Bert's brein

geplaatst: 2-12-2016;

reageer

Ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag mocht (ex-)D66 politicus Jan Terlouw in DWDD een persoonlijke boodschap uitspreken. Deze werd zeer goed ontvangen: trending topic volgens Een Vandaag, veel gedeeld op FB, grote kranten bespraken de rede. De bijval was vrij algemeen. Al bij de eerste keer dat ik de rede zag bekroop mij een ongemakkelijk gevoel. Bij deze een poging om onder woorden te brengen wat mijns inziens kwalijk is aan dit betoog

Deconstructie de verjaardagsrede van Jan Terlouw, d.d. 30-11-2016


  1. inleiding
  2. Iedereen leek direct te smelten bij het betoog van Jan Terlouw in DWDD ter ere van zijn 85ste verjaardag. Ik niet. Echter: alleen een ongemakkelijk gevoel is niets - als je iets vindt moet je het ook kunnen motiveren. Daarom onderstaand een deconstructie van zijn betoog, waarbij zinnen en alinea's van commentaar zijn voorzien. Achtergrond informatie is afkomstig uit Wikipedia.

  3. integrale tekst van de rede
    1. 85. Toen ik een kind was¸ was het oorlog. De tweede wereldoorlog was van mijn 7de tot mijn 13de jaar.
    2. En toen het voorbij was¸ toen ik student was¸ toen ik mijn dienstplicht vervulde¸ toen ik mijn eerste onderzoeksbaan kreeg¸ toen was Nederland wat je noemde ‘in wederopbouw’.
    3. De huizen werden hersteld¸ de kerken¸ de andere gebouwen. Maar vooral waren we de welvaartsstaat aan het bouwen. Dat wil zeggen: de AOW kwam tot stand¸ de ouderdomspensioen voor iedereen¸ en het ziekenfonds¸ ziektewet¸ medische zorg voor iedereen¸ dat gebeurde.
    4. En in die tijd zat ik met mijn jonge gezin¸ we woonden in een singelhuis in Utrecht.
    5. En overal hingen touwtjes uit de brievenbussen. De kinderen konden gewoon de voordeuren open trekken en bij elkaar binnen lopen. Volwassenen ook. We vertrouwden elkaar. En we zeiden ‘make love not war’.
    6. En we hadden natuurlijk kritiek op de regering¸ en we vonden dat de dingen anders moeten¸ maar we wantrouwden ze niet. De regering had moreel gezag in die tijd.
    7. En nu is het 2016 en er zijn heel veel dingen veranderd. Laat me twee dingen noemen.
    8. Ten eerste de groei van de welvaartsstaat. Prachtig natuurlijk.
    9. We zijn welvarend geworden¸ maar als nevenverschijnsel zijn we de aarde aan het verwoesten.
    10. We hebben en ongelooflijke plastic soep in drie oceanen teweeg gebracht. Op vijf plekken in drie oceanen drijft een plastic massa ter grootte van duizenden vierkante kilometers en we hebben die oceanen ook nog voor meerdere vissoorten overbevist.
    11. En we hebben oerwouden gekapt¸ we hebben landbouwgronden verschraald¸ we hebben de biodiversiteit¸ dat wil zeggen: de variëteit in planten en dieren¸ sterk verminderd. Heel veel diersoorten en plantensoorten zijn uitgestorven door menselijk ingrijpen.
    12. En we hebben kans gezien om de CO2 concentratie in de lucht hoger te maken dan die in miljoenen jaren is geweest. En toen dat zo lang geleden plaatsvond¸ toen was het ongeveer vijf graden warmer op aarde. Toen was het ’s zomers dooi op Antarctica. Toen groeiden er palmbomen op Groenland¸ en toen was de zeespiegel meters en meters hoger¸ en dat gaat weer gebeuren als we niet ophouden met olie¸ kolen en gas te verbranden en andere dingen te doen die heel best anders kunnen.
    13. Het andere punt dat ik wil aansnijden is het volgende. Er hangen geen touwtjes meer uit de brievenbussen. We vertrouwen elkaar niet meer. Een ondernemer zei pas tegen me:
    14. Als ik – wat ik vroeger met een handdruk bekrachtigde, dat gaat nu met vijf contracten. Een ander zei: als ik een brug nu moet bouwen, dan heb ik meer juristen nodig dan ingenieurs.
    15. En de overheid vertrouwt ook de bevolking niet meer.
    16. Alles wordt dichtgeregeld. Als de burgers zich maar keurig aan de regeltjes houden, dan is het okay, en eigen initiatief en eigen verantwoordelijkheid nemen wordt helemaal niet op prijs gesteld. Lijsten invullen, en als die kloppen dan is het in orde.
