Bert's brein

geplaatst: 6-2-2015
reageer

fragment tekst "Meno" van Plato



bron: ars floreat

terug naar Gorgias versus Plato
194b


- Sokrates merkte toen op: Maar mijn beste Agathoon, ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe manmoedig en resoluut gij samen met uw medespelers het podium opstapte en hoe ge het publiek recht in de ogen keek om ze duidelijk te maken dat gij zelf de auteur van het stuk waart en hoe ge niet blikte of bloosde. Dan zou ik nu toch werkelijk vergeetachtig zijn als ik plotseling zou denken u te kunnen beïnvloeden door te zinspelen op de aanwezigheid van een paar toehoorders zoals wij hier. - Agathoon antwoordde weer: Maar, beste Sokrates, ik hoop toch dat ge niet denkt dat ik zo vol van het theatergebeuren ben dat ik zelfs het feit vergeet dat iemand met kennis van zaken veel meer op zijn hoede is voor een paar intelligente toehoorders dan voor een horde dwazen. - En Sokrates weer: Neen, Agathoon, het zou inderdaad onverstandig van me zijn als ik zulke ideeën over u had. Ik weet heel goed dat wanneer ge mensen tegenkomt waarvan ge denkt dat ze wijs of in ieder geval intelligent zijn, ge in de eerste plaats met hen rekening zult houden en niet met de massa. Maar toch, misschien behoren ook wij wel niet tot die eerste soort van intelligente en wijze mensen. Want wij allen hier maken immers deel uit van die menigte daar in het theater. Maar goed, laten we eens aannemen dat ge anderen tegenkomt die wel intelligent en wijs zijn, dan zoudt ge het heel vervelend vinden als ge juist op dat moment met iets verkeerds bezig waart, of niet soms? - Ge spreekt een waar woord, zei hij.
- Maar tegenover een menigte zoudt ge het niet erg vinden iets verkeerds te doen of een vergissing te begaan?
'Op dat moment', zei Aristodemos, 'kwam Phaidros tussenbeide en sprak':
- Mijn beste Agathoon, als ge zo met Sokrates doorgaat zal hij zich nooit meer bekommeren om wat er verder om hem heen gebeurt, want hij heeft immers een goede en heldere gesprekspartner gevonden. Natuurlijk luister ik graag naar Sokrates. Maar op dit moment draag ik nu eenmaal de verantwoordelijkheid voor onze lofredes op Eroos en moet ik dus van ieder van u zijn deel opeisen. Laat dus ieder de godheid zijn deel geven alvorens met dit gesprek door te gaan.
- Ge hebt gelijk, Phaidros, sprak Agathoon, inderdaad is er geen enkele reden om niet te spreken. Want er komt zeker nog wel een gelegenheid om met Sokrates verder te discussiëren. Welnu, eerst wil ik duidelijk maken waarom deze rede nodig is en daarna zal ik spreken. Want ik geloof dat alle voorafgaande sprekers de godheid helemaal niet hebben geprezen, maar veeleer de mensen met zoveel goede gaven van de godheid gelukkig hebben geprezen. Maar niemand heeft de vraag gesteld wie en wat hij is die dit alles aan ons schonk. Er is maar een manier waarop men iemand werkelijk kan prijzen en dat is door na te gaan wie en wat hij is en te bekijken in hoeverre hij werkelijk de oorzaak is van al datgene waar wij het over hebben. Daarom is het juist dat wij Eroos allereerst prijzen om wie hij is en vervolgens om wat hij geeft. Ik zeg dus dat onder alle goden Eroos de meest gelukzalige is, want hij is in alle opzichten de mooiste en beste en ik zeg dat zonder daarbij iemand te kort te willen doen.
Het waarom van deze uitspraak zal ik nader uitleggen. Welnu, beste Phaidros, in de eerste plaats is hij de jongste onder de goden. Hij geeft hier zelf duidelijk blijk van door de ouderdom steeds uit de weg te gaan, hoe die ook voortsnelt; wat ons betreft te snel. Eroos heeft van nature een hekel aan ouderdom en kan er dan ook op geen enkele wijze plezier in hebben. Dus is hij altijd in gezelschap van jonge mensen en is hij ook jong. Hier geldt het aloude gezegde: 'soort zoekt soort'.
