Bert's brein

geplaatst: 25-4-2016;

reageer

Boeken kunnen fascineren om verschillende redenen: de stijl kan esthetisch zijn, de inhoud verassend of prikkelend. Dat laatste kan ook weer meerdere vormen aannemen. De publicatie van Bas Jacobs "De prijs van gelijkheid" irriteerde mij mateloos. Het aanvoelen van een vooringenomenheid is één ding, het in de tekst aantonen daarvan iets geheel anders. Bij deze de bedenkingen die ik had bij het lezen van deze tekst. Een boekbespreking met verassende conclusies.

Deconstructie van het boek 'De prijs van gelijkheid' van Bas Jacobs


  1. inleiding
  2. Mijn intellectuele sparring-partner WvdF was erg te spreken over het boek 'De prijs van gelijkheid' (geheel herziene uitgave, 2015) van de Rotterdamse hoogleraar economie Bas Jacobs (BJ). Na vijftig pagina's was ik al van oordeel, dat dit boek sterk ideologisch is gekleurd, ondanks dat de auteur herhaaldelijk beweert dat hij politiek en economie strikt gescheiden houdt. In dit artikel zal ik proberen aan te geven hoe en waarom dit boek een sterke ideologische lading heeft, die weinig tot niets te maken heeft met waardenvrije wetenschap, en alles met politieke voorkeuren en persoonlijke overtuigingen.
    Het betreft een boek van meer dan 300 pagina's, dus een bespreking van zin tot zin, of zelfs van alinea tot alinea is niet haalbaar. In plaats daarvan zal ik een aantal hoofdthema's behandelen, en daarbij gebruik maken van passages uit het gehele boek. Mijn bespreking betreft alleen de hoofdstukken 1 t/m 3 (tot p 88), waarin de auteur zijn model ontvouwt. De latere hoofdstukken geven een nadere toepassing van zijn model, waar het de te verwachten gevolgen van verschillende mogelijke wijzigingen van ons belastingstelsel betreft. Ook heel boeiend, maar niet meer van het grondslagennvieau waar mijn primaire interesse ligt.

  3. hfst 1: inleiding - van de verdeling komt de winst
  4. BJ onderscheidt (p19) voor het ontstaan van inkomensongelijkheid een aantal mogelijke oorzaken:
    1. verschil in inzet (p 19)
    2. verschil in verdientalent (p 20)
    3. verschil in startpositie/ ongelijke kansen (p 21)
    Deze drie licht hij uiterst kort toe, onder verwijzing naar verschillende filosofen. Ik ga de punten na:

    ad 1: inzet
    Gesteld wordt dat bij gelijke verdiencapaciteit een verdubbeling in gewerkte uren leidt naar een verdubbeling in het inkomen. Dit vooronderstelt dat het onder alle omstandigheden mogelijk is om het aantal gewerkte uren naar believen te kiezen. Anders gezegd: BJ veronderstelt hier al, dat de markt ieder aangeboden uur aan arbeidsvermogen ook afneemt. Op p 50 zegt hij dit ook expliciet: Er is geen werkloosheid; alle aangeboden arbeid wordt ook daadwerkelijk gevraagd.
    Dit is niet in overeenstemming met de empirie, en het lijkt me niet een op voorhand realistische aanname. Op dit moment is bijvoorbeeld de (jeugd-)werkloosheid in Spanje en Griekenland extreem hoog, omdat blijkbaar niemand bereid is om te betalen voor de uren van de nu werkloze arbeidsbevolking. Als BJ dit paradigmatisch stelt, zegt hij in feite dat deze mensen ofwel hun arbeid niet aanbieden omdat ze een gebrek aan inzet hebben, ofwel dat ze hun arbeid niet aanbieden omdat ze het geboden loon te laag vinden. In dat geval functioneert de markt blijkbaar niet goed.
    Binnen het marktkapitalisme zoals BJ dat beschrijft is er ook geen enkele logische reden waarom de aangeboden en de gevraagde arbeid op elkaar aansluiten, noch ik kwaliteit, noch in kwantiteit. Het stelt slechts dat de prijs van een goed of dienst op een bepaalde manier tot stand komt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het ligt zelfs niet voor de hand om deze aanname te maken. Het doel van een onderneming is het maken van winst. Arbeid is bij veel ondernemingen een wezenlijke kostenpost. De winst kan vergroot worden door arbeid te mechaniseren of te automatiseren. Dit is in het verleden al veel gebeurd in de landbouw en in de maak-industrie, en het lijkt nu ook te gebeuren in de dienstensector. Anders gezegd: binnen het marktkapitalisme is het ideale product een goed of dienst waar geen mensen en geen materialen aan te pas komen, zoiets als een goed functionerend stuk software, of digitale muziek: als het eenmaal is gemaakt kan het tegen zeer geringe meerkosten eindeloos worden gereproduceerd. Met dit in gedachten ligt het meer voor de hand dat er steeds minder arbeidsvraag is bij voortschrijdende technologie. Als daarbij de bevolking toeneemt, volgt dat er van het door BJ veronderstelde evenwicht geen sprake kan zijn.
    Tweede punt van kritiek is, dat mensen hun inkomen niet ongelimiteerd kunnen verdubbelen door een verdubbeling van hun inzet, simpelweg omdat ieder etmaal niet meer dan 24 uur kent.
    Bovendien is het maar de vraag of men bij een verdubbeling van de uren ook een verdubbeling van productiviteit genereert. Het beeld dat hier wordt neergezet geldt voor simpel productiewerk, zoals brieven bezorgen of garnalen pellen, en alleen als dat werk vrij kort wordt gedaan (zeg: niet meer dan 6 uur per etmaal). Als iemand werkt als chirurg of als programmeur zal zijn werk zeker te lijden hebben als het aantal uren wordt vergroot. Mensen hebben slechts voor een beperkte tijd een volledige concentratie.

    ad 2: verdientalent
    BJ gaat eigenlijk nauwelijks in op het begrip 'verdientalent'. Het gaat om verschillen in aangeboren talenten of capaciteiten, waar niemand wat aan kan doen. Zo geformuleerd is 'verdientalent' een eigenschap van een individu, zoiets als zijn schoenmaat. Anderzijds is de inkomensverdeling bovendien een weerspiegeling van de schaarste op de arbeidsmarkt (...) Op de markt heersen de amorele wetten van vraag en aanbod. Veel meer zegt BJ er hier niet over. Op p 304 merkt hij op dat iemands verdienvermogen hoort tot de private informatie. Deze stellingname neigt naar de schoenmaat-interpretatie.
    M.i. is het concept van 'verdientalent' een modelmatig construct, zonder wezenlijke tegenhanger in de empirie. Het is in die zin vergelijkbaar met 'flogiston', de stof die maakte hoe brandbaar iets was. Verdientalent kan niet genetisch bepaald zijn, want met welk talent verdiend kan worden wisselt van tijdperk tot tijdperk: de briljante programmeur had geen verdientalent in het antieke griekenland. Het 'verdientalent' is ook niet echt stabiel (zoals een schoenmaat), want door scholing - of door migratie - kan het wijzigen. Ook met leeftijd kan verdientalent veranderen, zoals oudere sollicitanten in Nederland kunnen getuigen. Kortom: verdientalent kan niet louter bestaan uit aangeboren talenten of capaciteiten van een individu. Zodra het echter een eigenschap wordt van de interactie tussen individu en markt, voegt het begrip geen verklarende waarde toe aan het model. Het enige wat we dan kunnen zeggen, is dat op iedere moment de hoeveelheid geld die wordt verdiend kleiner of gelijk is aan het verdienvermogen. Kortom: dit klinkt interessant, maar het is niets.
    Als dit begrip algemeen wordt gehanteerd kan dit vrij cynische consequenties hebben. Stel dat iemand een goed betaalde baan kan hebben voor activiteiten die hij immoreel vindt? Mag bij werkeloosheid een sociale dienst dan eisen dat hij/zij dit werk doet? Het verdientalent is immers aanwezig. Kortom: de intellectuele en morele toerusting van een individu kunnen ook van invloed zijn op het 'verdientalent' - en dat zijn geen aangeboren grootheden. Ander voorbeeld: iemand heeft geen betaalde baan, maar wel een auto en een rijbewijs. Mag een sociale dienst dan zeggen dat hij daardoor 'verdientalent' heeft om via Uebertaxi zijn brood te verdienen? In dat geval is ook bezit dus een vorm van verdientalent. En dan nog: iemand kan zoveel verdientalent hebben als hij wil, als het gaat om het verkrijgen van een dienstverband, moet er nog altijd iemand zijn die hem/haar in dienst neemt. Als boven gesteld kan een marktkapitalistisch ingerichte samenleving dat niet garanderen.
    ad 3: ongelijke kansen
    Hier twijfelt BJ tussen twee interpretaties:
    a: Een verschil in verdientalent kan ook worden gezien als ongelijkheid van kansen in het leven wanneer mensen ter wereld komen. Veel talenten liggen namelijk al besloten in de genen. Dit is de biologisch-deterministische verklaring, waar ik in de vorige alinea op in ben gegaan.
    b: Ook de kansen op banen, de toegang tot netwerken en politieke posities zijn vaak beperkter voor mensen uit de lagere sociaal-economische milieus. Door sociaal-economische obstakels belanden mensen met dezelfde talenten en inzet uiteindelijk toch op een andere sport van de economische ladder. Dit is een argument van sociaal-culturele aard, dat niets te maken heeft met genen of talenten of capaciteiten, maar alles met de sociale verhoudingen waarin het individu zich bevindt. Op zich lijkt de constatering me correct, dat mensen met gelijke capaciteiten en gelijke inzet [voor zover dat meetbare en relevante en onafhankelijke grootheden zijn] toch op verschillende maatschappelijke posities komen, met verschillende hoeveelheden aan verdiend inkomen, en dat deze verschillen grofweg correleren met zaken als milieu.
    Opvallend is dat bij deze 3 punten alle aandacht gaat naar ongelijkheid die wordt veroorzaakt door verschillen in inkomsten uit arbeid. Ongelijkheid heeft natuurlijk ook een belangrijke oorzaak in verschillen in kapitaal [en inkomsten uit kapitaal]. Toegepast op de Nederlandse situatie is het zelfs zo, dat de inkomstenongelijkheid relatief gering is, maar de kapitaalsongelijkheid behoorlijk groot. Wellicht valt een verschil in milieu [met de bijbehorende erfenis] voor BJ onder de ongelijke kansen.

