Bert's brein

geplaatst: 6-2-2015
reageer

fragment tekst "Phaedros" van Plato



bron: ars floreat

terug naar Gorgias versus Plato
258 d


Sokrates: Iedereen is het er dus over eens dat het schrijven van redevoeringen op zichzelf geen schande is.
Phaidros: Dat is ook zo.
Sokrates: Maar wat ik wel schandelijk vind, is spreken en schrijven op een wijze die niet goed is, maar verkeerd en slecht.
Phaidros: Natuurlijk.
Sokrates: Wat bepaalt dan dat het ene goed is geschreven en het andere niet? Zullen we dit eens aan Lysias vragen of aan iemand anders die verzen of proza schrijft of gaat schrijven voor zichzelf of voor anderen?
Phaidros: En dat vraagt ge mij? Natuurlijk doen we dat. Waar anders leven we voor dan voor zulke genoegens? Toch niet voor de genoegens die altijd hand in hand gaan met pijn en moeite, zoals dat geldt voor vrijwel ieder lichamelijk genot. Daarom werken zulke genoegens terecht verslavend.
Sokrates: Wel, we hebben de tijd, lijkt me. Bovendien geloof ik dat de krekels op ons letten terwijl zij daarboven in de hitte zingen en praten. Als zij zouden merken dat wij, net als de meeste mensen, rond het middaguur geen gesprek willen voeren maar ten gevolge van luiheid van geest bedwelmd raken door hun gezang en wegdommelen, dan zouden zij terecht om ons lachen. Zij zouden ons dan voor slaven kunnen houden die bij hen een rustplaats zoeken, net als schapen die bij een bron gaan liggen slapen als de zon op zijn hoogst staat. Maar als zij ons voorbij zien gaan en horen spreken zonder dat wij door hun sirenengezang bedwelmd raken, dan zullen ze ons misschien het geschenk toevertrouwen dat zij van de goden kregen om aan de mensen te geven.
Phaidros: Wat is dat voor een geschenk? Ik geloof niet dat ik er ooit van gehoord heb. Sokrates: Dat staat je als minnaar van de schone kunsten dan niet zo mooi. Welaan, het verhaal is als volgt. De krekels waren voordat de Muzen geboren werden, mensen. Deze mensen raakten - toen de Muzen ter wereld kwamen en er voor het eerst gezang opklonk - zo buiten zichzelf van genot dat zij, al maar zingend, eten en drinken vergaten en tenslotte stierven zonder dat zelf te merken. Uit deze mensen kwam later het geslacht der krekels voort. Zij ontvingen van de Muzen de gave zonder eten en drinken te kunnen leven en van geboorte tot dood te mogen zingen. Bij hun dood gaan ze naar de Muzen en vertellen hun wie van de mensen hier op aarde hen in ere houden. Zij vertellen Terpsichore wie haar met dansen vereren en zij wekken haar liefde op voor die mensen. Aan Erato vertellen zij over de minnedichters en aan de andere Muzen vertellen zij naar gelang het soort eerbewijs dat betoond wordt. Aan Kalliope, de oudste, en Urania die na haar komt, en die het dichtst bij de hemel en bij de zedelijke vermogens van goden en mensen staan, brengen zij verslag uit over hen die zich met filosofie bezighouden en over hen die de Muzen van de schone klanken vereren. Er zijn dus vele redenen waarom wij rond het middaguur niet moeten slapen, maar spreken.
Phaidros: Goed, laten we spreken.
Sokrates: We moeten dus, zoals we ons net hebben voorgenomen, gaan onderzoeken wat wel en wat niet onder goed spreken wordt verstaan.
Phaidros: Dat is duidelijk.
Sokrates: Moet de spreker, om goed en juist te kunnen spreken, niet eerst de waarheid kennen van de zaken waarover hij het woord wil voeren?
Phaidros:
Beste Sokrates, ik heb wel eens horen beweren dat het voor iemand die redenaar wil worden, niet nodig is de waarheid over zijn onderwerp te kennen, als hij maar de mening kent van het publiek dat zal oordelen; niet wat werkelijk schoon en goed is, maar wat er zo uitziet. Want hiermee overtuig je en niet met de waarheid.
Sokrates: Een bewering die misschien van wijze mensen afkomstig is, moeten we niet verwerpen, maar wel moeten we onderzoeken wat ze ermee bedoelen, nietwaar beste Phaidros? We kunnen niet voorbijgaan aan wat je zojuist hebt gezegd.
Phaidros: Ge hebt gelijk.
Sokrates: Laten we die opvatting nu eens op de volgende manier bekijken.
Phaidros: Hoe dan?