Hoewel ik het op veel punten met Phaidros eens ben, verschillen wij op dit punt van mening en ik bestrijd dat Eroos nog ouder zou zijn dan Kronos en Iapetos. Neen, ik beweer dat hij de jongste van de goden is en over eeuwige jeugd beschikt. En verder dat al datgene dat temidden van de goden plaatsvindt en dat door Hesiodos en Parmenides wordt verteld, door het lot is bewerkstelligd en niet door Eroos, los van de vraag of er enige waarheid in die legenden schuilt. Want als Eroos reeds ten tijde van Kronos en Iapetos bestaan had, zouden zij geen strijd op leven en dood hebben gevoerd, maar zou er juist vriendschap en vrede tussen hen heersen zoals dat onder de goden het geval is sinds Eroos zijn heerschappij over hen heeft gevestigd. Eroos is dus jong en heeft ook nog het tengere van een jongeling en er is een dichter als Homeros voor nodig om die subtiele combinatie van tengerheid en tederheid te bezingen. Want Homeros beschrijft ons de tengere godin Ate - ongetwijfeld herinnert u zich hoe tenger haar voeten zijn, want daarvan zegt Homeros immers:
'Haar voeten zijn week, daar zij niet op de aarde wandelt, maar over de hoofden der mensen rondwaart'.
Hiermee is haar fijne bouw wel voldoende aangetoond, dacht ik, want uit Homeros' beschrijving blijkt dat zij niet over de harde grond wandelt maar over iets zachts. Dezelfde bewijsvoering zullen wij gebruiken om de zachte tederheid van Eroos aan te tonen. Want Eroos wandelt evenmin over de aarde, noch over de hoofden der mensen, want die zijn hem niet zacht genoeg. Neen, hij huist in het zachtste deel van ieder wezen en vertoeft daar. Inderdaad, hij heeft zijn woonstede gevestigd in geest en ziel van goden en mensen, en niet zomaar zonder onderscheid in iedere willekeurige ziel, want een harde ziel wordt door hem gemeden. Maar in de tedere en zachtaardige ziel, daarin huist hij. Hij zoekt dus niet alleen voor zijn voeten maar ook voor de rest steeds de zachtste delen van de zachtste wezens uit, zodat hij wel de tederste van allen moet zijn. Hij is dus de jongste en de zachtste onder de goden en bovendien zeer buigzaam. Want als hij hard en onbuigzaam was geweest, zou hij nooit in staat zijn om de hele ziel te doordringen en evenmin om eerst ongemerkt binnen te komen en vervolgens weer even ongemerkt te verdwijnen. Zijn sierlijk en bevallig voorkomen is wel het beste bewijs voor de harmonieuze en vloeiende proporties waarin Eroos volgens de algemene opvatting bovenal uitmunt. Onaantrekkelijkheid, lelijkheid zijn dus altijd met Eroos in strijd. Zijn huid heeft de doorschijnende tint van bloemen, omdat deze god altijd verkeert tussen bloeiende planten en bloemen. Want in een lichaam, ziel of enig ander oord dat niet in bloei staat of verwelkt is, zal Eroos niet zetelen. Maar waar alles bloeit en straalt, daar zetelt hij. Genoeg nu over de bevalligheid van deze god, hoewel er nog veel meer over te zeggen valt. Laten wij nu spreken over de goedaardigheid van Eroos. Het sterkste teken hiervan vinden we in het feit dat Eroos niemand kwaad doet, noch wordt hem zelf kwaad gedaan en dat geldt zowel ten aanzien van de goden als van de mensen. Zelfs als er sprake is van lijden, dan nog zal hij zelf nimmer aan geweld blootstaan, omdat geweld geen vat op hem heeft. Evenmin kenmerken zijn handelingen zich dus door geweld, want iedereen is altijd vrijwillig dienstbaar aan Eroos. Daarom wordt dan ook algemeen aanvaard dat de wetgeving die in onze stad de hoogste autoriteit is, stelt dat er sprake is van een rechtsgeldige verbintenis wanneer twee partijen iets vrijwillig overeenkomen. Maar behalve rechtschapen is hij bovendien bezonnen. Iedereen is het erover eens dat bezonnenheid onze genoegens en verlangens kan beheersen en bovendien dat er geen genoegen krachtiger is dan dat van Eroos, de zinnelijke Liefde. De zwakkere genoegens worden dus door Eroos overvleugeld, waardoor hij ze kan beheersen. En heersend over onze genoegens en verlangens moet Eroos dus wel bijzonder bezonnen zijn. Voorts valt aan zijn moed op dat zelfs Ares, de god van de strijd, niet opgewassen is tegen Eroos, de Liefde. Want het verhaal gaat dat niet Ares Eroos in zijn macht had maar juist Eroos, de volgeling van Aphrodite, Ares. En wie gevangenneemt, is nu eenmaal sterker dan de gevangene. Omdat Eroos dus kennelijk sterker is dan het toonbeeld zelf van moed, namelijk Ares, moet hij wel de moedigste van allen