    17. En de burgers vertrouwen ook de politiek niet meer.
    18. Als een meneer Monasch uit het programma waarop hij is gekozen, de fractie waaruit hij is gekozen stapt, dan gaat hij niet weg. Dan blijft hij zitten. Er zijn zes fracties in de kamer, zes, van mensen die uit hun programma en uit hun fractie zijn gestapt en zijn blijven zitten.
    19. En wat denk je dat de bevolking daarvan vindt? Dan zegt de bevolking: ‘Zie je wel, de politiek is onbetrouwbaar’.
    20. Kijk naar de verkiezing van Trump in Amerika.
    21. Trump heeft een schandalige platvloerse campagne gevoerd. Hij heeft vrouwen beledigd, hij heeft andere groepen beledigd: Mexicanen, islamieten. Hij ontkent dat er een klimaatprobleem is, terwijl wetenschappers dat al twintig jaar weten, en terwijl een jaar geleden in Parijs bijna tweehonderd landen dat hebben bevestigd, waarbij Amerika. “Neeneenee,” zegt Trump, “er is geen klimaatprobleem.” Hij weet het natuurlijk prima dat het anders is, maar het komt hem politiek niet uit. “Weg met de feiten, leve mijn politieke belang.”
    22. En waarom hebben de burgers dan toch op hem gestemd? Zien ze dit niet – natuurlijk zien ze dat. Dat ziet de burgerij precies, prima, dat dit onbetrouwbaar is. Waarom stemmen ze dan toch op hem? Ik denk omdat ze denken: “Ja, de andere partij is ook niet betrouwbaar. Die heult met Wall-street en vertelt het ons niet. Ik vertrouw de politiek niet, nou dan neem ik maar degene die ik denk dat mijn belang het beste dient."
    23. Je hebt hetzelfde gezien met de Brexit. De politiek zei: “Mensen, doe dat niet. Dit is slecht voor het land, het is slecht voor uzelf,” maar de burgerij: “Ik vertrouw jullie niet, dus ik stem wel voor de Brexit” – in meerderheid.
    24. We vertrouwen elkaar niet meer.
    25. Even terug naar het klimaat probleem hè.
    26. Wat is nou eigenlijk het probleem? Is dat een technisch probleem?
    27. Kunnen we geen duurzame energie uit alles wat de zon oplevert maken?
    28. Ach, mensenlief, we kunnen toch alles. We kunnen gaatjes graven op Mars, we kunnen operaties doen via bloedvaten, we kunnen internet bouwen, we kunnen ogen repareren met laserstralen, we kunnen bijna alles. Zouden we dan werkelijk niet uit die overvloed van zonne-energie een beetje elektriciteit kunnen maken? Simpel.
    29. Is het dan een economisch probleem? Nauwelijks. Allerlei analyses laten zien: het schept heel veel werkgelegenheid, en over één ding zijn ze het in elk geval eens, alle analyses: als je het niet doet, kost het later een veelvoud van wat het nu kost.
    30. Wat is dan het probleem? Als het niet technisch is, als het niet economisch is – het is natuurlijk politiek. Politiek en maatschappelijk. De politiek moet het oplossen, ja, maar de politiek kan het alleen maar oplossen met de bevolking samen. In een vertrouwens-democratie, want dat hebben we.
    31. Een politiek gebaseerd op vertrouwen. Je kiest mensen om voor vier jaar te regeren. En als dat vertrouwen zo laag is geworden, dan is dat een groot, groot probleem. Hoe los je het op.
    32. Ik denk in de eerste plaats de politiek. Ik zeg tegen alle politici, in Nederland en in het buitenland: “mensen, wees integer, wees onkreukbaar, en vooral: draag uit dat je er bent om het publieke belang te dienen.”
    33. En wat is het publieke belang? Het publieke belang is het belang van de toekomst, van de jeugd. Die hier zit. Het is het belang van de toekomst voor een leefbare aarde voor de jeugd. Daarom, politici: doe dat. Laat zien: je bent er voor het publieke belang, je bent ervoor om de jeugd op een aarde te laten leven die zichzelf kan herstellen, en ook een jeugd waar we elkaar weer in vertrouwen, waar de touwtjes weer uit de brievenbus hangen.
    34. Dank je, Matthijs.


  4. commentaar op zinsniveau
    1. [2,3] De opbouw van de welvaartsstaat wordt grotendeels passief voorgesteld. Welliswaar 'waren we aan het opbouwen' (actief), maar 'huizen, kerken en andere gebouwen werden hersteld' (passief). De laatste toevoeging onderstreept dat: 'dat gebeurde'. Deze figuur (dingen gebeuren als het ware buiten de betrokkenen om) komt vaker voor in de tekst.
