kennen van maximaal een derde van de bevolking, de groep die een diploma onderwijs heeft behaald of zal halen. Daarnaast staat een groep van rond de 65% waarvan de grote meerderheid een vorm van secundair onderwijs heeft afgerond of zal afronden en daarmee geschikt is voor middenkaderfuncties, terwijl een kleine minderheid daarvan – de minder dan gemiddeld intelligenten (…) in onderwijs en arbeidsmarkt altijd een probleemgeval zal zijn.
      Uit de lopende tekst blijkt dat KV met ‘meer dan gemiddeld intelligent’ doelt op een IQ-score van 110; het is dus redelijk om te veronderstellen dat hij met ‘minder dan gemiddeld intelligent’ doelt op een IQ-score van 90 of minder. Om deze verdeling van onderwijsniveaus te onderbouwen, wijst KV naar een grafiek van het CBS, zonder directe bronvermelding. [p 11]
      Ik heb versere data van de WRR Hierin ook cijfers van het CBS: Deze cijfers sluiten aan bij wat een intelligentietest meet, omdat de opleidingsniveaus worden weergegeven per leeftijdscohort:

      WRR
      Binnen de verschillende cohorten is de verdeling zeer ongelijk.
      De oudere generatie kent weliswaar weinig hoogopgeleiden (zo’n 15%; dit getal kan geflatteerd zijn omdat hoogopgeleiden langer leven), en het percentage hoogopgeleiden loopt op per cohort, maar het stopt niet bij 35%: bij generatie 25 – 35 loopt het op tot 45%.
      Er zijn nu zelfs meer hoogopgeleiden dan middenkader.
      De groep laagopgeleiden slinkt naar 15%. De symmetrie is dus ver te zoeken.
      De voorspelling van KV is niet uitgekomen.
        Noot: Eigenlijk probeert VK het hoogst bereikte opleidingsniveau te interpreteren als een IQ-test achteraf: als je hbo of hoger hebt gehaald, moet je wel een IQ van 110 gehad hebben. Dit valt echter met geen mogelijkheid te rijmen met de cijfers. Het is natuurlijk ook de omgekeerde wereld: de IQ-test is destijds ontworpen om schoolsucces te voorspellen. KV ziet IQ als (bijna) volledig genetisch bepaald (zie onder). Je zou het bovenstaande kunnen opvatten als een weerlegging hiervan, een argument voor de omgevingsvariabele 'scholing', die maakt dat het IQ stijgt naar 110. Deze kant wil hij duidelijk niet op.
      Als ik lees dat in het cohort 25 – 35 jaar ongeveer 45% hoogopgeleid is, ga ik vermoeden dat een IQ van 100 (misschien zelfs wel minder) vereist is om hoogopgeleid te worden, en dat er daarna nog een paar procent uitvalt om redenen die niets met IQ te maken hebben. Hoe groter die uitval, hoe lager het vereiste IQ. Dit is vrij dodelijk voor het idee dat later aan de orde komt, namelijk er ten gevolge van opleiding een genetische scheiding binnen de bevolking heeft plaatsgevonden tussen hoog- en laagintelligenten. Om een dergelijke scheiding te bewerkstelligen moet je streng selecteren op de uiterste waarden. Dat lijkt opleidingsniveau niet te doen.
      KV gaat bij de verdeling naar opleidingsniveau uit van 1 meetmoment voor de hele bevolking (nl: nu). Als we vooronderstellen dat alle cohorten (ongeveer) evenveel mensen bevatten, en we tellen het totaal op, dan komt er misschien soms iets uit wat lijkt op een normaalverdeling, maar dit effect zal slechts tijdelijk zijn.
      Binnen de cohorten bestaat de relatie tussen intelligentie en opleidingsniveau niet, en die wordt ook niet mettertijd beter benaderd. Naarmate de tijd verstrijkt krijgen we verhoudingsgewijs steeds meer mensen die hoogopgeleid zijn.
      Als de trend van de grafiek doorzet zal dat over twintig jaar zo’n 45% zijn. Dit is in strijd met de boven geciteerde concrete voorspelling van KV.
      Kortom: de tweede helft van de vergelijking klopt ook niet.

      Ad 3: Het gelijkstellen van deze twee curves vooronderstelt dat een IQ van 110 of meer een noodzakelijke voorwaarde is om hoogopgeleid te worden, en dat een dergelijk IQ in een meritocratie ook een voldoende voorwaarde om de eindstreep te halen.
      Dat eerste kan, gegeven bovenstaande grafiek niet waar zijn: er moeten mensen zijn met een lager IQ die toch hun diploma’s halen, want beduidend meer dan 25% van de jongere generaties haalt zo’n diploma.
      Het tweede wordt op geen enkele manier onderbouwd of zelfs maar aannemelijk gemaakt. Het lijkt me op voorhand ook niet erg waarschijnlijk. Om je diploma te halen moet je naast intelligentie misschien ook beschikken over aanpassingsbereidheid/vermogen, of geld (studeren is niet gratis, en met meer geld kun je er langer over doen om toch je diploma te halen, of hoef je naast je studie geen betaalde arbeid te verrichten), of een bepaald milieu (een omgeving die inhoudelijk helpt of moreel ondersteunt) en nog zo wat dingen. Dat er naast intelligentie dus geen andere voorwaarden zijn, lijkt niet zo waarschijnlijk.