Sokrates: Stel, ik haal je ertoe over een paard aan te schaffen om tegen de vijand ten strijde te trekken, en we weten geen van beiden wat een paard is, maar toevallig weet ik wel zoveel van jou dat jij, Phaidros, het huisdier met de langste oren voor een paard houdt.
Phaidros: Dat zou belachelijk zijn, Sokrates.
Sokrates: Val me toch niet in de rede. Stel nu dat ik je in alle ernst probeer te overtuigen door de loftrompet te steken over de ezel, terwijl ik hem paard noem, en zeg wat een uiterst waardevol bezit een ezel is, zowel op het erf als bij een veldtocht, hoe bruikbaar hij is als strijdros, hoe sterk als lastdier en hoe nuttig voor vele andere dingen.
Phaidros: Dat zou werkelijk belachelijk zijn.
Sokrates: Maar is een lachwekkende vriend niet beter dan een sluwe vijand?
Phaidros: Ja.
Sokrates: Welke vrucht denk je dat de retorica kan plukken van het gezaaide, wanneer een redenaar die het verschil tussen goed en kwaad niet kent, een staat die daar al even weinig vanaf weet, wil overtuigen, en dit niet doet door zijn uil een valk te laten zijn, maar het kwade het goede, waarbij hij op basis van grondige kennis van massagedrag aanbeveelt om het kwade te doen in plaats van het goede?
Phaidros: Dat kan niet veel goeds zijn.
Sokrates: Maar mijn beste, hebben we de woordkunst niet harder aangepakt dan nodig? Onverwijld zou ze kunnen tegenwerpen: maar heren, wat doet ge toch merkwaardig; ik dwing niemand die de waarheid niet kent tot spreken; maar ik zeg u dat hij pas van mij gebruik kan maken als hij zich eerst enige kennis van de waarheid verworven heeft. Maar een ding verzeker ik u: zonder mij hebt ge de kunst van het overtuigen niet in uw macht, al weet ge nog zo veel.
Phaidros: En zou ze daar gelijk in hebben?
Sokrates:
Zeker, als tenminste de woorden die in haar voordeel spreken, duidelijk maken dat er sprake is van een 'kunst'. Want ik krijg de indruk dat er hier en daar ook wordt geprotesteerd: de retorica zou liegen en geen kunst zijn maar een techniek. Spreken, aldus de Spartaan, is en wordt nooit een echte kunst, als de waarheid er niet in meespreekt.
Phaidros: Die woorden kunnen we gebruiken, Sokrates, laat ze binnen en vraag wat ze precies inhouden.
Sokrates: Treedt dan naar voren, nobele schepselen, en maak de schone Phaidros duidelijk dat zonder grondige kennis van de filosofie nooit ergens deugdelijk over kan worden gesproken. Phaidros zal zeker antwoorden.
Phaidros: Vraag gerust.
Sokrates: Is retorica in zijn algemeenheid niet een kunst die de ziel door middel van woorden leidt, niet alleen bij rechtszaken en andere openbare bijeenkomsten, maar ook in de huiselijke kring, ongeacht de vraag of het om kleine of grote dingen gaat, of dat wie er zich mee bezig houdt meer eer inlegt met belangrijke dingen dan met onbelangrijke. Heb je ooit zo iets vernomen?
Phaidros: Nee, bij Zeus, dat bepaald niet. Wel dat ze bij de rechtspraak zowel mondeling als schriftelijk wordt beoefend en bij andere aangelegenheden alleen mondeling. Over verdere toepassingen heb ik niets gehoord.

Sokrates: Dan heb je alleen gehoord over de geschriften van Nestor en Odysseus over dit onderwerp; ze schreven dit in Troje toen ze niets beters te doen hadden. Maar weet je niets van de geschriften van Palamedes?
Phaidros: Van zijn geschriften al evenmin als die van Nestor, tenzij ge Gorgias de geschriften van Nestor toeschrijft, of Thrasimachos en Theodoros die van Odysseus.
Sokrates: Wie weet. Maar laten we die nu buiten beschouwing laten. Zeg eens: wat doen partijen bij een proces? Wat doen ze anders dan elkaar tegenspreken?
Phaidros: Dat doen ze uiteraard.
Sokrates: Over wat rechtvaardig is en wat niet?
Phaidros: Ja.
Sokrates: Zal dan degene die deze kunst verstaat met precies dezelfde feiten de ene keer niet de schijn wekken dat ze juist zijn, en als hem dat beter uitkomt, dat ze onjuist zijn?
Phaidros: Allicht.
Sokrates: En in een openbare bijeenkomst zal hij hetzelfde feit de ene keer de schijn van juistheid verlenen, en een andere keer het tegenovergestelde?
Phaidros: Zo is het.