    2. [4] 'een singelhuis in Utrecht' Dhr Terlouw hoorde blijkbaar al bij een elite. Hij studeerde van 1948 tot 1956 (Wis- en natuurkunde, RUU). In deze tijd was een academische studie doorgaans voorbehouden aan een kleine upper-class. Pas vanaf de midden jaren 60 kreeg een steeds grotere groep toegang tot de universiteit.
    3. [5,6] touwtjes uit de brievenbussen als symbool van onderling vertrouwen Het beeld is goed gevonden, maar misleidend. Je doet als ouder een touwtje uit de brievenbus als je kind buitenspeelt, maar daarbij met grote regelmaat naar binnen wil om dingen te pakken, weg te leggen of iets anders. Als ouder wil je niet iedere twee minuten opstaan omdat je kind aanbelt. Het touwtje uit de brievenbus is dus grotendeels pragmatische gemakzucht. Het touwtje werkt alleen als er een ouder (meestal: moeder) thuis is. Geen zinnig mens liet zijn huis onbeheerd achter met een touwtje uit de brievenbus. Met andere woorden: het touwtje staat voor de tijd dat vrouwen standaard thuis waren en niet buitenshuis waren in verband met het arbeidsproces. Het is niet zozeer vertrouwen als gemakzucht. Bovendien zal later in het betoog blijken dat de spreker de huidige generatie politici aanwrijft een onbetrouwbaar imago te hebben. Laat dit nou net de generatie zijn die is opgegroeid met 'het touwtje uit de brievenbus'.
      In deze zinnen wordt een beeld geschetst van een idyllische jaren-60, waarbij iedereen elkaar vertrouwde. Bij het genoemde 'make love, not war' heeft dat laatste hoogstwaarschijnlijk betrekking op de Vietnam-oorlog, het eerste op de vrijere sexuele moraal. De jaren 60 (inclusief de oprichting van D66) was een tijd van protest, van het afrekenen met de autoriteit en bekrompenheid van de wederopbouw-generatie. Het is juist de tijd dat ieder gezag (moreel, maar ook van de regering/politiek) wordt aangevochten. Het is een beetje wonderlijk om juist deze tijd voor te stellen als een tijd van onderling vertrouwen. Binnen elke generatie? Misschien. Tussen generaties: zeker niet. De jaren 60 gelden juist als extreem roerig.
    4. [9 -12] Verwoesting van het milieu als nevenverschijnsel van de welvaartsstaat. De voorbeelden zijn correct en treffend, maar ook wel erg ver weg. De relatie tussen het gedrag van de kijker en de gevolgen voor het milieu wordt niet gelegd. Plastic soep is immers in oceanen (ver weg), biodiversiteit is zo abstract dat het nog moet worden uitgelegd, CO2 kun je niet zien. De 'we' die dit allemaal doet (oerwouden kappen, landbouwgrond verschralen en zo meer) is een groot abstract collectief 'we'. De relatie met het consumptiegedrag van de kijker, zijn vervoersbehoefte of zijn dagelijks menu wordt niet gelegd. In [12] wordt al geanticipeerd op een technologische oplossing: olie, kolen en gas verbranden is niet nodig, dingen kunnen heel goed anders. Dit suggereert dat we ons consumptiepatroon in stand kunnen houden door alternatieve bronnen van energie te gebruiken.
    5. [13, 14] Het punt van onderling vertouwen wordt hernomen. Als voorbeeld worden er twee ondernemers bij gehaald, die moeite hebben met een gebrek aan vertrouwen (handdruk) en een overmaat aan wet- en regelgeving (juristen). Dit laatste komt nog terug. Kenmerkend is, dat ondernemers hier de maat der dingen geworden zijn. Het verschijnsel wordt benoemd maar niet verklaard: wat is er in de tussenliggende 50 jaar veranderd dat een handdruk niet meer voldoet?
    6. [15,16] De overheid vertrouwt de bevolking niet meer, daarom wordt alles dichtgeregeld, en worden er lijsten ingevuld en afgewerkt. De eerste zin lijkt te verwijzen naar de wijze waarop de staat burgers controleert die gebruik willen maken van verschillende regelingen (die welvaartsstaat uit [3]). De tweede zin lijkt zich eerder, juist door de ondernemers uit de voorgaande zin, te richten op deregulering: ondernemers willen van alles, eigen initiatief, maar de overheid zet ze vanuit wantrouwen de voet dwars.