      Zomaar even een citaatje uit het boven reeds aangehaalde rapport van de WRR:
        De Onderwijsinspectie maakt zich zorgen over de groeiende ongelijkheid tussen leerlingen. Kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen vaak een hoger advies voor de middelbare school dan kinderen van laagopgeleide ouders ondanks gelijkwaardige Cito-eindtoetsresultaten.
      Dit staat haaks op de gedachte van een meritocratie, waarbij het IQ van het kind een noodzakelijke en voldoende voorwaarde is voor het soort vervolgonderwijs na de lagere school. Het sluit wel aan bij empirisch onderzoek, waaruit bleek dat de perceptie van de docent over de intelligentie (zoals gemanipuleerd door de onderzoeker) een effect had op de bejegening en de klas, wat leidde tot een selffulfilling prophecy: als de docent denkt dat zijn leerling slim is, behandelt hij die leerling als slim, en daar wordt het kind ook weer slimmer van. Precies dit is de reden dat de CITO-toets is ingevoerd: om naast de subjectieve perceptie van de docent ook te beschikken over een objectieve maat.
      Overigens kan verschijnsel dat de Onderwijsinspectie signaleert er ook mee te maken hebben, dat hoogopgeleide ouders – bij gelijkwaardige CITO-score – er beter in slagen om docent te bewegen tot het geven van een hoger advies. Er kunnen dus allerlei factoren meespelen. Maar al deze factoren ondermijnen het idee dat voldoende intelligentie op zich een voldoende voorwaarde is om door te dringen tot het hoger onderwijs. Andere dingen kunnen ook gewicht in de schaal leggen.

      Maar stel dat… stel dat er – om wat voor reden dan ook – een relatie bestaat tussen intelligentie en opleidingsniveau. De argumentatie van KV overtuigt weliswaar niet, maar het is denkbaar dat er toch een ondergrens zit aan de intelligentie die vereist is om hoogopgeleid te worden, en dat die zou kunnen doorwerken op zo’n manier dat er een (zwakke) relatie is tussen de twee grootheden.
      Dus laten we, for the sake of argument, aannemen dat die relatie bestaat.
      En laten we, wederom fort he sake of argument, accepteren dat intelligentie doorslaggevend is voor het hoogst behaalde diploma, en bijvoorbeeld niet sociaal economisch klasse.
      Dringt zich de vraag op, of er een erfelijke component aan intelligentie zit.
      Met andere woorden: in hoeverre is intelligentie eigenlijk erfelijk. Ik geef op de pagina met achtergrondinformatie wederom een samenvatting van de hoofdpunten van Piet Vroon. Hieronder slechts de hoofdlijnen:
      1. De theorie dat intelligentie (in belangrijke mate) erfelijk is, doet hele concrete voorspellingen over de intelligentie van verwanten: tussen ouders en kinderen, kinderen onderling, een- en tweeëige tweelingen die al dan niet samen worden opgevoed, ouders en adoptiekinderen. Al deze groepen zijn onderzocht. De voorspellingen komen niet uit. Er is af en toe een lichte tendens in deze richting (soms ook niet), maar deze theorie wordt binnen de psychologische gemeenschap niet onvoorwaardelijk meer aangehangen. Voorzichtigheidshalve houdt men de mogelijkheid open van invloed van erfelijkheid, maar hoeveel dat zou zijn, daarover is nog steeds geen overeenstemming. Overigens is dit een veld van onderzoek met enorme onderzoekstechnische problemen, omdat de invloed van aanleg en omgeving nooit goed te scheiden zijn.
      2. Voor genetici valt alles wat niet genetisch is onder de omgeving. Dus ook het alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap voor zover van invloed op de vrucht, de borst/flesboeding, het aanbod van interessante stimuli in de babyperiode en zo voort. Dus zelfs als een eeneiige tweeling direct na de geboorte wordt gescheiden en elk kind in een totaal verschillend milieu wordt opgevoed, zijn er nog steeds belangrijke gedeelde omgevingsfactoren die van invloed kunnen zijn op hun score op een intelligentietest. Aanleg en opvoeding (genetica en omgeving; nature/nurture) zijn dus nooit te scheiden.
      3. Wegens de onscheidbaarheid van de twee variabelen is het voor genetici en biologen een non-vraag of 'intelligentie' erfelijk is of niet. De vraag is in wetenschappelijke zin niet te beantwoorden. Hier is sprake van een valse dichotomie.
      4. In onderzoek dat probeert een uitspraak te doen over de verhouding tussen de invloed van de aanleg en de invloed van de omgeving, wordt de invloed van de omgeving nooit gemeten, maar slecht berekend of afgeleid uit allerlei andere factoren. Die andere factoren worden voor een groot deel geschat. De statistische techniek die hierbij hoort heet factoranalyse.
      5. Onderliggende gedachte bij een dergelijke analyse is, dat 'intelligentie' bepaald wordt door een groot aantal onafhankelijke (= lineair optelbare) factoren, die elk een geringe bijdrage leveren aan de uiteindelijk intelligentie. Dit is in overeenstemming met de vooronderstelde normaalverdeling van intelligentie binnen een leeftijdscohort.
      6. Er zijn geen genen gelocaliseerd die van invloed zijn op intelligentie. Voor zover intelligentie erfelijk is, wordt het waarschijnlijk mede bepaald door genen die ook bepalend zijn voor allerlei andere eigenschappen.
      Kees Vuyk maakt zich er in zekere zin makkelijk van af waar het gaat om de mate waarin intelligentie al dan niet erfelijk is. Op pagina 187 stelt hij simpelweg:
        “Intelligentie is erfelijk, niet 100% maar volgens de meeste deskundigen wel in hoge mate. Twee intelligente ouders hebben dus een grote kans om intelligente kinderen te krijgen. Navenant is de kans dat minder intelligente ouders samen intelligente kinderen krijgen niet nul, maar ook niet bijster groot.”
      Op pagina 188 nog een keer:
        (…) Zelfs als het waar is namelijk dat intelligentie grotendeels erfelijk is – en tegenwoordig wordt deze stelling nauwelijks meer betwist, behalve dan dat de raciale component die Jensen en Eysenck inbrachten inmiddels is ontmaskerd als gevolg van fouten in de gebruikte tests – dan nog (…)
      Het eerste citaat getuigt, gegeven het bovenstaande, niet van diepgaande kennis van de materie. De kans dat intelligente ouders ook intelligente kinderen krijgen is misschien groot, maar dat hoeft nog niet te liggen aan de overerfbaarheid van intelligentie: het kan ook de omgeving zijn die een groot deel van de variantie verklaart.
      Deze passage geeft ook geen blijk van het statistisch verschijnsel ‘regressie naar het gemiddelde', dat beschrijft waarom ouders aan de extreme kant van het spectrum (lang, intelligent, etc.) in het algemeen kinderen zullen krijgen die minder extreem zijn. Een stel waarbij beide ouders intelligent zijn, zal dus naar alle waarschijnlijkheid een kind krijgen dat minder intelligent is dan elk van hen.
      KV vertelt ook niet wie ‘de meeste deskundigen’ zijn, en hoe groot die invloed precies is. De enige namen die hij noemt zijn Jensen en Eysenck, twee notoire voorstanders van erfelijke intelligentie, die in het publieke debat hieromtrent ook fel bestreden zijn.
      Een bijna 100% erfelijkheid is het, gegeven het empirisch onderzoek dat we hebben, vrijwel zeker niet. Als er al sprake is van erfelijkheid (genotype) , is de invloed daarvan op de intelligentie zoals die zich manifesteert (fenotype) beperkt.
      KV besteedt een heel hoofdstuk aan de problemen, nuances en definities van het begrip intelligentie, waarbij hij vluchtig verwijst naar allerhande auteurs. Maar zodra hij zich daarmee heeft ingedekt lijkt KV een betrekkelijk eenvoudig beeld te hebben van intelligentie.
      Het is voor hem iets waar een individu een bepaalde hoeveelheid van heeft, een absolute grootheid. Sommigen hebben er meer van dan anderen. Zoiets als longvolume. Misschien moeten we eerder denken aan hersenvolume, of aan het aantal connecties binnen de hersenen, of iets anders telbaars. Voor zover ik weet heeft onderzoek in deze richting nooit iets opgeleverd. Een dergelijke opvatting suggereert ook dat intelligentie niet cultuur-gebonden is. Als je in Nederland 1 meter 80 bent, ben je dat in China ook. Als je in Nederland een IQ van 110 hebt, heb je dat in China ook. Uit de conceptuele problemen rond dit begrip blijkt dat dat misschien niet het geval is.