Sokrates: Weten wij niet dat Zeno, uit Elis, de kunst van het spreken zo goed verstaat, dat het voor zijn toehoorders lijkt alsof dezelfde dingen nu eens gelijk en dan weer ongelijk zijn, dat wat een is, ook veel is en dat wat stil staat, beweegt.
Phaidros: Zeker.
Sokrates: De kunst van het debatteren is dus niet alleen beperkt tot de rechtspraak en tot volksvergaderingen, maar bestaat blijkbaar in alle soorten spreken. Als we het een kunst noemen, is het een en dezelfde kunst die iemand in staat stelt om, waar mogelijk, steeds het gemeenschappelijke in de dingen te vinden. En bovendien aan het licht te brengen waar het gemeenschappelijke aangetoond wordt en waar het verhuld wordt.
Phaidros: Wat bedoelt ge daarmee?
Sokrates: Ik denk dat zo'n spreker van het volgende uitgaat: wanneer is de kans op misleiding groter, wanneer de dingen veel verschillen of weinig?
Phaidros: Weinig.
Sokrates: Van het ene uiterste naar het andere omzwaaien zal minder opvallen wanneer dat niet in een keer gebeurt, maar stapje voor stapje.
Phaidros: Ja, natuurlijk.
Sokrates: Wie dus een ander wil misleiden, maar zelf niet misleid wil worden, moet precies weten waarin de dingen op elkaar lijken en waarin ze verschillen.
Phaidros: Dat spreekt vanzelf.
Sokrates: Als hij over iets bepaalds de waarheid niet weet, zal hij dan toch in andere bekende dingen kunnen herkennen of ze kleine of grote gelijkenis vertonen met wat hij niet kent?
Phaidros: Onmogelijk.
Sokrates: Wanneer nu mensen een vaag en vertekend beeld hebben van de feiten, dan is het duidelijk dat die verkeerde indruk naar binnen is geslopen door de een of andere gelijkenis.
Phaidros: Ja, zo gaat dat.
Sokrates: Dan verstaat iemand die niet weet wat het wezen van de dingen is, de kunst niet om zijn toehoorders, aan de hand van gelijkenissen, stap voor stap mee te nemen van het ene uiterste naar het andere, zonder zelf van de wijs te raken.
Phaidros: Neen, nooit.
Sokrates: Wie de waarheid niet kent, maar afgaat op meningen, mijn vriend, zal dus in het spreken een vaardigheid vertonen die min of meer belachelijk aandoet en hij zal onbekwaam blijken.
Phaidros: Dat gevaar loopt hij zeker.
Sokrates: Zullen wij nu eens de toespraak van Lysias, die jij bij je hebt, vergelijken met mijn eigen betoog en zien wat wij in beide wel en niet kunstzinnig kunnen noemen?
Phaidros: Dat zou ik graag willen, want we spreken nu in het wilde weg omdat we geen duidelijke voorbeelden hebben.
Sokrates: Het lijkt wel een gelukkig toeval dat beide betogen een uitgelezen voorbeeld bevatten van de wijze waarop iemand die de waarheid kent, zijn toehoorders kan meevoeren door de gave van het woord. En ik schrijf dat toe, Phaidros, aan de goden die deze plek bevolken. Misschien hebben de vertolkers van de Muzen, die nu boven ons hoofd zingen, ons deze gift wel door inspiratie geschonken. Ik ben immers van mening dat ik geen verstand heb van retorica.
Phaidros: Hoe dan ook, leg nu maar uit wat ge bedoelt.
Sokrates: Vooruit, lees me het begin van Lysias' toespraak nog eens voor.
Phaidros: 'Ge weet hoe het met mij is gesteld en hoe deze situatie in ons beider voordeel kan worden opgelost. Ik vind dat ge mijn verzoek niet mag weigeren omdat ik toevallig niet op u verliefd ben. Want verliefden krijgen spijt . . .'
Sokrates: Stop. Nu moeten we gaan vaststellen wat hieraan mankeert en wat onvakkundig is gedaan, vind je niet?
Phaidros: Zeker.
Sokrates: Welnu, het zal iedereen toch duidelijk zijn dat we het over sommige zaken eens zijn, maar over andere zaken van mening verschillen.
Phaidros: Ik denk dat ik het begrijp, maar leg het nog eens uit.
Sokrates: Wanneer iemand het over 'ijzer' of 'zilver' heeft, weet dan niet iedereen wat daarmee wordt bedoeld?
Phaidros: Zeker.
Sokrates: En als iemand de termen 'rechtvaardig' of 'goed' gebruikt? Scheiden onze wegen zich dan niet, en trekken we elkaars opvattingen, en zelfs onze eigen ideeen, niet in twijfel?