      Deregulering is een van de kernpunten van het neoliberalisme, dat een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van allerlei problemen de de spreker in dit betoog signaleert, zoals een gebrek aan vertrouwen in de politiek. Toch lijkt de spreker zich hier op te werpen als voorstander van deze deregulering, in het bijzonder waar het ondernemers betreft.
    7. [17-19] De spreker beargumenteert aan de hand van een voorbeeld (Monasch) en een breder principe (vertrekkende partijleden houden hun zetel) waarom de burgers/bevolking de politiek niet meer vertrouwt. Deze analyse mist m.i. de kern van de zaak. Burgers maken zich totaal niet druk over zetelroof, omdat na nieuwe verkiezingen die zetels weer aan reguliere partijen worden toegewezen. De enigen die zich hierover druk maken zijn politici. Dhr Terlouw heeft het zelf meegemaakt, toen in 1976 dhr Govert Nooteboom zijn fractie verliet uit onvrede over de fractiediscipline (zie hier)
      Er zijn vele redenen te noemen waarom de burger zijn vertrouwen in de politiek is kwijtgeraakt, zowel op nationaal niveau als internationaal. Veelgehoorde voorbeelden zijn: de afwikkeling van het Europa-referendum uit 2005, de onvrede over de coalitie van PvdA en VVD. Wat ook niet helpt is, dat het publiek ziet dat veel ex-politici goedbetaalde posities innemen in het bedrijfsleven, waardoor de publieke zaak een opstapje blijkt voor een private carrière.
      Meer abstract is naar voren gebracht dat politici en beleidsmakers (van links tot recht, een enkele uitzondering daargelaten) te zeer delen in de neoliberale ideologie. Dit resulteert o.a. in bezuiningingspolitiek (hier, maar bijvoorbeeld ook in Griekenland en Spanje), afbraak van publieke voorzieningen, belastingstelsels die arbeid steeds meer belasten in verhouding tot vermogen, wat weer resulteert in een groeiende ongelijkheid tussen rijk en arm. Zie hiervoor bijvoorbeeld het werk van Piketty en van Stiglitz.
      Het zetelroof-argument van de spreker maakt ook weinig indruk, omdat het ten eerste niet illegaal is (kamerleden zitten zonder last- of ruggespraak), het ten tweede soms verassend uitpakt (Geert Wilders is ook begonnen als dissidente eenmansfractie, en is in peilingen soms groter dan de partij die hij heeft verlaten.) Ten derde omdat het geen nieuw verschijnsel is: het gebeurde ook al toen Jan Terlouw in de kamer actief was - het kan dus geen verklaring vormen voor het huidige wantrouwen. Ten vierde heeft het enige verwantschap met datgene wat dhr Terlouw zelf heeft gedaan: toen het verkiezingsresultaat in 1982 tegenviel is hij de politiek uitgestapt. Hij was lijsttrekker voor D66. Daarmee solliciteerde hij bij de bevolking naar een positie in de 2de kamer. De bevolking heeft hem dat vertrouwen geschonken (al ging de partij van 17 naar 6 zetels), maar wegens dit tegenvallende resultaat keerde de spreker niet terug in de kamer. Dergelijk gedrag is regelmatig benoemd als kiezersbedrog: je belooft de kiezer om hem te vertegenwoordigen, maar als puntje bij paaltje komt doe je dat toch maar niet. Als zetelroof een valide reden is tot wantrouwen van de burger in de politiek, dan is deze vorm van kiezersbedrog het zeker ook.
    8. [20-22] Terlouw geeft een verklaring voor de uitslag van de presidentsverkiezingen in Amerika. Trump is onfatsoenlijk (hij beledigt mensen) en ontkent de wetenschappelijke inzichten met betrekking tot klimaat. Deze ontkenning is welbewust en tegen beter in, enkel om het eigen politieke belang te dienen. Volgens Terlouw ziet de kiezer ook heel goed dat Trump opzettelijk tegen geaccepteerde kennis in gaat. Dat Trump gekozen wordt ligt enkel aan het feit dat de andere kandidaat (Hillary Clinton) ook niet wordt vertrouwd: als beide kandidaten even onbetrouwbaar zijn, kiest de kiezer de kandidaat die zijn eigen belang (i.e. dat van de betreffende kiezer) het beste dient.