      KV lijkt te denken dat een IQ test deze absolute grootheid (misschien op een onvolkomen manier, maar toch) meet. Het wetenschappelijke standpunt is dat er een score uit de test komt, en dat we niet weten wat die test precies meet. Dat is ook niet erg, want de test is ontwikkeld voor een doel, nl. het voorspellen van schoolsucces. Als de test geen ‘intelligentie’ meet, maar enkel ‘gehoorzaamheid aan de docent’, en als ‘gehoorzaamheid aan de docent’ de doorslaggevende factor is om je diploma te halen, dan heeft de test zijn doel gediend. Of anders gezegd: binnen de betreffende cultuur en het betreffende schoolsysteem is dan blijkbaar ‘gehoorzaamheid aan de docent’ hetzelfde als intelligentie. Dat houdt niet in dat ‘gehoorzaamheid aan de docent’ een reële grootheid in iemands hoofd is, waar iemand meer of minder van heeft. Als generatie op generatie goede schoolresultaten heeft, houdt dat niet in dat ‘gehoorzaamheid aan de docent’ een erfelijke grootheid is. Dit is precies waarom in de boekjes ‘intelligentie’ wordt gedefinieerd als ‘datgene wat de test meet’, en niets anders dan dat.

      Maar laat ik niet kinderachtig zijn. We zijn meegegaan in de eerste vooronderstelling [de relatie tussen verdeling van ‘intelligentie’ binnen de populatie en de verdeling van opleidingsniveau binnen de populatie], laten we dan ook nog even meegaan met de stelling dat intelligentie de achterliggende variabele is, en dat intelligentie voor een belangrijk deel erfelijk is (en dus dat omgeving geen rol van betekenis speelt bij het opleidingsniveau dat iemand uiteindelijk bereikt - dat is toch wel een leap of faith). Het is immers nog altijd mogelijk dat intelligentie wordt ‘veroorzaakt’ door een groot aantal factoren die onderling op elkaar inwerken, en die – misschien in hun onderlinge samenhang – erfelijk zijn. Het effect moet vrij klein zijn (dat blijkt uit het onderzoek) maar wellicht bestaat het toch.
      Ik volg dus KV nog even in zijn betoog. For the sake of argument.