    De navolgende paragrafen ('verschillen in capaciteiten' en 'sociale structuren') behandelen niet zozeer oorzaken van of redenen voor ongelijkheid, maar alternatieve filosofisch visies op het omgaan met ongelijkheid. Daarna volgt een paragraaf met de kop 'de opbrengsten van gelijkheid'. BJ stelt hier in essentie dat de keuze om ongelijkheid te compenseren een politiek-filosofische keuze is, en niet een economische. Vervolgens geeft hij zijn eigen filosofische positie, waarbij hij expliciteert dat dit een persoonlijke voorkeur betreft, en dus geen wetenschappelijk inzicht.
    De kop van deze alinea (opbrengsten van gelijkheid) lijkt mij misleidend. Anders dan aangekondigd worden immers niet de opbrengsten van gelijkheid besproken - althans niet in economische zin. Er wordt slechts aangegeven dat de wetenschappelijke economie hier niets over te zeggen heeft. Dat is onjuist. In een studie van de WRR wordt expliciet aandacht besteed aan de economische voordelen van gelijkheid/ de economische nadelen van ongelijkheid. Zie m.n. hoofdstuk 7, waar (figuur 7.1) wordt gekeken naar de wijze waarop ongelijkheid de economische groei remt. De auteur (Went) ziet 4 factoren: 1) onderconsumptie, 2) private schulden, 3) politieke lobby's en 4) onderinvestering in menselijk kapitaal.
    Het is dus niet zo dat de keuze voor gelijkheid enkel een politieke keuze is, het is wel degelijk ook een economische keuze. BJ creëert dus een oneigenlijke tegenstelling tussen economie en ethiek, een tegenstelling die ideologisch geladen is: een vrije markt levert volgens hem een in principe optimale uitkomst op voor alle handelende individuen. Als die (economisch) optimale uitkomst vanuit maatschappelijk (ethisch) oogpunt onwenselijk is, kan en mag een overheid daarop ingrijpen, maar dat gaat - volgens BJ - dan altijd en per definitie ten koste van die economisch optimale uitkomst. Het is dan - wederom gedacht langs de lijnen van BJ - de taak van de econoom om op basis van modellen aan een overheid voor te rekenen wat de gevolgen zijn van ieder mogelijk handelings-alternatief, met het oogmerk om het economisch optimale resultaat van de marktwerking zo min mogelijk te verstoren.
    Later in dit stuk zal ik aangeven dat hierachter een aantal misvattingen schuilt. Deze misvattingen zijn echter niet (allemaal) aan BJ toe te schrijven - het zijn gedeeltelijk ook de misvattingen van het vakgebied zelf.

  5. hfst 2: welvaartseconomie
  6. In dit hoofdstuk wordt een aantal aannames die gelden voor de rest van het boek uitgewerkt. Deze verdienen een bespreking in enig detail.

    BJ kiest als uitgangspunt dat alle waarden in principe te monetariseren zijn (p 30), i.e. uit te drukken in een geldelijke waarde. Hij geeft aan dat een groep orthodoxe economen dit standpunt niet deelt. BJ meent uiteindelijk dat op basis van empirische informatie (en modelmatige aannames) de econoom wel degelijk iets kan zeggen over de totale welvaart van het collectief, en de wijze waarop de verschillende individuen binnen dat collectief gewogen kunnen/moeten worden.

    Bij zijn bespreking van 'De eerste stelling van de welvaartseconomie' wordt het begrip 'Pareto-efficiënt' gedefinieerd (p34): Pareto-efficiëntie betekent dat er geen enkele andere marktuitkomst bestaat waarbij iemand erop vooruit zou kunnen gaan zonder dat een ander erop achteruitgaat door meer handel te drijven. Er wordt daarom net zo lang gehandeld totdat niemand meer vrijwillig iets wil kopen of verkopen.
    Omdat dit efficiëntie-begrip nogal ver staat van het reguliere efficiëntie-begrip, is een nadere toelichting op zijn plaats. Nadere uitleg is te vinden op deze wikipedia-pagina. Omdat het begip in de hele tekst van BJ van belang blijft een kort voorbeeld: Stel: één taart, drie personen. Als iedereen exact 1/3 van de taart krijgt is de verdeling Pareto-efficiënt: niemand kan erop vooruitgaan zonder dat er een ander is die erop achteruit gaat. Maar als twee van de drie personen een halve taart krijgen, en de derde niets, is de verdeling net zo goed Pareto-efficiënt: nog steeds gaat er bij herverdeling minimaal één persoon op achteruit. Alleen als er een stuk van de taart niet is toegewezen, dus als alle drie de personen een kwart van de taart hebben gekregen en er ook nog een kwart van de taart over is, dan is de verdeling niet Pareto-efficiënt (PE). Er zijn enerzijds dus oneindig veel verdelingen PE, en anderzijds is PE conservatief: als bij de huidige verdeling geldt dat hij PE is, hoezeer de verdeling ook onevenredig is, dan wordt herverdelen afgekeurd. PE heeft dus niets te maken met rechtvaardigheid, of met efficiëntie in gebruikelijke zin. PE gaat over de grootte van de taart. De centrale stelling van BJ in dit boek is, dat de taart kleiner wordt t.g.v. herverdeling, en dat daarom belastingheffing (in principe) ingaat tegen de Pareto-efficiency. Er kunnen goede ethische redenen zijn om toch tot herverdeling over te gaan, er zijn keuzes te maken die zo min mogelijk (negatieve) invloed hebben op de grootte van de taart, maar het heffen van belasting is - puur op basis van het verlies van PE - in principe een nadelige ingreep. Meer hierover volgt, maar dit is waarom het begrip zo belangrijk is voor het vervolg van het boek.

    BJ verwijst naar het werk van nobelprijswinnaars Arrow en Debreu. Die hebben bewezen dat: in algemeen evenwicht, waarin alle markten voor alle goederen, diensten en productiefactoren ruimen, de marktuitkomst PE is.
    Om deze conclusie te bereiken, hebben deze auteurs een aantal aannames moeten toen. BJ somt die op en bespreekt ze (p 35 ev) Ik citeer:
    1. volkomen mededinging: Geen van alle parktpartijen heeft marktmacht en iedereen neemt de marktprijzen als gegeven. Er is volkomen mededinging en er zijn geen toedtredingsbarrieres om een markt te betreden.
    2. informatiesymmetrie: Geen van de marktpartijen weet systematisch meer dan een ander. Alle economische beslissingen en eigenschappen van alle marktdeelnemers zijn perfect observeervaar en contracteerbaar.
    3. geen transactiekosten: Het handelen op alle markten is kosteloos. Alle contracten worden nageleefd en zijn perfect afdwingbaar voor de rechter.
    4. geen externe effecten: Alle schade aan derden wordt perfect doorberekend in de prijzen. Feitelijk betekent dit dat alle eigendomsrechten perfect zijn gedefinieerd en iedereen kan eventuele schade altijd kosteloos verhalen.
    5. marktcompleetheid: Voor ieder denkbaar goed bestaat een markt. Dus iedereen kan perfecte verzekeringen afsluiten tegen alle denkbare gebeurtenissen.