Phaidros: Zeker.
Sokrates: Dus in sommige gevallen zullen we het eens zijn en in andere niet?
Phaidros: Ongetwijfeld.
Sokrates: In welke gevallen worden we nu het gemakkelijkst misleid en komt het op de kunst van het spreken aan?
Phaidros: Natuurlijk als we in tweestrijd verkeren.
Sokrates: Dan moet iemand die zich wil toeleggen op de kunst van het spreken, dus eerst leren een duidelijk onderscheid te maken tussen die dingen waarover de mensen onmogelijk zekerheid kunnen hebben en die waarover ze wel zekerheid bezitten. En ook moet hij de kenmerken van beide leren kennen.
Phaidros: Wie dat heeft bereikt, heeft zich een belangrijk inzicht verworven, Sokrates.
Sokrates: Ik denk dat hij dan in geen enkele situatie meer in het duister tast, maar haarscherp ziet tot welke van beide categorieën het onderwerp behoort waarover hij wil spreken.
Phaidros: Dat spreekt vanzelf.
Sokrates: Welnu, behoort de Liefde tot de omstreden of niet-omstreden onderwerpen?
Phaidros: Vast en zeker tot de omstreden onderwerpen. Dat vindt gij toch ook als de Liefde u ingeeft wat ge net over haar hebt gezegd, namelijk dat die Liefde schadelijk is voor minnaar en beminde, en tegelijkertijd de grootste zegen brengt die een mens ten deel kan vallen.
Sokrates: Uitstekend gesproken. Maar vertel ook - want in mijn enthousiasme ben ik het helemaal vergeten - of ik in het begin van mijn verhaal een definitie van Liefde heb gegeven.
Phaidros: Bij Zeus, ja, en zo goed dat er geen speld tussen te krijgen was.
Sokrates: Ach, hoeveel bedrevener in de kunst van het spreken zijn de Nymphen, de dochters van Acheloos en Pan, de zoon van Hermes, dan Lysias, de zoon van Kephalos! Of spreek ik onzin en dwong ook Lysias ons in het begin van zijn verhaal over de Liefde, mee te gaan in die ene bepaalde opvatting van de Liefde, die hij verkoos, en baseerde hij daarop vervolgens de hele opbouw en het slot van het verdere betoog? Zullen we het begin van zijn verhaal nog eens opnieuw lezen?
Phaidros: Zoals ge wilt. Maar wat ge zoekt zult ge daar niet vinden.
Sokrates: Lees, opdat ik zijn eigen woorden hoor.
Phaidros: 'Ge weet hoe het met mij is gesteld en hoe deze situatie in ons beider voordeel kan worden opgelost. Ik vind dat ge mijn verzoek niet mag weigeren omdat ik toevallig niet op u verliefd ben. Want verliefden krijgen spijt van hun avances, zodra hun hartstocht is bekoeld.'
Sokrates: Hij schijnt helemaal niet te doen wat wij verlangen, want hij begint zijn betoog niet eens bij het begin, maar bij het einde, om er zich dan van achter naar voren door te werken. Hij begint namelijk met de dingen die de minnaar tot besluit tegen zijn liefje zou zeggen. Of zie ik het verkeerd, mijn beste Phaidros?
Phaidros: Het zijn inderdaad slotwoorden, Sokrates.
Sokrates: En hoe staat het met de rest? Lijkt het niet of er met de andere delen van het verhaal lukraak is omgesprongen? Of blijkt ergens een dwingende reden waarom aan het tweede inderdaad de tweede plaats toekomt, of dat er een reden is dat enig ander van blaam naar lof.
Phaidros: Wat bedoelt ge?
Sokrates: Ons hele betoog was eigenlijk een spelletje. Maar uit wat daar tussen neus en lippen door ter sprake kwam, komen toch wel twee principes naar voren, waarvan ik de betekenis graag zou willen begrijpen.
Phaidros: Welke dan?
Sokrates: Het overzien en onder een noemer brengen van gegevens die los van elkaar staan, zodat de spreker elk onderwerp dat hij wil uitleggen, in een definitie kan vatten. Datzelfde deden wij met het onderwerp Liefde. We gaven een definitie van wat Liefde is, goed of fout, het doet er niet toe. In ieder geval kreeg het betoog hierdoor helderheid en samenhang.
Phaidros: Wat is het tweede principe, Sokrates?