zijn. Over de rechtschapenheid, bezonnenheid en mannelijkheid van deze godheid is nu dus gesproken; blijft over zijn wijsheid en begrip. Over dit aspect valt zoveel te zeggen dat we in elk geval bepaalde dingen niet moeten vergeten. Welnu, om te beginnen zal ik ook ons vakgebied de nodige eer bewijzen, zoals Eryximachos het met het zijne deed. Ik zeg dus dat Eroos zo'n begrip heeft van het dichterschap dat hij anderen ertoe inspireert. En zelfs indien iemand er geen aanleg voor heeft dan nog wordt hij een dichter wanneer hij door Eroos wordt gegrepen. Hieruit blijkt wel dat Eroos vooral uitmunt in alles wat met kunstzinnigheid te maken heeft. Want wat we zelf niet bezitten of weten, kunnen we ook niet aan een ander doorgeven of onderwijzen. En wie zal durven ontkennen dat de scheppingskunst van alle levende wezens niet die bijzondere vorm van scheppend vermogen is die aan Eroos toekomt? Want door zijn kunst wordt ieder levend schepsel verwekt en geschapen. Weten wij bovendien niet dat ten aanzien van het vakmanschap van de kunstenaar geldt dat wie deze god als leermeester heeft een briljante en beroemde artiest wordt, terwijl degene die niet door Eroos wordt geraakt onbekend blijft. Als het inderdaad zo is dat Apollo de uitvinder was van de kunst van het boogschieten en ook van de geneeskunst en van de kunst van het voorspellen, dan heeft hij dat doel toch bereikt door toedoen van verlangen en liefde. Daarom durf ik te zeggen dat ook Apollo een leerling van Eroos was; hetzelfde geldt dus voor de Muzen ten aanzien van kunstzinnigheid, voor de god Hephaistos ten aanzien van de smeedkunst, voor de godin Athene ten aanzien van het weven en zelfs voor Zeus als leider van goden en mensen. Zo is dus de hele structuur van de wereld der goden doordrongen van Eroos, dat wil dus zeggen van het verlangen naar schoonheid. Want lelijkheid vindt men bij Eroos niet. Zo was het echter niet van meet af aan, want zoals ik reeds opmerkte, was het in het begin een verschrikkelijke bende onder de goden. Dat kwam toen Noodzaak en Noodlot nog heersten over de goden. Maar sinds deze Eroos is opgestaan, zijn door het verlangen naar schoonheid vele goede dingen geschied bij goden en mensen. Daarom ben ik van mening, beste Phaidros, dat Eroos zelf van meet af aan de mooiste en de beste is geweest en daardoor dergelijke voortreffelijkheden aan anderen heeft kunnen doorgeven. Laat ik nu echter mijn toevlucht nemen tot een vers om hem nog eens te beschrijven en te zeggen wat hij doet:
Vrede brengt Eroos aan de mens,
een kalme zee aan de Oceaan.
Stilte na een storm,
en in nood het zoete slapen gaan.
Hij is het dus die ons zuivert van vreemde smetten en ons vervult met wat ons eigen is. Hij is het ook die ons verenigt om in een samenzijn als dit met elkaar om te gaan. Hij wordt onze leidsman bij feesten, in de dans, en maakt dat wij vriendelijk gestemd zijn en onze boosheid en hardheid laten varen. Hij is de goede gever van welgezindheid en nimmer geeft hij aanleiding tot onmin. Vriendelijk is zijn goedheid; een voorbeeld voor de wijzen, een verrukking voor de goden. Hij wordt altijd gezocht door wie hem mist, en zorgvuldig bewaard door wie hem bezit. Hij is de verwekker van weelde, de bron van pracht en praal, van schoonheid, van bevalligheid, de vader van het liefdesverlangen en het liefdesspel. De behoeder van onze goede eigenschappen, en blind voor de slechte. In nood, in angst en vrees, in ontbering is hij onze beste stuurman, onze beste schipper, onze meest vertrouwde metgezel, onze verlosser. Hij is het sieraad bij uitstek van goden en mensen, de mooiste en beste leidsman. Welwillende mensen volgen hem graag en stemmen in met zijn lied, waarmee hij de geest van goden en mensen in verrukking brengt. Wel Phaidros, sprak hij, dat is dan mijn lofrede die ik op het altaar van de god wil offeren. Ik heb geprobeerd scherts en ernst met elkaar af te wisselen.
Toen Agathoon klaar was met spreken, beschreef Aristodemos hoe het hele gezelschap in luid gejuich en applaus uitbarstte, want de nog jonge redenaar had goed gesproken en zowel zichzelf als de godheid eer bewezen. Vervolgens verhaalde hij hoe Sokrates Eryximachos aankeek en sprak:
- Wel, mijn beste Eryximachos, zoon van Akoumenos, vindt ge me nog steeds geen profeet toen ik voorspelde dat Agathoon natuurlijk een wonderbaarlijk goede lofrede zou uitspreken en dat ik het wel moeilijk zou krijgen?