    6. Nog afgezien van de vraag of deze lijst compleet is - ik denk dat er impliciet wel meer wordt verondersteld dan dit, zie bijvoorbeeld wikipedia - is het de vraag of deze lijst enigszins realistisch is, en of de lijst geen interne tegenspraken bevat.
      BJ is bijvoorbeeld niet geheel duidelijk over zijn 5de punt (marktcompleetheid) omdat hij dit voornamelijk betrekt om de (markt-)mogelijkheden om te verzekeren tegen onbekende risico's. Als hij echt bedoelt dat er voor alles een markt moet zijn, ondergraaft het beschreven systeem zijn eigen stabiliteit. Er is dan ook een markt voor informatie (bijvoorbeeld: bedrijfsspionage), die in strijd komt met de informatiesymmetrie uit de 2de aanname. Er komt een markt voor politieke beïnvloeding, waardoor een overheid niet meer in staat is om af te dwingen dat de externe effecten worden doorberekend in de prijs (4de aanname), etc. etc.
      De 5de aanname lijkt sowieso een vreemde eend in de bijt. In de aangehaalde wikipedia-pagina kent het geen equivalent. Dat houdt in dat deze aanname niet noodzakelijk is om tot een marktevenwicht te komen. BJ verklaart niet waarom hij deze extra aanname doet, en waar die precies goed voor is.
      Naast de interne consistentie of de stabiliteit van deze samenhangende aannames, is er ook een probleem met de falsificeerbaarheid. Als alles markt is, dan bestaat er geen marktverstoring. Op verschillende plaatsen worden vakbonden expliciet benoemd als een storende factor bij de prijsvorming rond arbeid. Diezelfde vakbond is onder aanname 5 ook te zien als een marktpartij die een dienst aanbiedt, nl. het onderhandelen met partijen die werkgelegenheid aanbieden. Dit onderhandelingsproces wordt daarmee integraal deel van de prijsvorming, en kan daarom niet meer worden gezien als marktverstorend.

      Los van dergelijke bespiegelingen, is het van belang om nader te kijken naar de markt waar BJ het echt over wil hebben, nl. de arbeidsmarkt. In hfst 3 zal hij uitspraken doen over de wijze waarop de prijsvorming rond arbeid reageert op het heffen van belasting door de overheid. M.b.t. arbeid is in elk geval niet voldaan aan het eerste criterium dat BJ geeft: volkomen mededinging. Partijen die tegen betaling hun inzet verkopen (zeg even: arbeiders/werknemers) zijn namelijk niet ten alle tijde vrij om de markt te verlaten, omdat ze dan in hun bestaan worden bedreigd (er is dan geen geld om de huur te betalen of voedsel te kopen). Dit is een van de redenen waarom door meerdere mensen is gesteld, dat arbeid niet als marktwaar benaderd zou moeten worden. Voor BJ is het bestaan van een arbeidsmarkt echter een gegeven. Dat mag, maar het is wel een gegeven dat een specifiek ideologisch signatuur draagt.. Het gegeven wordt in elk geval niet inhoudelijk bevraagd. Sterker nog: de vraag welke goederen/diensten/productiefactoren zich wel en niet lenen tot prijsvorming op basis van marktwerking wordt niet gesteld. Gegeven randvoorwaarde 5 is alles immers (idealiter) onderhevig aan marktwerking.

      Tenslotte nog even aandacht voor de vraag wat Arrow en Debreu nou eigenlijk precies bewezen hebben. Onder de aanname van de perfecte marktwerking, wordt over de hele linie (goederen, diensten, productiefactoren) PE bereikt, d.w.z. dat er geen vergroting van de taart kan plaatsvinden door meer handelen. Wellicht is dat waar voor ieder individueel goed, en voor iedere individuele partij. Daaruit volgt echter niet dat dat voor het collectief ook geldt. Het is niet juist dat het collectief een maximale efficiëntie bereikt als alle handelende partijen maximaal efficiënt zijn. Sterker nog: het is met een eenvoudig gedachten-experiment te bewijzen dat, zelfs onder de bovenstaande aannamen van BJ, het collectief niet PE is, gegeven de definitie.
      Overweeg daartoe het volgende:
      - Aan vrije tijd kent BJ (monetarisering) een waarde toe.
      - In onze huidige westerse samenleving gebruiken producenten reclame om een marktaandeel te verwerven/behouden.
      - Reclame heeft geen enkele inhoudelijk bijdrage aan het te verkopen product.
      - De prijs van de reclame wordt uiteindelijk verrekend in de prijs van het product.
      Als we alle reclame zouden afschaffen (geen internetspotjes, geen advertenties, billboards, televisiereclames, folders etc.) maar tegelijkertijd alle reclamemakers en andere betrokkenen gewoon blijven doorbetalen, en ook exact dezelfde prijzen voor alle producten betalen, dan gaat niemand er (financieel) op achteruit. Het enige wat we van alle betrokken reclamemakers, drukkers en folderbezorgers vragen, is dat ze hun werk niet doen - maar ze worden wel gewoon betaald. In dat geval gaan al deze mensen erop vooruit omdat ze meer vrije tijd krijgen, want vrije tijd heeft (monetaire) waarde. Niemand gaat erop achteruit.
      - Ergo: het huidige systeem (met reclame) is niet PE, want door afzien van handelen (i.e. minder handelen) kunnen er mensen op vooruit gaan, terwijl niemand erop achteruit gaat. Toch is het mogelijk dat iedereen in het huidige systeem zich volstrekt rationeel gedraagt.
      Dit alles is het logische gevolg van het feit dat er in de basisaannamen sprake moet zijn van verschillende aanbieders (i.e. concurrentie: randvoorwaarde 1). Monopolisten maken veel minder reclame, simpelweg omdat zij hun marktaandeel niet hoeven te bevechten. Het gegeven dat er meerdere aanbieders zijn, leidt er automatisch toe dat er recources besteed worden aan reclame, die niets bijdraagt aan het product, maar wel door de klant betaald moet worden. M.a.w.: uit de begincondities volgt al, dat het totaal niet PE kan zijn.
      BJ gaat niet nader in op het werk van de genoemde Nobel-laureaten, maar ik kan mij nauwelijks voorstellen dat zij de schaalstap van PE op actor niveau naar PE op maatschappelijk niveau zonder nadere beperkingen maken. Als boven getoond volgt het één niet uit het ander.