Sokrates: Een begrip weer te ontleden langs natuurlijke geledingen, zonder daarbij - als een echte slager - iets te forceren of te breken. De twee betogen van zoeven hadden ondoordachtheid als gemeenschappelijk uitgangspunt en vervolgens verdeelden zij het principe van vervoering, dat in oorsprong enkelvoudig in ons ontstaat, in tweeën. Net zoals het lichaam, dat vanuit zijn ondeelbaarheid wordt onderscheiden in twee helften, links en rechts, met elk weer delen die dezelfde naam dragen. In het eerste verhaal werd het linkerdeel afzonderlijk beschouwd, waarbij de delen steeds verder werden ontleed, totdat een soort linkshandige Liefde werd opgediept, waar men terecht smalend over kan spreken. Maar in het andere verhaal, dat ons naar de rechterzijde van de vervoering bracht, werd ook Liefde aangetroffen, maar dan de goddelijke, een Liefde die ons vol lof wordt voorgehouden als de oorzaak van onze grootste zegeningen.
Phaidros: Ge slaat de spijker op de kop.
Sokrates: Zelf, Phaidros, ben ik een liefhebber van dit uitpluizen en aan elkaar knopen. Het stelt mij in staat te spreken en te denken. En als ik van iemand anders vermoed, dat hij de natuurlijkheid kan inzien van veelheid in eenheid en eenheid in veelheid, dan volg ik hem en 'wandel in zijn voetsporen als was hij een god'. En de hemel mag weten of ik degenen die dat kunnen, al dan niet terecht de naam van dialectici heb gegeven. Maar zeg me nu eens hoe we jouw en Lysias' leerlingen moeten noemen. Of is dit nu soms de retorica, waardoor Thrasimachos en consorten listige sprekers zijn geworden, en leren ze dit aan iedereen die bereid is hen te betalen als vorsten?
Phaidros: Vorstelijk zijn ze wel, maar in de dingen waarover gij vragen stelt hebben zij geen ervaring. Ik denk overigens dat ge die eerste betoogtrant met het woord dialectiek de juiste benaming geeft, maar van de retorica hebben we nog steeds geen duidelijk begrip. Sokrates: Hoe bedoel je dat? Zou er soms iets waardevols kunnen bestaan, dat niet onder onze beschrijving valt en toch kunst genoemd wordt? Dan wordt het de hoogste tijd dat jij en ik onder woorden brengen wat er nog meer onder retorica valt dat nog niet door ons is genoemd.
Phaidros: En dat is heel wat, Sokrates. Het staat in de boeken die zijn geschreven over de kunst van het spreken.
Sokrates:
Ja, dat is waar ook. Er zal eerst wel een inleiding komen, zoals aan het begin van een redevoering. Een lokkertje zogezegd.
Phaidros:
Ja.
Sokrates: Dan komt er een uiteenzetting over de verschillende standpunten, ten derde het feitenmateriaal en ten vierde de visie van de spreker. Dan is er nog zoiets als staving en herstaving, zoals die briljante woordkunstenaar uit Byzantium dat noemt.
Phaidros:
Ge bedoelt de brave Theodoros?
Sokrates:
Wie anders? En hij geeft ook aan hoe iets weerlegd en nog eens weerlegd moet worden, zowel in een beschuldiging als in een verdediging. En zullen wij dan ook niet de beroemde Evenos uit Pari ten tonele voeren, die als eerste de zijdelingse verdachtmaking en zijdelingse lof introduceerde? Er zijn er die zeggen dat hij zelfs de bedekte kritiek in versvorm goot, zodat deze beter in de herinnering bleef hangen. Een slimme kerel! En moeten wij dan Tisias en Gorgias overslaan, sprekers die ontdekten, dat ideeen meer op prijs gesteld worden dan de waarheid; die door de macht van het woord kleine dingen groot en grote dingen klein lijken te maken; die het moderne in ouderwetse termen kunnen gieten en omgekeerd en die voor elk onderwerp de beknoptheid en de breedsprakigheid hebben uitgevonden? Toen Prodikos dat een keer van mij hoorde, moest hij lachen en zei, dat hij zelf de ware kunst van het spreken had uitgevonden: niet te lang en niet te kort, maar precies de juiste maat.
Phaidros: Die ongelooflijk knappe Prodikos toch!
Sokrates: En Hippias dan, de man uit Elis? Die zal het, denk ik, wel met hem eens zijn.
Phaidros:
Zeker.
Sokrates:
Wat zullen wij zeggen van Polos en zijn opsomming van geleerde termen, zoals diplasiologie, gnomologie en iconologie; woorden die hem door Likymnios ingegeven zijn om er zijn dichterlijke taal mee op te sieren.
Phaidros: En Protagoras, Sokrates, hield die zich ook niet met dit soort dingen bezig?