      Deze redenering is moeilijk te volgen. Waarom denkt Terlouw dat Trump de feiten wel kent en accepteert, maar die willens en wetens (in verband met politiek gewin) ontkent? Andere mogelijkheid is, dat Trump er inderdaad niet in gelooft - we kunnen niet in zijn hoofd kijken. Hoe komt het dat de kiezer -ondanks dat hij beseft dat Trump de waarheid negeert of ontkent - op Trump stemt? Een kiezer die alle vertrouwen in de politiek kwijt is, stemt lijkt mij gewoon niet. Blijkbaar had een grote groep meer vertrouwen in Trump dan in Clinton - maar alle kiezers hebben in elk geval nog enig vertrouwen in de politiek als intituut, anders hadden ze zich niet de moeite gestroost om zich te laten registreren en om naar de stembus te gaan. Waarom vertrouwde een groot aantal kiezers Hillary niet? Terlouw komt met een redenering uit het Trump-kamp: ze heulde met de banken en was daar niet open over. De woordkeus geeft al aan dat banken als de vijand worden gezien. Wie heult is daar per definitie niet open over.
      De werkelijkheid is aanzienlijk complexer. Ten eerste heeft niet alleen Trump (naar Nederlandse maatstaven) een weerzinwekkende campagne gevoerd, Hillary kon er ook wat van (basket of deplorables). Ten tweede deed Hillary net zo hard aan het ontkennen van de realiteit: in reactie op Trumps 'make America great again' probeerde ze vol te houden dat America al (of nog steeds) 'great' is. Dat is voor veel kiezers die zichzelf ervaren als slachtoffer van de globalisering duidelijk niet waar. Wie ook maar even kijkt naar de staat van de infrastructuur, de kloof tussen rijk en arm, het begrotingstekort, de criminaliteit en de bevolking in de gevangenissen begrijpt dat er nog best wat te verbeteren valt. Met dit uitgangspunt plaatste HC zich in het verlengde van de bestaande machtsstructuren, de structuren waar veel kiezers teleurgesteld in waren. En dat was waarom ze haar waarschijnlijk niet vertrouwden: de kiezers wilden verandering in plaats van meer van hetzelfde.
    9. [24] Iets soortgelijks voor de Brexit. Politici zeiden: 'Doe het niet' - en de mensen stemden toch voor de Brexit, omdat ze de politici blijkbaar niet geloofden. Ook hier is sprake van twee campagnes, die allebei bol stonden van de leugens en de drogredeneringen. De onmiddellijke ramp die het anti-Brexit kamp voorspelde heeft zich in elk geval niet voorgedaan.
      Het is moeilijk te bevatten wat dhr Terlouw hier eigenlijk bepleit. Het lijkt erop dat hij zegt: als de politici hun oordeel geven (Doe het niet, het is slecht), dan moet de bevolking ze gedachteloos en op hun woord geloven. Argumenten zijn verder niet nodig, de politici weten hoe het zit, en als zij zeggen dat je tegen de Brexit moet stemmen, dan stem je daartegen. (?)
      Overeenkomst tussen de raadplegingen in Engeland en de VS is, dat in beide gevallen het kamp van de zgn. populisten heeft gewonnen, en dit is dhr Terlouw niet welgevallig. In beide gevallen is zijn analyse dat er sprake is van gebrek aan vertrouwen, maar hoe dat zo gekomen is blijft in het midden. In beide gevallen zullen de concrete gevolgen van de volksraadpleging nog moeten blijken, maar Terlouw lijkt al te weten dat de uitkomst slecht zal zijn, in elk geval slechter dan het aangeboden maar verworpen alternatief.
    10. [27, 28] Zonder onderbouwing stelt Terlouw dat het geen technisch probleem is om op een duurzame manier in onze volledige energiebehoefte te voorzien. Als dat echt zo simpel was, was het al lang gebeurd. Het problematische aan deze suggestie is enerzijds het ongeremd vertrouwen in technische oplossingen, en anderzijds de suggestie dat we met behulp daarvan onze levensstijl ongehinderd kunnen voortzetten: de techniek lost het wel voor ons op. Dit is weliswaar geruststellend, maar ook in grote lijnen onjuist. Alle wetenschappers op klimaatconferenties zijn het erover eens, dat het westen iets zal moeten veranderen aan zijn productie- en consumptiepatroon - zonder een dergelijke wijziging zullen klimaatdoelstellingen nooit kunnen worden gehaald. Dit ontkennen (of negeren) is vergelijkbaaar met de welbewuste klimaatontkenning die Trump in een eerdere alinea werd verweten. Ook hier lijkt de motivatie alleen te zijn dat het politiek beter uitkomt om e.e.a. te negeren: de boodschap dat iedereen zijn auto moet laten staan en liefst ook vegetariër moet worden valt immers niet goed bij een breed publiek.