      Het gaat niet aan om hier alle grondslagen van de gevestigde economische wetenschap ter discussie te stellen, maar ik kan in elk geval opmerken dat BJ eerst al zijn condities kort bespreekt, waarbij het duidelijk is dat aan geen van de vijf condities redelijkerwijs is voldaan. Hij concludeert zelf al dat markten verre van perfect zijn (p 39). En dan, op dezelfde pagina, stelt BJ doodleuk: "In de rest van dit boek zal ik in beginsel veronderstellen dat de markt perfect werkt zonder overheidsingrijpen" (sic)
      BJ ontkent/negeert hier wat hij eerder heeft gesignaleerd, nl dat markten niet kunnen werken als niemand kan worden uitgesloten van de baten van goederen, zoals bij het bouwen van een dijk. Ook het gegeven dat voor allerei publieke bezittingen geen zekere eigendomsrechten zijn toegewezen - in zekere zin een andere formulering van het voorgaande punt - waardoor markten niet in staat/bereid zijn om alle externe kosten aan derden door te berekenen in hun product, wordt voor het gemak genegeerd.
      De stelling dat de markt in beginsel perfect werkt zonder overheidsingrijpen, suggereert dat de overheid een belangrijke verstorende factor is op het functioneren van de markt: zonder overheid zou de markt perfect functioneren, maar ja - we hebben nu eenmaal een overheid.
      In dit opzicht is het verhaal van BJ feitelijk inconsistent, en getuigt het niet van een gedegen visie op de overheid. Uit het gegeven voorbeeld van de bouw van dijken (p 39) meen ik te mogen opmaken dat BJ vindt dat de overheid mag/moet ingrijpen op de plaats waar de markt niet functioneert. Ook ziet BJ gevaar voor monopolievorming en machtsmisbruik als politie, justitie en defensie aan de markt zouden worden overgelaten. In deze gevallen ziet hij dus blijkbaar wel een taak voor de overheid.
      Een nuance lijkt me hier wel op zijn plaats. Als er geen overheid bestaat die eigendomsrechten kan garanderen, geen overheid die garant kan staan voor de waarde van het gebruikte geld, geen overheid die monopolievorming verbiedt, dan is het gauw gedaan met 'de markt': partijen die proberen hun winsten te maximaliseren zullen immers zo snel mogelijk de 5 door BJ genoemde randvoorwaarden proberen op te heffen om daar zelf hun voordeel mee te doen - het is juist de overheid die probeert te garanderen dat deze randvoorwaarden worden gerealiseerd of in stand worden gehouden.
      Historisch gezien zijn markten door de overheid gefaciliteerd, en zodra overheden daartoe niet meer bereid of in staat zijn (zoals direct na de val van het westromeinse rijk) dan worden markten zeer kleinschalig tot non-existent. (zie bijvoorbeeld David Graeber, Debt, the first 5000 years). De tegengestelde stelling: "De markt kan niet (perfect) werken zonder overheidsingrijpen" lijkt mij dan ook veel beter te verdedigen dan de stelling van BJ.
      Bovendien is er ruimte voor een veel welwillender visie op de overheid, zelfs binnen het kader van aannames dat BJ eerder dit hoofdstuk heeft gesteld. Als een overheid bijvoorbeeld het gebruik van cadmium als kleurstof verbiedt, is dit te zien als een hinderpaal voor de vrije markt: mensen konden op de vrije markt hun posities optimaliseren door deze kleurstof te gebruiken, nu moeten ze een alternatief vinden dat duurder is (anders hadden ze het alternatief al wel eerder gebruikt), waardoor het product duurder wordt; daardoor daalt de marginale meerwaarde voor de consument, en zal die dus minder eenheden product kopen. M.a.w.: de markt raakt verstoord door de overheid. Een dergelijk verhaal past goed in de visie van BJ. De alternatieve visie is, dat de producent die cadmium gebruikt niet alle externe kosten in zijn product had verwerkt. De aanname dat alle externaliteiten in de prijs zijn verwerkt is simpelweg niet (altijd) correct. Dat de producent zoveel mogelijk vermijdt de externaliteiten te verrekenen is logisch, gegeven de concurrentie die inherent is aan de marktwerking, en gegeven de doelstelling van een bedrijf om winst te maken. Door het gebruik van cadmium te verbieden (of extreem hoog te belasten, het effect is hetzelfde) herstelt de overheid dus deze marktverstorende factor. M.a.w. uit zichzelf zoekt de markt juist een verstoorde positie op, omdat zij altijd zal proberen externe kosten niet in het product te laten doorwerken, en de overheid heeft een functie in het herstellen van het 'ware' marktevenwicht. Door simpleweg te stellen dat aan alle randvoorwaarden is voldaan veegt de econoom a.h.w. het probleem onder het vloerkleed: inderdaad, als aan alle voorwaarden is voldaan zoekt de markt een evenwicht, en het is mogelijk om dat evenwicht als ideaal te karakteriseren. Het probleem is juist dat niet altijd aan de voorwaarden is voldaan, en dat er altijd actief handelen door de overheid nodig is om die voorwaarden de creëren of te behouden. Uit zichzelf zullen actoren op de markt namelijk altijd proberen voordeel te behalen door de randvoorwaarden te saboteren.
      Beide visies [overheid als hersteller van het ideale evenwicht versus de overheid als verstoorder van het ideale evenwicht] zijn in principe even valide, want wat het 'ware' marktevenwicht zou zijn als aan alle 5 genoemde voorwaarden zou zijn voldaan, dat weet niemand. Toch kiest BJ, ongemotiveerd, de positie dat de overheid in principe marktverstorend is, en dat de markt zonder overheidsingrijpen in principe perfect werkt.
      Let wel: het cadmium-verhaal is te houden voor allerlei aspecten van de interactie tussen overheid en markt, dus ook voor bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. Het is op zijn minst denkbaar dat de 'werkgever' gebruik maakt van het feit dat werknemers niet in een positie zijn om structureel, collectief en langdurig hun arbeid aan de 'werkgever' te onthouden, omdat ze daardoor niet langer zouden kunnen voorzien in hun basisbehoeften. Werkgevers kunnen daardoor een te lage (dus: niet-marktconforme) prijs voor arbeid bedingen. De overheid zou in staat zijn om d.m.v. belasting (aan werkgeverszijde) deze verstoring te herstellen. In deze visie is ook het optreden van een vakbond die hogere lonen/betere arbeidsvoorwaarden bedingt niet markt-verstorend maar markt-herstellend.
      Vanaf p 40 geeft BJ een nadere invulling aan het te hanteren begrippenapparaat.
      Doelmatigheid betekent slechts dat alle prijzen correct de schaarste weerspiegelen van alle goederen die worden verhandeld. Achterliggend blijft de gedachte dat de markt, mits de overheid niet ingrijpt, perfect werkt en dus 'doelmatig' is. Doelmatig is (wikipedia) een ander woord voor 'efficiënt'. Het gebruik van dit woord valt echter niet volledig samen met Pareto-efficiënt. Efficiëntie zegt iets over de relatie tussen gebruikte middelen en gerealiseerde doelen. Iets is efficiënt als bij een gegeven doel zo min mogelijk middelen zijn gebruikt, of als - bij gegeven middelen - zoveel mogelijk doelen zijn bereikt.
      Het doelmatigheidsbegrip dat BJ hier definieert, valt zeker niet samen met Pareto-efficiency. Immers: het is denkbaar dat er één optimum bestaat waarbij maximale doelen worden gehaald gegeven beperkte middelen. Eventueel bestaan er een aantal gelijkwaardige optima en/of een aantal stabiele sub-optimale toestanden. Dit betreft echter doorgaans een telbaar aantal mogelijkheden. Er bestaan echter altijd oneindig veel Pareto-efficiënte toestanden, en voor lang niet al die toestanden hoeft te gelden dat de prijs een weerspiegeling is van de de schaarste. Het doelmatigheidsbegrip van BJ sluit ook niet aan bij het algemeen geldende begrip van doelmatigheid als boven geschetst. Het is vanuit het oogpunt van een samenleving met beperkte middelen van belang om met die middelen (kwantitatief en kwalitatief) zoveel mogelijk doelen te bereiken. Doelmatigheid is in die zin nastrevenswaardig. Die doelen zullen doorgaans bestaan uit dingen als algemene toegang tot zorg, onderwijs en recht, interne en externe veiligheid, voedselzekerheid etc. Het valt te betwijfelen of alles daarbij kan/moet worden gemonetariseerd, en of de prijs daarbij altijd een weergave moet zijn van schaarste. Ook het omgekeerde geldt niet noodzakelijkerwijs: als voor alle goederen en diensten de prijs een weergave is van de schaarste, garandeert dat niet dat alle middelen zodanig worden ingezet dat er maximale doelen worden gerealiseerd. Mijns inziens ´kaapt´ de economie van BJ hier een begrip, en geeft er een beperkte en oneigenlijke invulling aan. Het marktkapitalisme dat hij schetst is immers juist bekend om zijn verspilling van materialen en menskracht, en dus helemaal niet doelmatig in de gebruikelijke zin van het woord.
      Nergens is beargumenteerd dat markten efficiënt zijn (ja, Pareto-efficiënt, maar dat staat niet voor een optimum, maar voor een conserverende stabiliteit). Boven is al beargumenteerd dat efficiëncy op individueel niveau niet noodzakelijkerwijs leidt naar efficiëncy op collectief niveau. Maar er is nog een tweede vooronderstelling die niet is geëxpliciteerd en die vermoedelijk niet waar is. Er wordt verondersteld dat er slechts één optimaal niveau van efficiëncy bestaat, en dat dat door de markt bereikt zal worden. De markt zou als het ware op eigen kracht de weg vinden van een lokaal sub-optimum naar het absolute optimum. Om dit te betwisten maak ik wederom gebruik van een gedachtenexperiment:
      Denk aan tsaristisch Rusland, 1850. De economie is feodaal/agrarisch. Als de markt onbelemmerd zijn werk kan doen, komt er een bepaald evenwicht tot stand. Bij dat evenwicht zijn er welbepaalde prijzen voor arbeid, producten, kapitaal, productiemiddelen etc. De vraag is is: is dit het optimum. Als er een instantie zou zijn (bijvoorbeeld: de overheid) die e.e.a. kan omvormen tot een kapitalistisch/industriële samenleving ontstaat er ook een evenwicht. Het is een gedachteneperiment, dus ik kan alleen vermoedens uiten. Ik vermoed dat dit andere evenwicht op een hoger niveau ligt, met meer nut voor alle partijen. Ik vermoed ook dat dit hogere evenwicht niet bereikt wordt als de markt zijn eigen weg gaat - industrialisatie is bij mijn weten altijd tot stand gekomen in samenwerking met (en vaak zelfs met enige sturende dwang van) de overheid. Met andere woorden: hoeveel schaarste er is hangt af van veel zaken, en ligt niet op voorhand vast. Doelmatigheid als 'weergave van schaarste' zegt nog niets over het totaal gerealiseerde nut.
      BJ werkt zijn doelmatigheidsbegrip uit voor 'arbeid', 'kapitaal' en 'consumptiegoederen'. In die zin lijkt het woord zelf sterk verbonden met het markt-begrip, zo sterk dat het bijna synoniem wordt. De vraag in hoeverre 'arbeid' en 'kapitaal' moeten worden gevat in termen van 'markt', en in hoeverre dan aan de vereiste randvoorwaarden is voldaan, blijft geheel buiten beeld. Daarbij is de voorstelling van zaken wel erg simplistisch: De rente die mensen ontvangen op hun spaargeld en hun pensioenvermogen geeft aan hoe schaars kapitaal is. Dit suggereert dat alle beschikbare kapitaal zou te zijn terug te voeren op spaargeld. Dat is al eeuwen niet meer het geval: banken creëren tegelijkertijd vermogen en schuld, daar hoeft niemand voor te sparen. Rente wordt niet gezien als vergoeding voor schaarste, maar als vergoeding voor risico. Op al deze aspecten is zeer fundamentele kritiek mogelijk, maar BJ gaat eraan voorbij. Hij stelt dat het zo is, het lijkt bij eerste lezing wel aannemelijk, en dan gaat het betoog verder met iets anders.