Maar volgens Aristodemos antwoordde Eryximachos daarop:
- Ik geloof, Sokrates, dat ge in zekere zin wel degelijk een ziener geweest zijt, omdat ge hebt voorspeld dat Agathoon goed zou spreken. Maar dat gij het daardoor moeilijker zoudt krijgen, daar geloof ik niets van.
- Maar mijn beste, antwoordde Sokrates weer, hoe zou ik of wie dan ook niet in moeilijkheden kunnen komen wanneer het de bedoeling is om er na zo'n voortreffelijke en goed opgebouwde speech nog een schepje bovenop te doen? Weliswaar was niet alles even voortreffelijk maar naarmate het einde naderde drong de schoonheid van de woorden en de zinnen zich onweerstaanbaar aan de toehoorders op.
Wat mijzelf betreft, ik was mij er heel goed van bewust dat ik bij lange na niet in staat zou zijn zo mooi te spreken en het scheelde maar een haar of ik was, als ik de kans had gehad, uit pure schaamte stiekem weggeslopen. Zijn lofrede deed mij zo sterk aan Gorgias denken dat ik mij bijna in dezelfde problemen begaf als Homeros van Odysseus verhaalt. Dus bekroop mij de angst dat Agathoon er wel eens toe kon overgaan om het spreken van de reus Gorgias als het ware in zijn speech over te nemen.
Daardoor zou hij mij zeker met stomheid slaan bij het idee dat men mijn poging met de zijne zou vergelijken. Toen had ik pas werkelijk in de gaten wat een belachelijke sukkel ik was om ermee akkoord te gaan als laatste in de rij de lof van Eroos te zingen. En dan noemde ik mijzelf bovendien nog een kenner terwijl ik er klaarblijkelijk geen flauw benul van had hoe je geacht wordt een loflied in elkaar te zetten. Want in mijn onnozelheid dacht ik nog dat het nodig is om de waarheid te spreken over degene wie de lof wordt toegezwaaid. En in die veronderstelling ging ik ervan uit dat wij vervolgens de mooiste feiten en daden zouden uitkiezen en die als het ware op een rijtje zouden zetten. Zodoende was ik al aardig opgewonden bij de gedachte dat ik zeker wel iets goeds zou kunnen zeggen. Want ik meende wel iets van de waarheid te weten, waarmee ik dan Eroos zou kunnen prijzen. Maar nu blijkt dus dat die veronderstelling niets te maken heeft met wat men als een goede lofrede beschouwt. Want kennelijk gaat men er daarbij vanuit dat een lofrede een kwestie is van de grote en mooie dingen op elkaar stapelen ongeacht de vraag of ze iets met de feiten te maken hebben. En als ze een aperte leugen blijken doet dat aan de zaak niets af. Het ziet er dus naar uit dat het er in feite alleen maar om gaat dat ieder van ons net doet alsof hij de lof van Eroos zingt zonder dat werkelijk te doen. Zodoende veegt ge iedere gedachte, ieder woord bij elkaar op een grote hoop en legt die vervolgens als loftuiting aan de voeten van Eroos. En zo denkt ge zijn aard en karakter en zijn werken te beschrijven. Evenzo tracht ge te bereiken dat het lijkt of Eroos de mooiste en de beste is. Want oppervlakkig bekeken ziet de lofrede er zo mooi en eerbiedwaardig uit! En wie Eroos niet kennen die vliegen erin - maar kenners beslist niet. Nu blijkt dus dat ik geen idee had van de techniek van het prijzen en in mijn onwetendheid ging ik ermee akkoord om op mijn beurt een lofrede op Eroos te houden. Welnu, toegegeven, de tong beloofde het maar de geest niet. Vaarwel dus, vergeet het maar. Op deze manier doe ik niet meer mee, want dat zou ik niet kunnen.
Maar als ge wilt ben ik natuurlijk wel bereid de waarheid te spreken over Eroos, maar wel op mijn manier. Dus zonder acht te slaan op uw woorden, want dan zou ik me alleen maar belachelijk maken. Overweeg dus maar, beste Phaidros, of een dergelijke speech nuttig zou zijn en of ge de waarheid over Eroos wilt horen. Maar dan voor de vuist weg en zonder omhaal.
En dus, ging Aristodemos verder, vroegen Phaidros en de andere aanwezigen hem om toch vooral door te gaan ongeacht de vorm waarin hij het zou gieten.
- Welnu dan, beste Phaidros, ging Sokrates verder, sta mij toe Agathoon enige korte vragen te stellen, om ook zijn instemming te verkrijgen met betrekking tot de wijze waarop ik wil spreken.
- Gaat uw gang, antwoordde Phaidros, vraag hem maar.
Vervolgens verhaalde Aristodemos hoe Sokrates zijn toespraak vanuit dat punt begon.

199c