Sokrates:
Ja, mijn jongen, met de zogenaamde orthoepie en met allerlei ander fraais. De klacht van de Chalcedonier was, denk ik, dat hij de kunst verstond jammerende en meewarige toespraken te houden over onderwerpen als ouderdom en gebrek. Naar hij zelf zei, was hij een meester in het ophitsen van de massa om deze daarna met bezwerende woorden weer te sussen. Als geen ander zag hij kans om eerst een sfeer van verdachtmaking op te roepen en die vervolgens op de een of andere manier weer te ontzenuwen.
Over de afsluiting van een redevoering lijken allen het eens te zijn. Alleen spreken sommigen over recapitulatie, terwijl anderen het weer anders noemen.
Phaidros:
Bedoelt ge om aan het eind van een redevoering de belangrijkste punten te herhalen om de toehoorders een overzicht te geven?
Sokrates:
Precies. Heb jij soms nog iets toe te voegen aan de kunst van het spreken?
Phaidros:
Kleinigheden die het vermelden niet waard zijn.
Sokrates: Laten wij die dan overslaan en ons bepalen tot het belangrijkste: in hoeverre en wanneer heeft deze kunst macht?
Phaidros: Vooral in openbare vergaderingen heeft ze grote macht.
Sokrates: Dat is zo, maar kijk nu ook eens, rakker, of jij niet net als ik de indruk hebt dat hun web gaten vertoont.
Phaidros: Geef eens een voorbeeld.
Sokrates: Als iemand naar je vriend Eryximachos of naar diens vader Akoumenos zou gaan met de mededeling: ik weet een middel waarmee ik lichamen kan verwarmen of laten afkoelen als ik dat wil, of laten spuwen of ontlasten en al dat soort dingen. En daarom acht ik mijzelf een geneesheer en in staat een ander wie ik mijn kennis overdraag, ook tot geneesheer te maken. Wat zouden zij daarop zeggen, denk je?
Phaidros: Zij zouden hem zeker vragen of hij ook wist wie hij die behandeling moest geven, wanneer en voor hoe lang.
Sokrates: Als hij dan zou antwoorden: geen idee, maar ik geloof dat degene die de kunst van mij geleerd heeft uit zichzelf wel in staat is te doen waar ge naar vraagt.
Phaidros: Volgens mij zouden zij zeggen dat de man gek is en zich inbeeldt een arts te zijn omdat hij toevallig iets in een boek heeft gelezen of wat medicijnen heeft gevonden, hoewel hij er geen verstand van heeft.
Sokrates: En wat dan als iemand naar Sophokles of Euripides toekomt en zegt dat hij stukken kan schrijven: uitvoerige over een onbeduidend onderwerp en zeer korte over een belangrijke zaak, meewarige, maar ook angstaanjagende en dreigende, of noem maar op, en dat hij dus vindt dat hij door deze dingen te onderwijzen de kunst van het tragedieschrijven doorgeeft?
Phaidros: Beste Sokrates, die zouden denkelijk ook smalend lachen wanneer iemand kennelijk denkt dat een tragedie uit niets anders bestaat dan een juiste onderlinge rangschikking van de delen tot een organisch geheel. Sokrates: Maar ze zouden hem dat niet grofweg voor de voeten gooien, denk ik, maar het meer doen op de manier van een musicus die een man tegenkomt, die meent iets van muziek te weten, omdat hij toevallig de hoogste en de laagste toon kan aanslaan. Hij zou niet botweg zeggen: 'Sukkel, je bent niet goed bij je hoofd', maar hij zou liever zeggen - want hij is een musicus - 'Mijn beste, natuurlijk moet iemand die zich in de muziek wil verdiepen deze dingen weten, maar dat wil nog niet zeggen dat iemand die uw kennis bezit, ook werkelijk een musicus is. De onontbeerlijke grondslagen van de harmonieleer kent ge wel, maar de harmonie zelf niet.
Phaidros: Heel juist.
Sokrates: Zou dus Sophokles tegen de persoon in kwestie kunnen zeggen dat hij wel blijk geeft iets van de beginselen van de tragedie te kennen, maar toneel als geheel niet, en zo zou Akoumenos kunnen antwoorden dat hij wel iets van de beginselen van de geneeskunde kent, maar de geneeskunde zelf niet.
Phaidros: Daar ben ik het volledig mee eens.