      Onder de volgende tussenkop 'De afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid' gaat BJ nader in op zijn kerndilemma, de strijd tussen economie en ethiek. Zoals boven aangegeven is dit een vals dilemma. Ten eerste heeft rechtvaardigheid wel degelijk een economische component, waardoor het ook zou kunnen leiden tot een hogere doelmatigheid. Ten tweede is de doelmatigheid die BJ van de markt verwacht volkomen fictief, omdat hij niet weet welke marktverstorende elementen zijn opgetreden. Als boven uitgelegd zullen bedrijven proberen zoveel mogelijk te tornen aan de randvoorwaarden voor de markt, omdat er dan concurrentievoordeel te behalen valt. Dit tornen kan heel goed leiden naar onrechtvaardigheid. In dat geval loopt het herstellen van rechtvaardigheid dus gelijk op met het herstellen van doelmatigheid van een perfect functionerende markt. Wederom blijkt dat doelmatigheid versus rechtvaardigheid een schijndilemma is: er wordt niet noodzakelijkerwijs iets afgeruild. Met hetzelfde gemak zou de kop kunnen luiden: 'het bereiken van doelmatigheid door middel van rechtvaardigheid'.

      Aan het slot van dit hoofdstuk wordt nog even aandacht besteed aan de kritiek op de welvaartseconomie door de gedragseconomie. Vanuit deze richting wordt het mensbeeld dat vele gevestigde economen, waaronder BJ, hanteren bekritiseerd als onrealistisch. BJ signaleert de kritiek en legt die naast zich neer: In de rest van dit boek zal ik daarom aannemen dat mensen zich gedragen als rationele individuen met individualistische voorkeuren. De vraag is natuurlijke wat die 'rationaliteit' dan precies behelst. Voor BJ is dat het optimaliseren van nut, waarbij een afweging gemaakt tussen bijvoorbeeld de opbrengsten van een uur extra werken versus de kosten omdat dat uur niet aan zorg of vrije tijd kan worden besteed. Hij zegt hierover (in het volgende hoofdstuk): Mensen kiezen hoeveel ze willen werken zodanig dat de private opbrengsten - het nettoloon - gelijk worden aan de private kosten van werk - de waarde van opgeofferde vrije tijd, huishoudproductie en zorg. Het is juist deze een-dimensionele vorm van rationaliteit die door allerlei economen, psychologen, antropologen en sociologen is bestreden. M.a.w.: het maken van een louter gemonetariseerde keuze is volgens velen niet rationeel. Het impliceert een mensbeeld dat bestreden is door (om er maar een paar te noemen) Herbert Simon [er zijn ook kosten verbonden aan het maken van de afweging zelf], Tversky en Kahneman [mensen kunnen als het erop aan komt eigenlijk niet rekenen, dus waar mogelijk gebruiken ze vuistregels], Amartya Sen [sociale factoren moeten een rol spelen, en doen dat ook].
      De keuze voor deze ondersoort van de homo economicus zoals BJ die ziet, zal sterk doorwerken in het model dat hij in de navolgende hoofdstukken presenteert.

    7. hfst 3: Het mysterie van het dood gewicht en de prijs van gelijkheid
    8. In dit hoofdstuk legt BJ de hoofdlijnen van zijn model uit, aan de hand van een illustratie:
      grafiek Bas Jacobs
      Op de assen zijn de dimensies niet aangegeven. Op de x-as staat het aantal uren dat door werkgevers wordt aangeboden. Op de y-as staat het (netto-) geld per uur. Daaruit volgt dat de dimensie van een oppervlakte in de figuur puur geld is (in Europa uitgedrukt in euro). De assen zijn niet genormaliseerd of voorzien van een schaal, ze snijden elkaar niet (noodzakelijkerwijs) op de 0-waarden in de oorsprong.
      Ik begrijp dat weergave in een publieksboek met zich mee kan brengen dat e.e.a. vereenvoudigd wordt weergegeven. De vereenvoudiging in deze figuur is echter voor discussie vatbaar. Arbeidsvraag en Arbeidsaanbod zijn continu dalend resp. stijgend. Voor beide is een lineair verband gegeven in de figuur. Bij een lineaire schaal op de assen is dit ongeloofwaardig of regelrecht onjuist. Dat de schaalverdeling (zowel op de x-as als op de y-as) lineair moet zijn volgt uit de berekening van de oppervlakte van een driehoek in een hiervan afgeleide grafiek (p 54 - 55) als basis x halve hoogte: dit geldt alleen bij een lineaire schaal.
      Dat arbeidsvraag en arbeidsaanbod onmogelijk een rechte kunnen zijn bij een lineaire schaal is als volgt in te zien:
      Stel dat de eigenaar van Hoog Catharijne (Corio) schoonmakers zoekt. Zij biedt € 100.000.000 per uur. In dit geval solliciteert heel nederland: ook hoogopgeleiden en mensen met aanzienlijke fucties willen dat werk wel doen voor het genoemde uurloon. Corio gaat pas contracten aan op het moment dat er evenveel sollicitanten zijn als arbeidsplaatsen. Om het aantal sollicitanten te reduceren gaat de uurprijs omlaag. Een lineaire curve voorspelt dat er voor iedere € 10.000 die per uur minder wordt geboden, er een vast aantal sollicitanten afvalt. Ik voorspel dat dit niet het geval is. Tot een bedrag van € 100.000 per uur zal het aantal sollicitanten niet af nauwelijks afnemen. De sterkste daling zal plaatsvinden tussen € 50,- en € 5, - per uur. Onder het bedrag van het minimumloon wordt het aanbod 0. Ergo: het is onwaarschijnlijk dat deze curve lineair is. BJ zal aannemelijk moeten maken dat die curve in het relvante deel (bij benadering) lineair is. Deze stap ontbreekt.
      In de tekst wordt uitelegd dat het consumentensurplus wordt weergegeven met de oppervlakte van de driehoek OBE; het producentensurplus bedraagt ABE; [p 51]De totale stijging van de welvaart door het kunnen handelen in de arbeidsmarkt is gegeven door de som van het consumenten- en producentensurplus. Het is gelijk aan de oppervlakte OAE.
      De consequentie van deze interpretatie is, dat een zo groot mogelijke stijging van de welvaart wordt bereikt door een punt E dat zover mogelijk naar rechts ligt op dat lijn van de Arbeidsvraag: in dat geval wordt de oppervlakte van OAE maximaal. Bij een dergelijk punt naderen de lonen naar 0, en worden er tegen dat lage tarief heel veel uren gewerkt. Het consumentesurplus daalt dan, maar het producentensurplus stijgt harder. Binnen het model dat BJ hanteert wordt de hoogste welvaart dus bereikt bij veel uren van zeer lage lonen, bij een maximaal producentensurplus en een minimaal consumentensurplus. De lezer - die vermoedelijk voorstander is van een zo hoog mogelijke totale welvaart - wordt daarmee direct in een werkgeversperspectief geplaatst.
      De rechthoek OBEl staat voor de totaal uitgekeerde loonsom. In een genormaliseerde grafiek zou gelden dat de totale loonsom maximaal is, als OB = Ol. Het ideale geval (maximale stijging van de welvaart) wordt echter bereikt bij Ol is maximaal, waarbij OB nadert tot 0: volgens deze grafiek wordt dus maximale welvaart bereikt bij geen loon. Ook dit zou ik als een werkgevers standpunt beschouwen. Het lijkt me moeilijk vol te houden dat deze afbeelding nog over neutrale wetenschap gaat. Het lijkt me ook evident dat een dergelijke opvatting van maximale welvaart niet alleen ethisch discutabel is (geen loon + veel uren = slavernij), maar vooral ook economisch niet valide: als niemand meer geld verdient met arbeid [de lonen zijn 0] wordt er niet geconsumeerd door mensen die enkel inkomsten hebben uit arbeid. Het overgrote deel van de vraag stort in, en de economie valt stil. Als dit de logische consequentie is van een model, is er hoogstwaarschijnlijk iets mis met het model. Een ondernemer als Henry Ford gaf juist meer loon aan zijn werknemers dan strikt noodzakelijk, juist opdat ze zijn producten konden consumeren. Dit lijkt een werkbaarder visie, maar strikt genomen is het in tegenspraak met wat BJ in dit boek bepleit.
      Het is m.i. tekenend dat de waarde voor E in de grafiek zoals weergegeven dicht ligt bij de E-waarde die een maximale omzet weergeeft (OB = Ol). Dat is retorica met plaatjes.