      Hij stelt vervolgens dat er na de 2de wereldoorlog een selectieproces heeft plaatsgevonden, waarbij iedereen van de babyboomgeneratie met voldoende intelligentie hoog opgeleid werd. De hoogopgeleiden planten zich alleen onderling voort (net als de laagopgeleiden), en omdat intelligentie erfelijk is, zijn er zo als het ware twee subgroepen mensen ontstaan: de hoogopgeleiden/hoogintelligenten en de laagopgeleiden/laagintelligenten.
      Het betreft grofweg de periode 1950 – 2000. Het is een beetje arbitrair, maar laten we zeggen dat dit 2 generaties betreft – men krijgt dan gemiddeld zijn kinderen in het 25ste levensjaar.
      Is het mogelijk om een selectie op intelligentie te maken in 2 generaties?
      Het antwoord is onomwonden: nee.
      Iedere zadenveredelaar en iedere grasparkietenkweker weet dat je in twee of drie generaties bar weinig bereikt, zelfs bij extreem grote selectiedruk. En dat ligt ook wel voor de hand. Ik zal in elk geval proberen dit zonder rekenwerk aannemelijk te maken.

      Stel dat intelligentie bepaald wordt door 50 verschillende genen, die elkaar onderling niet beïnvloeden. Elk gen komt voor in 3 varianten (allelen), die resp. 1, 2 of 3 punten bijdragen aan de intelligentie. Ieder individu beschikt van ieder gen over een exemplaar van de moeder en een exemplaar van de vader, maar welk van die twee tot expressie komt is niet te voorspellen – er is niets dominant of recessief. Het is een kwestie van toeval welke van de twee verschijnt in het fenotype. (dus ook geen omgevingsvariabele) De IQ-scores variëren in dit voorbeeld van 50 tot 150, en zijn goed te beschrijven met een normaalverdeling. nb: Dit is allemaal precies in overeenstemming met het ‘naïef-genetisch’ idee van intelligentie.
      Nu krijg je een proefpersoon met score 110. Je weet feitelijk nog niets, want je weet niet wat de totaalwaarde was van alle genen die niet tot expressie gekomen zijn. Misschien was dat 90 (dan betreft het een heel gemiddeld persoon) of misschien was dat 120 (dan had deze persoon nog veel intelligenter kunnen zijn). Statistisch gezien is de verwachting dat het geheel altijd in de richting van de 100 gaat (regression to the mean) Ook als je deze persoon koppelt aan een partner met een score hoger dan gemiddeld (zeg ook 110), kom je wat betreft selectie niet erg ver, omdat er geen relatie bestaat tussen de genen die tot expressie zijn gekomen en de genen die worden vererfd. Als bij de moeder op een bepaald gen de waarde +3 tot expressie is gekomen, kan het nog altijd zo zijn dat ze de waarde +1 voor dat gen doorgeeft aan haar kind, en dat de vererfde waarde van de vader, een +2, tot uitdrukking komt in het fenotype van het kind, hoewel ook bij de vader zelf een +3 tot expressie is gekomen, die niet is overgegaan op het kind.
      Het is in deze omstandigheden vrijwel onmogelijk om de gen-varianten met waarde +1 uit de populatie te kweken ten gunste van de andere twee varianten. Hoe meer genen het betreft, hoe moeilijker het wordt. Hoe dichter het selectiecriterium bij het gemiddelde zit, hoe moeilijker het wordt.
      Als je die kant op wilt werken kan dat in principe wel, maar dan zul je op tientallen generaties een zware selectiedruk moeten uitoefenen, bijvoorbeeld door alleen verder te kweken met indivduen met een intelligentie van 120 of meer. Dit noemen we eugenetica, en het begrip heeft historisch een heel nare bijsmaak.
      Als dat lukt (het wegkweken van genvarianten met de waarde +1) heb je een subpopulatie gecreëerd waar bepaalde varianten van bepaalde genen uit zijn verwijderd, maar de hoofdpopulatie bevat nog steeds het volledige genenmateriaal. Als je ook wilt werken naar een ‘domme’ populatie, is dat dus een apart project, waarbij je de gen-varianten met waarde +3 eruit moet werken. Ook dit gaat tientallen generaties duren.
      Het simpelweg ‘scheiden’ van de totale populatie in een subpopulatie met ‘goede’ genen en een met ‘slechte’ genen is niet te doen, omdat alle genen in alle varianten door de hele populatie verdeeld zijn, waarbij de helft niet zichtbaar tot expressie is gekomen.
      Bij een enkelvoudig gen op een dominante eigenschap kan dat, maar bij een groot aantal genen zonder dominantie kan dat niet.
      Bij een discrete variabele zoals bloedgroep kan dat wel, bij een continue variabele als intelligentie is dat vrijwel niet te doen.
      In wezen wil of denkt KV twee dingen die niet te verenigen zijn: om (binnen een cohort of binnen de gehele populatie) een normaal verdeelde intelligentie te krijgen, heb je veel factoren met elk een kleine bijdrage nodig. Om een scheiding te kunnen maken tussen een intelligente en een niet-intelligente populatie heb je (o.a.) weinig factoren met elk een grote bijdrage nodig. Dat kan niet tegelijk.

      Illustratief voor het aantal generaties dat nodig is om een subpopulatie te kweken, is hier een Russisch onderzoek naar het domesticeren van vosjes. Uit het wild gevangen vossen werden streng geselecteerd op tamheid. Na 6 generaties verschenen de eerste echt ‘tamme’ vossen, de ‘gedomesticeerde elite’. Na 10 generaties viel ongeveer 18% in deze categorie, na 20 generaties ongeveer 35%. Dit is een project met een zeer strenge selectiedruk op een relatief makkelijk te meten eigenschap, en de eerste goed herkenbare resultaten verschijnen pas na 6 generaties. In de ogen van een bioloog is dat al bizar snel (zie ook: Richard Dawkins, the greatest show on earth).