      Meer in detail: waar in [9-12] nog bewustzijn was van 'plastic soep', 'biodiversiteit', 'verschraling van landbouwgrond', 'overbevissing' en CO2, is het probleem nu beperkt tot de winning van elektriciteit. Daarmee zijn de andere problemen niet opgelost, en wordt ook de onderlinge verwevenheid van al deze problemen niet onderkend. Om een simpel voorbeeld te geven: voor onze intensieve veeteeld moeten we veevoer importeren, waarmee we mineralen onttrekken aan de bodem van zuid-Amerika. Vervolgens komen de afvalstoffen in ons milieu terecht en tasten de bodem en het grondwater aan. Uiteindelijk spoelen ze uit naar de zee, en zijn de mineralen verloren voor menselijk gebruik. Dit los je niet op met alternatieve energie, dit vraagt om hervorming (inkrimping) van een hele sector. Dit hangt ook weer samen met westerse gewoonten omtrent vlees-consumptie en met de uitstoot van methaan (broeikasgas) door herkauwers. Kortom: zo simpel als het hier wordt voorgesteld is het allemaal niet. Met enkele simpele technische ingrepen lossen we het complex aan problemen echt niet even op.
    11. [29] De redenering is incompleet en daarom onbegrijpelijk. Het klimaat is geen economisch probleem omdat het werkgelegenheid schept (?). Het is geen economisch probleem omdat de kosten van later ingrijpen hoger zijn dan de kosten van nu ingrijpen (?). Dat laatste impliceert overigens dat er wel degelijk kosten verbonden zijn aan ingrijpen. Bovendien appelleert dit argument aan een hel- en verdoemenis scenario: als we het niet nu doen gaat het ons later veel meer kosten.
      De bespreking van de economie komt er met slechts één zinnetje bekaaid vanaf. Er zijn veel gevestigde belangen (banken, oliemaatschappijen, vervoerssector, chemische industrie, autoindustrie) die een groot financieel nadeel zouden ondervinden bij een radicale energie-transitie. Alleen al hun argument dat het in hun sectoren banen zou kosten lijkt me van sociaal en van economisch belang. Ik geloof niet dat er verder iemand is die ontkent dat er lastige economische vraagstukken zijn verbonden met de milieu-problematiek.
      Over het algemeen geldt immers: duurzaam en verantwoord produceren levert minder winst op. Als dat niet zo was, was iedereen al lang overgestapt naar duurzame en verantwoorde productie. 'Winst' is een economische term, en een belangrijke parameter binnen een kapitalisch productie-proces. Daaruit volgt dat er wel degelijk sprake moet zijn van economische problematiek: in een overgangsfase wordt er minder winst gemaakt.
    12. [30] Blijkbaar zijn er maar drie soorten problemen: technische, economische en politieke. Het milieu is een probleem van de derde categorie, en het kan alleen opgelost worden als mensen weer vertrouwen hebben in de politiek. Punt is alleen dat de politiek, 50 jaar geleden, met een volle lading vertrouwen is begonnen, en dat dat vertrouwen ergens onderweg blijkbaar is zoekgeraakt. Zonder een nauwkeurige analyse van de reden van dit verlies aan vertrouwen kan het ook niet worden hersteld. Waarom moeten de burgers nu opeens de politiek weer gaan vertrouwen? Argumentatie ontbreekt.
    13. [31] Bouwt voort op het voorgaande. De stelling dat mensen worden gekozen om vier jaar te regeren is - in de nederlandse opzet van de parlementaire democratie - onjuist. Verkiezingen zijn er voor de tweede kamer, het orgaan dat de regering controleert. We kiezen geen ministers, en al helemaal niet voor vier jaar.
      Wederom wordt gesignaleerd dat gebrek aan vertrouwen een groot probleem is.
    14. [32] De oplossing voor dit probleem moet worden gezocht in de integriteit van individuele politici. De spreker drukt alle politici, in binnen- en buitenland op het hart om integer en onkreukbaar te zijn, en vooral uit te dragen dat ze er zijn om de publieke zaak te dienen.
      Ten eerste vraag ik me af wat de toestand van het politieke systeem is, als je dit expliciet aan de betrokkenen moet voorhouden. Ten tweede denk ik dat deze oplossing niet afdoende is.
      Het hele concept dat we misschien iets zouden moeten veranderen aan het politieke systeem zelf, dat het systeem zelf wellicht corrumperend werkt - het is bij dezen allemaal buiten beeld. Als alle individuele politici maar doordrongen zijn van hun taak en positie, dan komt het allemaal goed. Volgens Terlouw.
    15. [33] Het slotakkoord: het publieke belang gaat niet alleen over ons (de volwassenen) maar vooral ook over de jeugd. Dit klinkt mij vrij gratuit in de oren uit de mond van een 85-jarige, want één ding is zeker: zijn eigen toekomst is niet in het geding.