      De figuur dient om een argumentatie te ondersteunen. De argumentatie luidt als volgt. Het punt E representeert een ideaal en niet kenbaar punt van het marktevenwicht dat wordt bereikt als er geen belasting wordt geheven door de overheid.
      Punt E is noodzakelijkerwijs fictief, omdat de randvoorwaarden voor het functioneren van markten - de eerder genoemde 5 punten - vooronderstellen dat er een overheid is die die punten creëert en handhaaft. Die overheid is niet gratis (kan ook niet, want alles is markt), dus er moet belasting worden geheven. Punt E, waarbij de markt een evenwicht bereikt zonder dat er belasting wordt geheven, kan dus niet bestaan: zonder belasting geen overheid, zonder overheid geen markt.
      Punt F representeert het evenwicht dat wordt bereikt als de overheid belasting heft van percentage t (op werk). Omdat mensen zich bij hun keuze voor het aantal uren dat zij werken laten leiden door het netto-loon, neemt het aantal uren dat men bereid is te werken af - het netto loon wordt immers minder t.g.v. belastingheffing. Er worden dus minder uren arbeid aangeboden aan de werknemerszijde. Marktwerking dicteert nu dat het uurloon moet stijgen totdat een nieuw evenwicht wordt bereikt op F. Als de overheid de geïnde belastingsom herverdeelt heeft dat op zich geen welvaartseffect voor het totaal. De welvaart voor producenten neemt af van OBE naar ACF; de welvaart voor consumenten neemt af van OBE naar ODG; de totale welvaart neemt af met EFG (het driehoekje van Harberger). Gesteld in de termen van de inleidende hoofdstukken: met het evenwicht op E - het evenwicht dat de markt zou bereiken als er geen belasting werd geheven - wordt maximale doelmatigheid bereikt. Bij het nieuwe evenwicht op F is de doelmatigheid niet maximaal. Er treedt een welvaartsverlies op ter grootte van de driehoek, oftewel: de taart wordt kleiner. Dit verwijst naar de eerder uitgelegde Pareto-efficiency. Het lijkt erop dat Pareto-Efficiency hier gelijk wordt gesteld met doelmatigheid als door BJ gedefinieerd.

      Om tot deze uitleg te komen, heeft BJ nog een extra vooronderstelling gedaan (p 50), nl. Er is geen werkloosheid; alle aangeboden arbeid wordt ook daadwerkelijk gevraagd. Dit stelt hem in staat om een 1ste-orde effect te negeren. Het herverdeelde geld wordt immers (gegeven de inleiding) herverdeeld van rijk naar arm. Armen kunnen/willen minder sparen dan rijken, dus zij zullen, meer dan de rijken, het herverdeelde geld aanwenden voor consumptie. Meer consumptie valt samen met meer vraag: er moet meer worden geproduceerd, en daartoe nemen werkgevers meer arbeidskrachten in dienst - de economie groeit. Door zijn aanname snijdt BJ deze weg min of meer af: er is niemand extra om in dienst te nemen, want iedereen had al werk. [Maar wellicht gaat BJ ervan uit, dat er een vooralsnog onzichtbare groep mensen is die geen werk aanbiedt bij het geboden uurloon. Als de vraag naar consumptiegoederen toeneemt, neemt de vraag naar arbeid toe - de prijs van arbeid zal stijgen en deze onzichtbare groep vindt het opeens wel interessant genoeg om te solliciteren. Langs dit mechanisme zou het 1ste orde effect weer binnen kunnen komen in het marktmechanisme. Blijft de vraag waarom BJ ervan uitgaat dat belastinggeld a.h.w. 'onttrokken' is aan het systeem: de overheid geeft het geld altijd uit aan mensen, en mensen consumeren. Ook is het de vraag hoe je deze ontwikkeling zou moeten plaatsen in de figuur: de vraag naar arbeid neemt nu toe omdat er meer wordt geconsumeerd, niet omdat de prijs van arbeid is veranderd. De arbeidsvraag-lijn wordt in zijn geheel omhoog getrokken.]
      Met deze extra aanname (geen werkloosheid) zet BJ de beroemde econoom Keynes op afstand, die juist (via multipliers) stelt dat door de groei van de economie er minder herverdeeld hoeft te worden (meer mensen hebben werk) en er meer belastinginkomsten worden geïnd (zelfde reden). Daardoor kan het belastingtarief omlaag, en kan F zich in de richting van E bewegen.

      BJ geeft een uitleg in de psychologische termen die bij zijn mensbeeld horen: er vindt een afweging plaats tussen de opbrengsten van een uur arbeid versus de kosten die dat uur meebrengt wegens verlies aan zorgtaken etc. Ik zal laten zien dat een ander idee over menselijke motivatie kan leiden naar een tegengestelde economische conclusie.
      Stel dat mensen niet functioneren als de variant van de homo-economicus die BJ aanhangt. Stel dat er een groep mensen bestaat die simpelweg doorwerkt binnen kleine en slechtbetaalde baantjes, totdat ze voor zichzelf een aanvaardbaar minimum-inkomen bij elkaar hebben geharkt. Dergelijke groepen van werkende armen (het precariaat) zijn bekend in Duitsland en in de VS - het is geen fictie mijnerzijds. Wat doet een dergelijke groep als de inkomstenbelasting wordt verhoogd, waardoor hun netto uurloon afneemt? Gegeven hun doelstelling zullen ze meer uren moeten gaan werken om hen 'target' te halen - ze moeten er  nog een baantje bij zoeken. Nu gebeurt dus precies het tegendeel van wat BJ beweert: er worden door werknemers meer uren aangeboden, de evenwichtsprijs gaat omlaag en komt dus rechts van E terecht.
      Het gaat mij er niet om of mijn voorstelling van het precariaat en zijn gedrag correct is, het gaat mij erom dat het model van BJ erg gevoelig is voor aannames over menselijke motivatie, en dat de aannames die hij doet niet erg voor de hand liggend zijn. In dat geval moeten zijn conclusies en aanbevelingen ook uiterst kritisch worden bekeken.
      Een ander aspect hiervan is, dat hij vooronderstelt dat de wijze waarop mensen beslissen over hun aantal uren arbeid voor iedereen op dezelfde wijze wordt genomen. In een later hoofdstuk geeft hij aan, dat mensen met inkomsten uit kapitaal toch andere beslissingen nemen. M.a.w.: hier kan sprake zijn van stratificatie naar sociale positie, en dan is het simpele beslismodel dat BJ hanteert voor de hele bevolking een onacceptabele vereenvoudiging.

      Een minstens zo groot probleem is te vinden in het model van de arbeidsmarkt dat BJ hanteert, als een vorm van directe onderhandeling tussen vraag en aanbod. Zoals hij zelf eerder signaleerde, is de markt niet altijd perfect; er kan een taak voor de overheid liggen om voorzieningen te treffen waarin de markt niet kan voorzien. Te denken valt dan ( BJ noemde ze zelf al) dijken (infrastructuur), politie en justitie. In Nederland valt ook een groot deel van de financiering van zorg en onderwijs onder de taken van de overheid. Taken van de overheid zijn (per definitie) geen taken van de markt. De relatie tussen de vragers van onderwijs of zorg enerzijds en de verschaffers van onderwijs en zorg anderzijds vindt dan ook (behoudens bij private scholen en klinieken) niet plaats via het mechanisme van vraag en aanbod. De hoeveelheid geboden onderwijs/zorg wordt voornamelijk bepaald door het beschikbare budget.
      Op het moment dat de belasting nadert naar 0 [het ideale geval volgens BJ, in elk geval vanuit economisch standpunt], naderen de budgetten voor onderwijs en zorg (maar ook voor infrastructuur en justitie) ook naar 0. Dit leidt naar gebrekkig onderwijs met tegelijkertijd werkloos thuiszittende docenten, dit leidt naar gebrekkige zorg met tegelijkertijd werkloos thuiszittende zorgverleners. Dit is een situatie die nu ook in Nederland aan het ontstaan is, onder invloed van het beleid van de laatste paar kabinetten van overwegend rechtse signatuur. Hier zien we de negatieve kant van Keynes multiplier-effecten: de mensen die niet werken hebben onvoldoende inkomsten, wat leidt tot vraaguitval en krimp. M.a.w. datgene wat BJ als econnomisch ideaal schetst, is zeer dysfunctioneel in de ogen van een Keynesiaans econoom. Volgens BJ zou de markt de uren die zij aanbieden wel afnemen, maar hij vertelt er niet bij hoe of waarom - en in praktijk gebeurt het ook niet.