      Dit onderzoek is ook interessant om een andere reden. Dieren die gedomesticeerd zijn (volgens proefleider Dmitry Belyayev: de dieren die de meeste genetische aanleg hebben om zich tam te gedragen), vertonen opvallende veranderingen ten opzichte van hun niet-gedomesticeerde soortgenoten. Hun gedrag en hun uiterlijk zijn ‘kinderlijker’, er zijn veranderingen in de verhoudingen van hun lichaamsdelen en in hun spijsverteringskanaal, maar boven alles: ze zijn ‘minder intelligent’: ze zijn minder alert, laten makkelijker met zich sollen, en ook hun schedelinhoud vermindert. Dit geldt voor alle dieren die gedomesticeerd zijn, dus voor honden, schapen, koeien, kippen etc. [voor een uitgebreide beschrijving, zie: Achilles Gautier, De gouden kooi, uitg. Hadewijch, Antwerpen, 1998].
      Ergo: als men ervoor zou willen kiezen om mensen genetisch minder intelligent te maken door het uitoefenen van selectiedruk, dan zou selecteren op ‘tamheid’ of ‘tembaarheid’ de perfecte invalshoek zijn. Men kan redelijkerwijs vermoeden dat het vermogen om een diploma te halen ook direct samenhangt met de mate waarin het individu bereid en in staat is om zich aan te passen aan het schoolsysteem, m.a.w. ‘tembaarheid’. Dit leidt tot de paradoxale conclusie dat de mens [na vele generaties] in principe minder intelligent kan worden en gevolge van scholing. Ongeveer de tegengestelde conclusie van KV.

    5. Evaluatie van de hoofdlijn

      Aan het eind van hoofdstuk 2 vraagt KV zich af hoe het toch komt dat niemand noteert wat toch zo duidelijk is: opleidingsniveau is de sleutel tot succes, en opleidingsniveau vereist intelligentie, dus intelligentie is de sleutel tot succes. Hij wijt het aan gebrek aan data (sociologen meten geen intelligentie) en later ook aan de onwenselijkheid van de boodschap: als alles aan intelligentie ligt (en intelligentie is een bijna volledig erfelijke eigenschap, die dus niet wordt beïnvloed door de omgeving), dan is er niets meer wat je kunt doen ter verdere verheffing van het volk. En dan is iets onwenselijks als populisme juist het bijproduct van de eerdere 'verheffing van het volk' - ook al niet leuk om te horen.
      Ik kan inmiddels een alternatief antwoord geven: niemand schrijft dit op omdat het volstrekte onzin is.
      Hoewel het misschien een hoge face-value heeft om ‘opleidingsniveau’ als centrale variabele te nemen, het volgt niet uit de cijfers van het CBS. Het CBS meet (gegeven het boven geciteerde rapport over gezondheid, augustus 2018) in principe SES (sociaal economische status), en gebruikt daar een eenvoudig meetbare grootheid voor (opleidingsniveau), omdat die twee over het algemeen goed samengaan. Zie het genoemde WRR-rapport, p 8. Opleidingsniveau is dus een zgn. proxy voor ses, een indicator. [Om te kunnen beoordelen hoe goed deze proxy is, zou je onderzoek moeten doen naar hoogopgleiden met een lage ses, en/of naar laagopgeleiden met een hoge ses. Het zou zomaar kunnen dat de validiteit als proxy met de jaren afneemt omdat er zoveel diploma's worden uitgereikt.] Men had ook jaarinkomen voor de inkomstenbelasting kunnen nemen, of het aantal kilometers dat men per jaar aflegt, of de grondprijs van de plek waarop het woonadres is gebouwd.
      Het CBS legt relaties tussen de meetgegevens, maar spreekt geen oordeel uit en wijst geen mechanisme aan. Het is methodologisch niet verboden om je centrale variabele te kiezen, maar deze keuze van KV is wel tendentieus, wetende dat opleidingsniveau ook hoog correleert met inkomen en met ses, terwijl hij juist wil betogen de ses als omgevingsvariabele een ondergeschikte rol speelt bij de ontwikkeling van intelligentie. Hij ziet een lage ses juist als gevolg van een lage intelligentie, en niet als oorzaak.

      Ik heb laten zien dat er in al zijn stappen denkfouten zitten: intelligentie zelf is niet noodzakelijkerwijs normaal verdeeld over de hele bevolking, het opleidingsniveau van de bevolking heeft een veranderende verdeling, de aannames die het mogelijk moeten maken om deze twee te koppelen kloppen niet met de empirische data. De grenswaarde van een IQ van 110 klopt niet met het percentage hoogopgeleiden.
      De mate waarin intelligentie erfelijk is kan niet al te hoog liggen, en het selectiemechanisme dat hij stelt kan echt niet op de gestelde manier werkzaam zijn.
      De redenering rammelt aan alle kanten.