  5. commentaar op tekstniveau
    1. Bij oppervlakkige lezing (viewing) is dit een tekst met een hoog feelgood sentiment: oude wijze man, bezorgd om het milieu vertelt ons hoe het allemaal toch nog goed kan komen. Er wordt met weemoed verwezen naar een tijdperk toen alles beter was (de zestiger jaren met de touwtjes uit de brievenbus), toen we elkaar nog vertrouwden. Als we elkaar maar weer net zo vertrouwen als toen, komt het allemaal goed. Als we elkaar wantrouwen komen de populisten aan de macht, en dat moeten we natuurlijk niet hebben. De techniek kan alles voor ons oplossen, als we de politici maar weer de ruimte geven. En (genuanceerd) het gebrek aan vertrouwen is ook nog eens wederzijds: politici vertrouwen de bevolking ook niet, want ze maken allemaal regeltjes. Daar moeten ze mee ophouden, zodat er weer plaats is voor initiatief...
    2. Hoe vaker en hoe beter ik de tekst lees, hoe valser dit sentiment klinkt. De verzuchting van de oude man suggereert dat hij er zelf niets mee te maken heeft, in zijn tijd was het allemaal anders en beter. Ik betwijfel dat. Jan Terlouw was kamerlid van 1971 t/m 1981, hij was minister van EZ in het kabinet van Agt II en III, van 1981-1982. Als minister stond hij in het centrum van de macht. Ter vergelijking: in mei 1979 trad Margareth Thatcher aan in het VK, in januari 1981 Ronald Reagan in de VS. We hebben het dus over de periode dat er een belangrijke verschuiving in het denken omtrent bestuur en wetgeving plaatsvindt. Als liberale, pragmatische partij stond D66 destijds - voor zover ik kan nagaan - zeker niet afwijzend tegen de opkomst van de nieuwe politiek/economische-orde die door deze twee wereldleiders werd uitgedragen. In een interview (20 maart 2016, Volkskrant) laat dhr Terlouw zich kritisch uit over het neo-liberalisme, klaagt hij dat de wereld 'zo verschrikkelijk rechts' is geworden, maar hij stond er zelf bij toen het gebeurde. Op zijn minst kan hem verweten worden dat hij de generatie politici die na hem kwam mede heeft 'opgevoed' in een bepaalde cultuur en traditie, politici waaronder de D66-ers die posten bekleedden in de kabinetten Kok, mede verantwoordelijk voor de privatisering van verschillende bedrijfstakken (energie, openbaar vervoer).
      Nadat hij de Haagse arena had verlaten heeft hij zich 10 jaar vanuit Parijs bezig gehouden met internationaal transport. Ik kan niet beoordelen of hij (vanuit milieu-perspectief) veel voor elkaar heeft gekregen, hard heeft gevochten of juist niet. Hij staat me echter niet op het netvlies als de man die in dit opzicht een enorme hervorming in gang heeft gezet. De transportsector heeft een groot belang bij een (neo-)liberale handelszone, waar de afstand tussen productie en consumptie aanzienlijk kan zijn. Het is ook een sector met een enorm vervuilend potentieel.
      Iets soortgelijks geldt voor zijn positie als commisaris van de koningin in Gelderland. Welke successen hij heeft geboekt (of juist niet) is bij mij niet bekend. Wel is bekend dat hij geen afstand heeft genomen van zijn moeder-partij op het moment dat die het kapitalisme in zijn huidige, neoliberale vorm omarmde en propageerde. Dat maakt dhr Terlouw op zijn minst guilty by association. Van 1999 t/m 2003 was hij lid van de 1ste kamer. Toen waren de milieugevolgen van de toenmalige bestuurscultuur toch al bekend, maar ook toen heeft dhr Terlouw geen afstand genomen van zijn partij.
      Met dit in het achterhoofd laat het betoog zich lezen als een grote apologie: het is weliswaar allemaal gebeurd, het vertrouwen is verdwenen, maar het is buiten hem om gegaan.
    3. Het hoofdthema van de tekst lijkt het begrip 'vertrouwen'. Twee keer wordt er een oorzaak genoemd voor 'gebrek aan vertrouwen': zetelroof [17-19] en (voor Hillary Clinton) 'heulen met de banken' [22]. Daarnaast misschien dat sommige individuele politci niet voldoende uitdragen dat ze onkreukbaar werken voor de publieke zaak [32]
      Dit is natuurlijk geen afdoende verklaring. Bij de bespreking van de zinnen heb ik een aantal veelgehoorde verklaringen genoemd - ze zijn makkelijk aan te vullen.