Sokrates: Welnu. Stel dat de zoetgevooisde Adrastos of Perikles ons hadden horen spreken over de prachtige vaardigheden waar wij het over hadden, over bondigheid en het gebruik van beeldspraak en alle andere vaardigheden waarvan wij zeiden dat wij ze een voor een moeten onderzoeken. Als iemand in woord en geschrift beweert dat de som van deze bekwaamheden retorica is, zouden zij dan hem niet net zo hard en met even scherpe woorden aanvallen als wij dat deden? Of zouden zij, die immers wijzer zijn dan wij, ons het zwijgen opleggen en ons als volgt toespreken: 'Phaidros en Sokrates, laten we ons niet opwinden, maar er begrip voor hebben dat sommige mensen die niet onderlegd zijn in dialectiek, niet in staat zijn te begrijpen wat retorica is. Zij denken het te weten zodra zij over de vaardigheden beschikken die men ervoor nodig heeft. Wij moeten hun dat vergeven, zoals wij hun ook het waanidee moeten vergeven dat zij anderen retorica kunnen onderwijzen door hun die vaardigheden bij te brengen. Ook moeten we het hun vergeven als ze ten onrechte denken dat het met overtuiging naar voren brengen van al die verschillende mogelijkheden en deze tot eenheid brengen, dingen van ondergeschikt belang zijn, waar hun leerlingen zelf maar achter moeten komen.'
Phaidros: Wat ge nu aangeeft, Sokrates, lijkt inderdaad wel op de kunst die de mensen als retorica onderwijzen en beschrijven. Ik denk dat ge de waarheid hebt gesproken. Maar hoe en van wie zou men dan de ware kunst van het spreken en overtuigen kunnen leren?
Sokrates: Om dat te bereiken, beste Phaidros, om de beste redenaar te worden, gaat het zeker net als met andere dingen. Want als ge een natuurlijke aanleg voor retorica hebt, dan wordt ge een goed redenaar als ge aan die begaafdheid kennis en ervaring toevoegt.
Voor zover die ontbreken, zal onvolmaaktheid het gevolg zijn. Maar als het om de techniek gaat, lijkt me de methode waarvan Lysias en Thrasymachos zich bedienen, niet de beste.
Phaidros: Welke is dat dan wel?
Sokrates: Het lijkt me redelijk om Perikles in de kunst van de retorica de hoogste kwaliteiten toe te dichten.
Phaidros: Waarom?
Sokrates: Alle grote uitingen van kunst vragen voortdurend om een filosofische bespiegeling van hun scheppingsproces. Want het verhevene en volmaakte komt daar steeds uit voort. En dat is nu precies wat Perikles nog aan zijn natuurtalent wist toe te voegen. Want ik meen te weten dat hij door zijn omgang met Anaxagoras - een man met vergelijkbare kwaliteiten - doordrongen werd met opvattingen van hoog niveau en dat hij van alles te weten kwam over zin en onzin, onderwerpen waaraan Anaxagoras veel aandacht besteedde. En dit kwam hem juist van pas bij de retorica.
Phaidros: Wat bedoelt ge hiermee?
Sokrates: Dat de methode van de geneeskunde dezelfde is als die van de retorica.
Phaidros: Hoezo dan?
Sokrates: Bij de geneeskunde gaat het er om de ware aard van het lichaam bloot te leggen en bij de retorica om die van de ziel, als je tenminste geen genoegen wilt nemen met een aanpak die louter op gewoonte gebaseerd is. Dan zul je ook in staat zijn het fysieke lichaam gezond te maken met voedsel en medicijnen; of in het andere geval: de geest door woord en daad te inspireren tot het praktische geloof in een deugdzaam leven.
Phaidros: Dat kon wel eens waar zijn, Sokrates.
Sokrates: En kan men zich een bruikbaar inzicht verschaffen in de essentie van de geest, zonder zich een beeld te vormen van de essentie van het geheel?
Phaidros: Als we enig geloof mogen hechten aan Hippokrates uit de school van Asklepios, komen we zonder dat over het lichaam niets te weten.
Sokrates: Wel, mijn beste, daar heeft hij gelijk in. Maar ga behalve bij Asklepios ook bij je eigen verstand te rade of dit klopt.
Phaidros: Goed.
Sokrates: Ga dan na wat Hippokrates en jouw verstand je te zeggen hebben over de essentie. Moeten we ons er niet als volgt mee bezighouden: eerst nagaan of datgene waarin we ons willen bekwamen, enkel- dan wel meervoudig is. Vervolgens, als het enkelvoudig is, moeten we de kracht ervan bestuderen, nagaan of het ergens kracht op uitoefent dan wel ergens zijn kracht aan ontleent; en lijkt het meervoudig, dan dienen de delen beschreven te worden, en van ieder deel vervolgens bekeken waar het kracht op uitoefent dan wel waar het kracht aan ontleent.
Phaidros: Daar lijkt het wel op, Sokrates.
Sokrates: Een benadering zonder dit te doen lijkt me als de gang van een blinde. Maar niet vergelijkbaar met een dove of blinde is hij die, wat het ook zijn mag, systematisch te werk gaat. En het zal duidelijk zijn, dat wie anderen volgens beproefde wetenschappelijke methoden onderwijst in de retorica, heel precies de ware aard zal bloot leggen van datgene waarover hij spreekt. En dat moet toch alles zijn wat bezield is.