      Is het dan misschien een interessante, nieuwe gedachtegang die KV in zijn boek presenteert? Een citaat:
        (..) Verschillen tussen rassen en sociale klassen zijn (soms) groot en vermoedelijk te wijten aan het genenpakket. De aanlegtheorie (…) koppelt hieraan een sociale theorie. Sociale mobiliteit wordt en moet ook worden bepaald door het IQ, en rijkdom zal door de intelligenten verzameld (dienen te) worden. De samenleving is erbij gebaat dat zij de dienst uitmaken. IQ en beloning zijn, resp. moeten hoog correleren (de zogenaamde meritocratie, waarbij de sociale merite van iemand kennelijk alles met zijn IQ te maken heeft). In verband met de automatisering worden IQ en opleiding steeds belangrijker. Dit betekent dat domme mensen werkloos dreigen te worden, en dat is vervelend want ‘the tendency to be unemployed may run in the genes of a family as certainly as the IQ does now’, wat een nieuwe (larmarckiaanse?) genetische wet lijkt te betekenen. (…)
      Alle elementen van het betoog van KV zijn hier al aanwezig [IQ, intelligentie, opleidingsniveau, sociale klasse, mobiliteit op basis van IQ, erfelijkheid van intelligentie, meritocratie], maar het betreft de bespreking van het werk van Herrnstein uit de vroeg 70-er jaren. [Het citaat is uiteraard afkomstig van PV, 1984). KV's boek is te lezen als een parafrase en actualisering van dit gedachtegoed.
      Op zich zou dit nog een wonderlijk toeval kunnen zijn, maar hier is meer aan de hand.
      Diezelfde Herrnstein was in 1994 auteur (samen met Murray) van een controversieel publieksboek over intelligentie, met de naam ‘The Bell Curve’; (klik ook door naar het engelstalige artikel, dat geeft veel meer details).
      Het boek is als pdf te downloaden.
      Dit boek bouwt in grote lijnen voort op het werk van Jensen en Eysenck, dat KV zich [p 187] wel herinnert, maar dat hij verder slechts zegt te kennen van internetbronnen.
      Het werk van Herrnstein noemt hij nergens expliciet, maar impliciet wel: op p 17 plaatst hij een plaatje van een normaalcurve, en meldt in de lopende tekst en in het onderschrift dat dit de zogenaamde Bell-curve is, ook wel normaalverdeling genoemd. Gewoonlijk wordt dit primair de normaalcurve genoemd en ook de term Gausskromme wordt wel gebruikt, of – verwijzend naar de vorm – de Nederlandse term klokkromme. Het gebruik van de Engelse term voor klokkromme is in deze context beladen: iedereen die het nature/nurture debat heeft gevolgd weet van dit boek en zijn titel. Het is zoiets als je boek een titel geven die begint met 'the origin of...': iedere lezer denkt dan meteen aan Darwin. Iets dergelijks is in deze specifieke contekst, waar het gaat over de erfelijkheid van intelligentie, aan de hand met het begrip Bell-curve.
      Het is onwaarschijnlijk toevallig dat KV de inhoud van dit boek van Herrnstein aanhangt en dan 1) het boek niet zou kennen, en 2) ‘per ongeluk’ de engelse term voor klokkromme zou gebruiken, precies de titel van dat boek. Waarschijnlijker acht ik, dat KV het werk in de kast heeft staan, maar zijn eigen boek niet in verband wilde brengen met het werk dat hij parafraseert en actualiseert voor recente politieke ontwikkelingen. En dat heeft een reden: co-auteur Murray is er - net als Jensen en Eysenck eerder - hard op aangevallen (Herrnstein overleed kort na het verschijnen van het boek).

      Erger nog wordt het, als men zich realiseert dat KV zich met zijn boek – omkleed met allerlei beschouwingen en reserves – plaatst in de traditie van het sociaal darwinisme die al begint bij Galton en Spencer: die traditie stelt dat de onderklasse genetisch inferieur is. [zie PV, p 26 ev]
      De reden die KV daarvoor geeft is flinterdun, en vanuit de genetica niet houdbaar: ten gevolge van selectie van de meest intelligenten gedurende twee generaties, zou de populatie (genetisch gezien) zijn uiteengevallen in twee subpopulaties plus een grijs middendeel.
      Genetisch gezien is er geen enkele reden om te denken dat de distributie van verschillende varianten van genen (allelen) significant verschilt tussen deze populaties. Dus zelfs als intelligentie volledig genetisch bepaald is (quod non), dan nog zullen m.b.t. intelligentie de nazaten van deze twee subpopulaties op het niveau van de genen niet van elkaar te onderscheiden zijn. Het mechanisme van genetische scheiding zoals KV dat beschrijft bestaat simpelweg niet over een dergelijk klein aantal generaties. Iedere eventuele verandering in de door KV benoemde richting zou ruim binnen de meetfout vallen.