      Vanaf p 55 gaat BJ rekenen met zijn model. Dit is niet de plaats om alle stappen na te gaan: lees het boek en oordeel zelf. Uiteindelijk komt BJ tot een zeer concrete conclusie (p 60): (...) de private sector offert aan de marge 38 eurocent aan welvaart op om 1 euro te herverdelen. 38 procent welvaartsverlies voor de laatst herverdeelde euro, dat is de prijs van gelijkheid. En het is - vind ik - best een hoog bedrag. Vanaf daar legt hij uit hoe die 38 cent alleen betrekking heeft op de laatste euro, het gemiddelde over de hele belasting bedraagt 8 cent.
      Echter: wat BJ heeft uitgerekend is niet het welvaartsverlies als gevolg van herverdeling, het is het welvaartsverlies als gevolg van belastingheffing. Het zou pas de prijs van herverdeling zijn, als alle belastinginkomsten werden gebruikt voor herverdeling, het is pas de prijs van gelijkheid als er alleen herverdeling van rijk naar arm plaatsvindt.
      Aan deze twee voorwaarden is niet voldaan. De overheid doet wel meer dan inkomstenbelasting heffen bij de rijken, en dat herverdelen naar de armen d.m.v. uitkeringen, huursubsidies, AOW etc. Van dat geld worden ook dijken gebouwd, politie en justitie betaald, onderwijzers en ziekenhuizen ingehuurd en nog wel een paar dingen. BJ weet dat ook wel. In zijn woord vooraf schrijft hij: De overheid int in 2015 voor 247 miljard euro aan belastingen en premies. Dat is 38% van het bbp. (...) Uit al die belastingmiddelen worden omvangrijke overheidsvoorzieningeng betaald. Denk aan sociale zekerheid, onderwijs, gezondheidszorg, politie, justitie, infrastructuur, cultuur, en ga zo maar door. De herverdeling vindt niet noodzakelijkerwijs plaats van rijk naar arm; het CPB zegt hierover in de genoemde publicatie: De toenemende loonongelijkheid die op de arbeidsmarkt is ontstaan, wordt in Nederland aanzienlijk gedempt door belastingheffing, toeslagen en sociale zekerheid. Deze redistributie gebeurt, zoals gezegd, minder voor de beroepsbevolking; de herverdeling onder (en naar) gepensioneerden is groter. Er is dus niet alleen, en zelfs niet voornamelijk, sprake van herverdeling van arm naar rijk, maar meer van jong naar oud - de inkomsten gedurende het werkzame leven worden uitgesmeerd over een langere periode middels AOW en pensioen. Daarbij is in het verleden vaak geprobeerd om de koopkracht te behouden: degenen met een hoog inkomen krijgen een hoog pensioen. Er is dus in elk geval ook sprake van redistributie van rijk naar rijk, door de tijd heen. Dit valt niet samen met het 'gelijkheidsbegrip' dat eerder in dit boek is uitgewerkt.

      De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat BJ bij de verdere bespreking van zijn model wel aandacht besteedt aan sommige punten van mijn kritiek. De kritiek wordt echter niet weerlegd, want BJ blijft denken binnen de termen en aannames van het gepresenteerde model. Op p 73 e.v. gaat hij in op de mogelijkheid van een verstoorde arbeidsmarkt. De oorzaken die hij daarvoor benoemt zijn 'gedrag van vakbonden en werkgevers' en 'zoekfricties', met als gevolg onvrijwillige werkloosheid. Hij komt tot de conclusie dat een arbeidsmarktverstoring werkt als een impliciete belasting op werk. In een verstoorde arbeidsmarkt brengt belastingheffing (nog) meer schade aan. Hieraan geeft hij direct een wiskundige invulling.

    9. conclusies en afsluitende opmerkingen
    10. Het model dat BJ ontvouwt is gebaseerd op aannames die zeer aanvechtbaar zijn; de aannames getuigen van een onvoorwaardelijk (en onberedeneerd) geloof in marktwerking, en een zekere afkeer van overheidsingrijpen. Dit zijn kenmerken van een politiek die doorgaans met de Chicago school of economics in verband worden gebracht. Het doet nog het meest denken aan mensen als Hayek en Friedman. Gekende volgers van deze economische school zijn Thatcher en Reagan, mensen met een uitgesproken rechts signatuur. Inmiddels heerst er een brede consensus dat de beleidslijnen die door hun regeringen zijn uitgezet een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de crisis van 2008. Het gaat dan om (VS) het afschaffen van een deel van de regelgeving rond het bankwezen, en (GB) het afbreken van de macht van de vakbonden, tesamen met het opbouwen van een extreem grote sector van financiële dienstverlening. BJ is m.i. een duidelijke vertegenwoordiger van de neoklassieke theorie binnen de economie. De kritiek die ik op zijn boek heb gegeven komt in grote lijnen overeen met de kritiek die anderen op deze theorie geven. Ik citeer wikipedia: De neoklassieke economie wordt soms bekritiseerd omdat zij een normatieve vooringenomenheid zou hebben. In deze visie zou de neoklassieke economie zich niet richten op het verklaren van de werkelijke economieën, maar in plaats daarvan een "utopie" beschrijven waarin Pareto-optimaliteit van toepassing is. (...) Voor een bespreking van het utopische karakter van het onbeperkt vrije-markt denken, kan ik verwijzen naar Hans Achterhuis: De utopie van de vrije markt.
      Geeft BJ een waardenvrije, politiek neutrale, stand van de wetenschap? Mijns inziens niet. Alleen al het negeren van alle andere economische denkrichtingen, met name Keynes maar er zijn zo tien andere te noemen [zie hiervoor: Irene van Staveren, Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest]. Zoals ik heb aangegeven, is zijn presentatie van de feiten soms ronduit misleidend: de conclusie dat de 'prijs van gelijkheid' 38 cent per euro zou zijn, is echt onjuist, zelfs binnen zijn eigen theoretisch kader. Dit valt wat mij betreft onder de manipulatieve bangmakerij, en het is in academische zin dan ook niet goed te praten. Wat in BJ's boek wel te prijzen valt, is dat de aannames in elk geval door de tekst heen worden geëxpliciteerd. Dat stelt mij als lezer in elk geval in staat om deze aannames te betwisten.
      In de rest van het boek ontpopt BJ zich overigens ook als een klassiek liberaal, die tegenstander is van onverdiend inkomen: wat hem betreft zou arbeid de enige bron van inkomen moeten zijn - al het andere werkt marktverstorend. Inkomsten uit rente en/of erfenissen mogen wat hem betreft dan ook hoog worden belast.

      Bij mij blijven, na de lezing en bespreking van het boek, twee vragen hangen:
      1) in hoeverre gelooft BJ zelf in zijn model, en
      2) waarom dit boek, nu?

      Ad 1:
      Als het menselijk handelen zich zo voltrekt als BJ beschrijft, is de motivatie om dit boek te (her-)schrijven ingegeven door een kosten-baten analyse. Afgewogen worden de opbrengsten van het boek, tegenover het verlies aan tijd voor zorgtaken, huishoudelijke taken en vrije tijd. Gegeven het feit dat BJ hoogleraar is, en dus een bovengemiddeld salaris geniet, is zijn vrije tijd (monetarisering) duur. [ik ga er tenminste van uit dat hij dit boek in zijn vrije tijd heeft herschreven, anders zouden zijn uren dubbel beloond worden: zowel in salaris als in royalties]. Zou dit werkelijk de afweging zijn? Ik geloof dat niet. In zijn voorwoord geeft hij aan dat er nog altijd vraag was naar zijn boek, dat er maatschappelijke discussie was die hem noopte het boek te actualiseren (Piketty, basisinkomen), en dat er debat was rond een voorgenomen herziening van het belastingstelsel. Dit zijn op zich allemaal valide redenen om het boek te actualiseren, maar met de afweging die hij aan anderen toeschrijft bij beslissingen omtrent arbeid heeft het niet veel van doen.
      Bovendien is het schrijven van een boek een heel ander soort arbeid. Het wordt niet betaald per uur - twee keer zo lang werken aan een boek levert niet twee keer zoveel inkomsten op. Integendeel, de inkomsten zijn gebaseerd op royalties - een variant van het patent-recht. Als het boek eenmaal is geschreven, kan het je hele leven lang inkomsten genereren, onafhankelijk van het aantal uren dat je er destijds in hebt gestoken. Alle overwegingen van markt, vraag en aanbod, werken hier op een afwijkende manier - zo ze al werken.
      De vraag naar het boek van BJ zal goeddeels bepaald worden door het feit dat hij hoogleraar is aan een gerenommeerde universiteit, en zich in die hoedanigheid ook mengt in het publieke debat. Kortom: zijn extra verdiencapaciteit uit royalties is (mede) bepaald door het feit dat hij al een hoge verdiencapaciteit heeft als gevolg van zijn academische status. Die overigens direct is gelieerd aan een overheid, die hij toch het liefst zo kort mogelijk houdt. [Mogelijk wordt zijn leerstoel mede gefinancierd door het bedrijfsleven, hierover heb ik geen informatie. Als dat het geval zou zijn, zou dat echter de pretentie van wetenschappelijke onafhankelijkheid niet ten goede komen.] Kortom: in deze contekst kan ik mij haast niet voorstellen dat BJ het model dat hij van toepassing acht op het gedrag van anderen, ook van toepassing acht op zichzelf. Dat is wat mij betreft een goede indicatie dat het gebruikte model in elk geval niet compleet kan zijn, en dat BJ zich daar wel bewust van is.