      In dit kader lijkt de 'oproep tot vertrouwen' [30 - 33] nogal in de lucht te hangen. Waarom zouden we politici opeens weer moeten vertrouwen? Het publiek heeft dat 50 jaar lang gedaan, en is tot de conclusie gekomen dat de wereld er daarmee niet beter of leuker op is geworden. De publieke sector is uitgekleed, een deel van de dagelijkse economische problematiek is terug te voeren op het project van Europese integratie en de invoering van de eenheidsmunt - allemaal dingen waarbij de politici werden vertrouwd en - naar achteraf blijkt - ten onrechte. Bovendien stond de partij van dhr Terlouw daarbij vaak vooraan. Als er één ding ontbreekt in deze tekst/oproep, is het wel de reden waarom het publiek de politici (opnieuw) zou moeten vertrouwen. Enkel het 'vertrouw ons maar, dan komt alles weer goed' voldoet niet. De kiezer heeft dat geprobeerd en hij voelt zich in de steek gelaten. De kiezer heeft daarom de reële verwachting dat hij opnieuw in de steek gelaten zal worden als hij opnieuw zijn vertrouwen schenkt. Het minste wat de politicus kan doen, is vertellen waarom vanaf nu dat vertrouwen niet meer beschaamd zal worden. Hierin voorziet dhr Terlouw niet: het blijft bij een emotionele oproep zonder verdere analyse of onderbouwing.
    4. De wijze waarop de tekst is opgebouwd, waarop thema's worden aangevoerd en behandeld, heeft paradoxaal genoeg populistische trekjes. Paradoxaal, want dhr Terlouw zet zich bij de bespreking van de winst van dhr Trump en van de Brexit juist sterk af tegen de populisten. Toch bedient hij zich van dezelfde retorische technieken, gebruikt hij dezelfde schema's van redeneren. Alle problemen zijn simpel op te lossen, en we moeten ons oriënteren op een verleden toen het nog allemaal mooi en zorgeloos was.
      Alle problemen zijn simpel op te lossen: we hoeven geen kolen/gas/olie te verbranden, we kunnen simpel andere technieken toepassen. Het probleem is niet technisch, niet economisch, nee, het is puur politiek. Dat politieke probleem kan worden opgelost als we - net als in de jaren 60, met de touwtjes uit de brievenbus - onze politici weer vertrouwen, als we ze weer moreel gezag toekennen. Als we dat eenmaal doen dan kunnen zij het, samen met ons, oplossen. We hoeven ons alleen maar achter deze visie van Jan Terlouw te scharen.
      Zo gesteld lijkt het eerder de visie van een verlicht despoot, een goedbedoelende autoritaire vader die weet wat goed is, het kind moet luisteren voor zijn eigen bestwil. Hoe ver staat dit wel niet af van het D66 dat Van Mierlo oprichtte om het bestel te laten ontploffen?
    5. Wat mij het meest verontrust is niet het mogelijk apologetische karakter van deze rede, niet het feit dat het kenmerken draagt van populisme. Wat mij verontrust is, dat e.e.a. niet direct als zodanig wordt herkend. Alle dag- en weekbladen, alle televisieprogramma's, vrijwel alle commentaren op facebook, het buitelt allemaal over elkaar heen hoezeer de rede van Jan Terlouw mensen tot tranen toe raakt en motiveert, hoe hij de spijker op zijn kop slaat.
      Het is zo aantrekkelijk, zo makkelijk, om met een zucht van verlichting achterover te hangen in de bank, en te verzuchten dat de man helemaal gelijk heeft: in de zestiger jaren was alles beter, vertrouwden we elkaar. Als we nou maar gewoon terug konden naar die tijd dat alles goed was...
      Er is weinig verschil met het vals-romantische beeld van de ideale jaren 50, zoals dat de kiezer door sommige andere populisten wordt voorgehouden. En het lijdt aan hetzelfde manco: we kunnen niet terug, en we zouden het ook niet willen. Ook toen was de wereld niet ideaal.

      Iedere politicus die roept dat de antwoorden simpel zijn is het contact met de politieke realiteit kwijt. Iedere politicus die oproept tot onvoorwaardelijk en ongemotiveerd vertrouwen dient stevig te worden ondervraagd, en niet direct te worden aanbeden. Iedere politicus die een betere wereld belooft door terug te grijpen op een mooi verleden (Trump, Farage, Wilders, Terlouw) moeten we juist met wantrouwen tegemoet treden. In die zin spreekt dit betoog zichzelf tegen.

    Bert's werk