      Maar op zich zou dit allemaal niet zo erg hoeven zijn: iemand schrijft een boek over intelligentie terwijl hij niet goed genoeg thuis is in het vakgebied, hij verwijst naar de genetica waar hij zo te zien niet heel veel van weet, hij bouwt voor op werk van anderen, werk dat al eerder heftig is aangevallen. Waarom is dat dan toch zo erg?
      Dat is erg omdat het een politiek boek is.
      VK koppelt zijn ideeën over meritocratie en erfelijke intelligentie expliciet aan recente maatschappelijke ontwikkelingen, de opkomst van het populisme, en zijn boek heeft consequenties voor de manier waarop we naar deze materie kijken.
      Om te beginnen ventileert hij in het hele boek ideeën over de laagste ses, de mensen die hij minder dan gemiddeld intelligent acht, met een zeker dedain.
      Ik heb al geciteerd dat hij denkt dat ze niet van kunst kunnen genieten (ze weten eigenlijk niet eens wat kunst is, daar zijn ze te dom voor), en dat ze te niet in staat zijn om het politieke debat te volgen. Ze hebben niet de mentale capaciteit om tot een afgewogen mening te komen.
      Maar er is nog veel meer. (ik parafraseer, en de opsomming is niet volledig)
      • Bij gebrek aan intelligentie zijn ze niet in staat om voor hun eigen gezondheid te zorgen – vandaar die lage levensverwachting [p 85].
      • Laag-intelligenten hebben meer de neiging tot conformisme [p 145], omdat ze bij een stap naar buiten geconfronteerd worden met een wereld die voor hen te complex is om te begrijpen, wat als bedreigend wordt ervaren en ze bang maakt.
      • Laag-intelligenten zijn de verliezers in een competitieve maatschappij, en verleggen hun schuldgevoel/zelfverwijt naar zondebokken: anti-Europese sentimenten en vreemdelingenhaat. [p 169]. M.a.w. de politieke standpunten van de lagere SES zijn niet inhoudelijk gemotiveerd, maar berusten op frustratie omdat ze het niet verder geschopt hebben.
      • Actieve burgers in achterstandswijken zijn niet in staat om hervormingen te realiseren, omdat zij niet de taal van de ambtenarij spreken – en dit is een gevolg van hun gebrek aan intelligentie. [ p 177]
      • Hooggeschoolden vormen de ‘creatieve klasse’ die zorgt voor maatschappelijk innovatie [p 204 ev], m.a.w. intelligentie en creativiteit gaan samen, en laagopgeleiden zijn minder creatief.
      • Omdat de gevestigde politieke partijen worden bevolkt door hoogopgeleiden, herkennen de laagopgeleiden zich niet in de partijprogramma’s en vertrekken ze naar populistische partijen, die een vorm van geborgenheid lijken te bieden. [p 226] KV ziet een direct verband tussen het gebrek aan intelligentie dat vereist is om te kunnen functioneren in de bestaande maatschappelijke structuren, en de behoefte aan leiderschap.
      • De ongelijkheid in de huidige maatschappij is het gevolg van sociaaldemocratisch beleid, dat erop gericht was om degenen met voldoende intelligentie te verheffen. De laaggeschoolden zijn (letterlijk en figuurlijk) de ‘achterblijvers’. [p 227]
      • Er is noodzaak tot een zeker paternalisme [p 228] Laagopgeleiden kunnen bijvoorbeeld niet met geld omgaan, en moeten daarom bij het maken van hun keuzes bij de hand genomen worden.
      • Lager opgeleiden worden aangesproken door ferm leiderschap. Men wil niet overal zelf een mening over hoeven vormen. Men is blij als iemand het voor ze zegt.
      • In gevangenissen zitten relatief veel mensen (30-50%) mensen met een lage intelligentie (70 < IQ < 85). Dit is niet omdat ze moreel slechter zijn, maar wel omdat ze slechtere keuzes maken, of makkelijk voor andermans karretje laten spannen.
      Voor veel van de verschijnselen die KV signaleert zijn alternatieve verklaringen denkbaar. In veel gevallen hebben die eerder met geld en status te maken dan met intelligentie. Over de relatie tussen armoede en gezondheid is wel het een en ander bekend, ook zonder dat intelligentie er met de haren bij gesleept wordt.

    6. Slotwoord en conlusie

      Dit boek is bij uitstek een politiek boek, omdat het voor bestaande maatschappelijke problemen een alternatief narratief geeft, met politieke consequenties.
      Ik chargeer voor de duidelijkheid:

      In het bestaande narratief is de sociale en economische ongelijkheid het gevolg van een specifiek sociaal en economisch beleid [tegenwoordig vaak aangeduid met ‘neoliberalisme’]. Degene die het meest profiteren van dit beleid zijn de hoogopgeleiden, die domineren in overheid en bedrijfsleven. Dit beleid heeft de afgelopen decennia gezorgd voor toenemende ongelijkheid. Er zijn (in principe) democratische middelen om die ongelijkheid te niet te doen. Dit zou dan wel op de een of andere manier ten koste gaan van de zittende macht. Populisme is een indicatie van een democratisch tekort. Verandering is mogelijk.

      In het vertoog van KV ligt dat anders. De sociale en economische ongelijkheid is het bijproduct van de sociaaldemocratische verheffingspolitiek. We hebben nu een meritocratie bereikt, de dommen zijn dom, de slimmen zijn slim en daar is niets meer aan te doen, want dat is erfelijk en ze leven in gescheiden werelden. Als de dommen protesteren is dat omdat ze het niet begrepen hebben, of omdat ze hun woede moeten koelen, omdat ze – ten gevolge van hun eigen gebrek aan intelligentie – de verliezers zijn in een competitieve maatschappij. Ze raken in verwarring van deze complexe maatschappij, en zoeken geborgenheid bij een leider. Bij gebrek aan intelligentie hoeven we van meer onderwijs geen verbetering te verwachten. Het beste wat we kunnen doen is: de wensen en ideeën van de mensen negeren (ze weten niet waar ze het over hebben), niet in discussie gaan (dat kunnen ze niet), en ze een beetje begeleiden als het moeilijk wordt (paternalisme). Bijsturen is misschien noodzakelijk, maar echte verandering is niet wenselijk en niet mogelijk. Immers: de mensen op de hoge posities zitten daar vanwege hun merites, dus het zou onverstandig zijn om ze te vervangen door mensen met minder merites.

      Laat ik het iets minder scherp stellen:
      Stel dat KV geen gelijk heeft. In dat geval heeft intelligentie nauwelijks iets te maken met genen en alles te maken met omgeving. Genetisch gezien zijn de kindjes van de onderklasse niet te onderscheiden van die van de bovenklasse. Maar de omgevingen zijn vanaf de dag van conceptie verschillend: in een laagopgeleid milieu krijgt een ongezondere moeder een ongezonder kind (kost punten), een arm gezin is een gezin met meer stress en depressie (kost punten), een dergelijke omgeving is minder uitdagend in een kritieke fase van de cognitieve ontwikkeling (kost punten), is vaker een eenouder gezin (kost punten), heeft wellicht slechtere voeding (kost punten), gaat alleen om met andere kinderen uit een laag ses-milieu (kost punten). Tegen de tijd dat een kind naar school gaat is er al een achterstand. De docenten zien het milieu en het opleidingsniveau van de ouders, verwachten een laagintelligent kind, en behandelen het kind als zodanig (kost punten). Hun schooladvies (naast de CITO-toets) zal die inschatting weergeven. Kind blijft wat betreft onderwijspeil op dat van zijn ouders. (kost punten) Gaat een relatie aan met iemand uit hetzelfde milieu, en de cyclus begint opnieuw.