      Ad 2:
      Waarom nu? In zijn woord vooraf geeft BJ een aantal redenen. Ik denk dat de meest urgente reden is, dat er een belastingherziening zit aan te komen. Het hele boek is te lezen als een groot advies aan politici (regering, kamers, politieke partijen, alsmede de journalistiek) om bepaalde dingen wel en bepaalde dingen vooral niet te doen. Hoewel BJ zelf expliciet zegt dat hij bezig is met het doorgeven van wetenschappelijke inzichten, en niet een specifiek politiek of moreel geluid vertegenwoordigt, kom ik tot een andere conclusie. Dit boek is niet meer en niet minder dan de toepassing van de neoklassieke economische theorie op een specifiek vakgebied, nl. de inrichting van het belastingstelsel. Die neoklassieke theorie heeft een sterk (neo-)liberalistisch signatuur, en kan dus onomwonden als 'rechts' worden gekarakteriseerd. Je zou haast gaan denken dat BJ deel uitmaakt van een politiek gekleurde lobby, of dat hij met dit boek solliciteert naar een positie bij de WRR. Met spanning kijk ik dan ook uit naar nieuwe voorstellen voor een belastingherziening, de wijze waarop BJ zich zal mengen in het debat hieromtrent, en de voortzetting van BJ's academische en buiten-academische carrière.
  7. het inzicht
  8. In het bovenstaande heb ik er geen geheim van gemaakt dat ik vrijwel alle aannames van BJ verdacht vindt, niet realistisch en ideologisch gekleurd. Ik heb geprobeerd te laten zien dat de uiterste consequentie van model zelfs slavernij zou kunnen zijn. Is er dan niets wat goed is aan dit boek, heb ik me werkelijk alleen maar geërgerd? Verre van dat. Het formuleren van mijn kritiek heeft mij wel degelijk naar nieuwe inzichten geleid.
    Aan de hand van de 5 genoemde randvoorwaarden voor het functioneren van de markt, ben ik tot de conclusie gekomen dat 'de markt' geen stabiel geheel is, en dat uit de aard der zaak ook nooit kan worden. Vanuit het simpele gegeven dat het de doelstelling is van bedrijven om winst te maken volgt, dat ze zoveel mogelijk zullen doen om hun eigen randvoorwaarden te ondergraven. Bedrijven zullen (1) dus naar een monopolie-positie streven, en door middel van patenten proberen anderen van de markt af te houden. Ze zullen proberen (2) een systematische vorosprong in informatie te creëren. Ook dit zien we gebeuren, bijvoorbeeld door de nano-seconden flitshandel op de beurzen. Wat betreft het derde punt zullen bedrijven proberen de transactiekosten van hun concurrenten omhoog te stuwen. Dit kunnen we zien in het zgn. 'kapotprocederen'. Het ontduiken van externe kosten (4) is algemeen gangbaar en goed zichtbaar. Het gaat om de kosten van milieuvervuiling, uitputting van grondstoffen, schade aan volksgezondheid, verlies aan biodiversiteit etc. Soms is er zo weinig inzicht in de externe kosten op de langere termijn, dat het nauwelijks verwijtbaar is dat deze kosten niet worden verrekend, maar veelal zijn die kosten wel degelijk bekend. Vaak worden onderzoeken die hierop betrekking hebben verdonkermaand. Aparte aandacht verdient de stelling dat alles markt is (5). Dit lijkt me vanuit geen enkel opzicht wenselijk, maar de discussie wordt nog niet breed gevoerd. Dit is het enige punt waar ondernemers de laatste 30 jaar wel zoeken naar versterking van de randvoorwaarden: veel van wat vroeger geen markt was, is het nu wel.
    Ergo: behalve wellicht de 5de voorwaarde streven ondernemers naar maximalisering van hun winst door de randvoorwaarden voor het goed functioneren van de markt aan te tasten. Daarmee schuift (w.b. het loonaanbod) in de figuur punt E steeds meer naar rechts: dit is in het voordeel van de producenten, en in het nadeel van de consumenten. Dit levert tijdelijk een grotere stijging van de welvaart, maar die komt bij de producenten terecht, en niet bij de consumenten. Deze extra welvaart is onterecht verkregen, het evenwicht dat op deze manier wordt verkregen is geen weergave van schaarste, maar van het vermogen om de markt te ondermijnen. Deze extra welvaart is dus niet het gevolg van het functioneren van de markt, maar juist van het niet functioneren van de markt. Het is in dat geval niet erg dat wij dat driehoekje van Harberger verliezen - het zal maken dat onze economie houdbaar blijft. Zelfs iemand die van mening is, dat een perfect functionerende markt als vanzelf een ideaal evenwicht vindt, zal het opheffen van een verstoring moeten toejuichen, ook als dit gepaard gaat met welvaartsverlies. Functioneren van de markt, rechtvaardigheid, efficiëncie in de allocatie van middelen en ingrijpen van de overheid d.m.v. regelgeving en belastingen kunnen daarmee wel degelijk samengaan - er hoeft geen sprake te zijn van een dilemma of een uitruil.
    Anders dan BJ stelt, wordt het optimum m.i. dus nooit door de markt zelf bereikt, de markt drijft er uit zichzelf juist vanaf door punt E zoveel mogelijk naar rechts te duwen. Het is in mijn beeld juist de overheid die door middel van belastingheffing punt E weer meer naar links drijft, de plaats waar onder ideale omstandigheden het marktevenwicht wordt bereikt. Als we gezonde condities voor de markt willen houden moet de overheid hiervoor corrigeren. Dat is niet alleen ethisch verantwoord, het is ook economisch verantwoord.

    Op basis van dit (of een soortgelijk) model zijn er inderdaad [met de nodige reserve] aanbevelingen te doen voor een eventuele wijziging van het belastingstelsel. We zouden kunnen streven naar een maximale loonsom (uurloon x uren), in de verwachting dat dit leidt naar maximale consumptie. Dit zal echter ook afhangen van de wijze waarop het geld verdeeld wordt, hetzij voor belastingheffing, hetzij na herverdeling.
    Een radicale, maar te overwegen, ingreep van herverdeling lijkt mij het basisloon (of een technische variant daarvan). Voordeel daarvan is, dat het de onderhandelingspositie van de aanbieders van arbeid en inzet een veel sterkere positie biedt, waardoor de prijs van arbeid [voor het eerst] werkelijk een weergave is van de schaarste. Bovendien zou het (uiteraard afhankelijk van de uitvoering) een heleboel inefficiëntie in de uitvoeringskosten kunnen schelen. De algemene trend in belastingheffing zou kunnen zijn, dat de partij die het meeste macht/belang heeft om de markt te verstoren, het meest wordt belast. Dit lijkt me zowel economisch als ethisch een valide uitgangspunt. Op deze wijze kunnen de modellen zoals BJ en collegae die hebben ontwikkeld wel degelijk worden ingezet om richting te geven aan een belastingherziening. Echter: omdat ik het ongelimiteerde geloof in de markt niet deel, zouden de uitkomsten wel eens geheel anders kunnen zijn. Het zou mooi zijn als economen ook aandacht zouden besteden aan de mogelijkheid dat de markt niet een inherent stabiel en zelfregulerend systeem is, maar juist een instabiel en zelfvernietigend systeem, dat alleen door overheidsingrijpen in stand gehouden kan worden.
    Daarbuiten denk ik, dat we ons moeten herbezinnen op onze waardering van arbeid. Dat gaat niet alleen over de vraag of arbeid onderhevig moet zijn aan de tucht van de markt, of -om maar de chinese invalshoek te kiezen - dat arbeid een mensenrecht is. Bij de huidige ontwikkelingen in automatisering en groei van de wereldbevolking, denk ik dat we arbeid als identiteitsbepalend onderdeel van onze menselijke existentie moeten laten schieten. Het verrichten van betaalde arbeid moet een keuze zijn, het niet verrichten van betaalde arbeid moet niet langer worden gezien als gebrek aan verdienvermogen of gebrek aan inzet, maar als een gelijkwaardige legitieme keuze.
    Keynes heeft het al aan zien komen, toen hij heel veel vrije tijd voor de toekomst voorspelde. Die vrije tijd is er voor velen nooit gekomen, omdat er enorm veel onzin-banen zijn gecreeerd (de bullshit-jobs van David Graeber), alsmede enorm veel werk in de reclame, en veel werk aan verspillende en nodeloze consumptiegoederen. Dit is binnen de neoklassieke economie enkel verklaarbaar op actor-niveau, maar niet op systeem niveau: het is dom en onhandig om arbeid in te kopen die niets toevoegt aan het product - met optimale efficiency heeft het niets van doen, zelfs niet met Pareto-efficiency op systeemniveau. Op systeemniveau is het binnen de Keynsiaanse economie wel goed te verklaren: door dit werk te creëren houden we de vraagkant op een aanvaardbaar peil, zonder deze verspilling is er teveel vraaguitval.
    Op termijn is de transitie m.i. onvermijdelijk, omdat de huidige oplossing (geen vrije tijd, maar zinledig werk dat verspilling in de hand werkt) niet veel langer houdbaar is. Mijn gedachtenexperiment met het afschaffen van reclame is wellicht niet zo bizar als het op het eerste gezicht lijkt.
    Een weldoordachte belastinghervorming kan wellicht een bijdrage leveren aan de m.i. onvermijdelijke transitie van onze waardering van betaalde arbeid. Het basisloon kan daar deel van uitmaken.

Bert's werk