      Het kind uit het hoogopgeleide milieu, met exact dezelfde genetische aanleg, wordt wel weer hoogopgeleid, simpelweg omdat hij al deze handicaps niet heeft. Kosten noch moeite zullen worden gespaard om dit doel te bereiken, en geld en contacten zijn het probleem niet. Uit het feit dat de verhoudingen zichzelf reproduceren concluderen mensen als KV dat er niets aan te doen is, dat dit de natuurlijke gang van zaken is, omdat intelligentie nou eenmaal erfelijk is.
      Dat zou ik ook zeggen als ik hem was: KV is afkomstig uit een lager milieu, en heeft in een golf van maatschappelijke hervormingen de kans gekregen om het ver te schoppen. Hij is aangeland bij de elite, en natuurlijk wil hij dat zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen bij die elite blijven horen.
      Het beste wat je dan kunt doen is roepen dat je het verdient, omdat jij en je nazaten erfelijk intelligent zijn. Dat is jouw merite en we leven in een meritocratie.
      Kortom: dit is niet wezenlijk anders dan de aristocratie die riep dat ze beste was, omdat ze nou eenmaal de beste was.
      Ook milieu, ook opvoeding, is inderdaad erfelijk – maar daarom zijn ze nog niet genetisch bepaald.

      Maar dit is nog altijd niet wat mij het meeste stoort.
      KV heeft een feelgood boek voor zijn eigen generatie en zijn eigen klasse geschreven.
      Iedereen met een vergelijkbare levenswandel (babyboomers die hoger opgeleid zijn dan hun ouders, carrière gemaakt hebben en nu filosofieboeken kunnen en willen kopen) leest graag dat het allemaal komt door zijn eigen superieure intelligentie en zijn eigen merite. Dat de mensen die het niet gemaakt hebben gewoon niet voldoende intelligentie hadden. In die zin is het commercieel gezien een slim boek - hier is een markt voor.
      Slimmer bijvoorbeeld dan de nieuwste van David Graeber, die vertelt dat veel van die banen voor hoogopgeleiden eigenlijk bullshit-jobs zijn, werk wat net zo goed niet gedaan had kunnen worden. Werk waar die hele opleiding niet voor nodig was, en waar intelligentie dus ook geen doorslaggevende rol speelt.
      Maar ik moet zeggen: het boek leest lekker weg: er wordt allerlei boeiend sociaalwetenschappelijk onderzoek besproken en gekaderd, er worden leuke observaties gedaan, er zijn anekdotes, hier en daar een persoonlijke noot.
      Het boek grossiert in redelijkheid: dit maar ook dat, het ligt genuanceerd, er zijn uitzonderingen, de andere kant heeft ook zijn eigen problemen.
      Maar intussen worden de echte bommen vrij achteloos gedropt: intelligentie is erfelijk (geen argumentatie, feit), er heeft een genetische selectie gevonden waardoor twee gescheiden subpopulaties zijn ontstaan. (geen rekenwerk, stelling). Gebrek aan intelligentie is de achterliggende oorzaak voor alle problemen waar de laagopgeleiden mee kampen (speculatie).
      Wat mij verbaast en ergert is dat dit boek de prijs heeft gekregen voor het beste filosofieboek van het jaar, de Socratesprijs. Een goed filosofieboek zet aan tot nadenken en haalt vooroordelen onderuit.
      Dit boek sust in slaapt en bevestigt vooroordelen.
      En was er nou niemand in de selectiecommissie die het sociaaldarwinisme heeft herkend?
      Bij mij gingen de eerste zwaailichten al aan toen in de inleiding de Bellcurve al genoemd werd – waarom in de commissie dan niet?
      Was er niemand met voldoende kennis van het psychologisch onderzoek rond intelligentie om te zien dat hier enkel vooroordelen worden gedebiteerd?
      Niemand met voldoende kennis van genetica om te zien dat het gestelde selectiemechanisme echt onmogelijk is?
      Is er niemand op het idee gekomen om het boek te laten beoordelen die op deze gebieden wel ter zake kundig was?

      Wat bij betreft is dit boek een blamage voor de prijs, en voor de commissie die de prijs uitreikt.
      Ze hadden moeten zien dat hier ideeën die dertig jaar geleden al aan de paal genageld zijn in een nieuw jasje worden gepresenteerd als nieuwe ideeën. Met die prijs legitimeren ze een gedachtengoed dat – op goede gronden – al dertig jaar verwerpelijk wordt geacht. Het verschil is dat Jensen, Eysenck en Herrnstein allemaal goede methodologen waren, en dat hun onderzoek dus op inhoudelijke gronden aan te vallen was. Dat is gebeurd, en de discussie is gesloten. Het gaat dan niet aan om - zonder nieuw eigen onderzoek - de verworpen these opnieuw in te brengen als vaststaand feit. Wie dat doet is niet bezig met filosofie, met sociologie of met psychologie, maar is bezig om zijn eigen vooroordelen als interessante alternatieve waarheid te profileren. Dat kan en mag (vrijheid van meningsuiting) maar dat verdient geen prijs voor 'het beste filosofieboek van het jaar'.

Bert's werk