Phaidros: Ja.
Sokrates: Is het dan niet duidelijk dat hij daar alles op moet richten om zo de noodzakelijke overtuigingskracht te vinden?
Phaidros: Ja.
Sokrates: Dan moet het toch duidelijk zijn, dat Thrasymachos en ieder ander die serieus retorica-onderwijs wil geven, eerst met de grootst mogelijke nauwgezetheid de ziel zal moeten beschrijven, om te zien of die enkelvoudig is en gelijksoortig of, zoals de fysieke wereld, veelsoortig. Want zo zouden we de essentie aantonen, spraken we af.
Phaidros: Zeker.
Sokrates: Vervolgens waar de ziel kracht op uitoefent, dan wel kracht aan ontleent.
Phaidros: Natuurlijk.
Sokrates: In de derde plaats zal hij het soort woorden en het soort zielen onderscheiden, de diverse effecten uitleggen en de oorzaken daarvan aangeven, om zo elk effect te kunnen koppelen aan een ziel en te laten zien, in hoeverre de ene ziel noodgedwongen moet worden overtuigd met een bepaalde betoogtrant en de andere juist niet.
Phaidros: Zo lijkt het me het allerbeste.
Sokrates: Zo en niet anders, mijn beste, dienen teksten te worden behandeld, ongeacht hun onderwerp. Maar de leermeesters van nu, naar wie je hebt geluisterd, zijn er zelfs meester in om met groot vertoon van vaardigheid dat te verbergen waar ze alles van weten en waar het juist om gaat: de ziel. Tenzij zij in woord en geschrift onze methode gaan volgen, moeten wij niet geloven in enige werkelijke kwaliteit van hun geschriften. Phaidros: Hoe is onze methode dan?
Sokrates: Het is niet gemakkelijk om dat precies onder woorden te brengen. Maar voorzover dat mogelijk is, wil ik wel zeggen hoe iemand moet schrijven volgens de regels van de kunst.
Phaidros: Doe dat maar.
Sokrates: Het woord heeft de eigenschap aantrekkingskracht uit te oefenen op een ziel, maar dan moet de redenaar in spe wel de verschillende verschijningsvormen van de ziel kunnen herkennen. Ze zijn talrijk en van uiteenlopende kwaliteit. Tengevolge daarvan zijn de mensen zeer verschillend en al deze verschillen moet hij weten te onderscheiden. Daarnaast zijn er de meest uiteenlopende manieren van spreken. De ene mens wordt gemakkelijk overtuigd door een argument als het op een bepaalde manier wordt verwoord, maar een ander wordt met datzelfde argument niet van zijn stuk gebracht. Een redenaar moet dit alles goed weten om het in praktijk te kunnen waarnemen en daarnaar te handelen, anders is zijn opleiding voor niets geweest. Wanneer hij eenmaal goed geleerd heeft hoe verschillende mensen kunnen worden overtuigd, dan moet hij in staat zijn degene die hij in het dagelijks leven ontmoet, te doorzien en vast te stellen waarvoor deze ontvankelijk is. Eens heeft hij daarin les gekregen, maar hij moet op het juiste moment het juiste woord voor de juiste man weten te treffen om te overtuigen. Tevens moet hij het juiste moment weten om te spreken of te zwijgen, hij moet weten wanneer het wel en niet passend is om kort te zijn, en wanneer medelijden of verontwaardiging te tonen, kortom hij moet met deze kennis kunnen omgaan in alle retorische vormen die hij heeft geleerd. Als hij dat beheerst, is zijn kunde volmaakt, eerder niet. Maar als iemand - sprekend, onderwijzend of schrijvend - ook maar een steek laat vallen en toch beweert dat hij spreekt volgens de regels van de kunst, dan is hij die hem niet gelooft, degene die beter weet. Onze schrijver zal nu misschien zeggen: Jullie vinden dus, Phaidros en Sokrates, dat het zo moet of moeten we nog aandacht besteden aan andere retorische methoden? Phaidros: Het kan onmogelijk anders, Sokrates, hoewel . . . het is geen kleinigheid.
Sokrates: Dat is waar. Daarom moeten we onze argumenten ook van alle kanten bekijken om te zien of er niet eenvoudiger en kortere manieren zijn om ons doel te bereiken, zodat we niet voor niets een lange moeizame omweg maken, terwijl er een korte gemakkelijke weg is. Maar kijk eens of je nu niet meteen een methode te binnen schiet, die je van Lysias of iemand anders hebt gehoord.
Phaidros: Dat zou ik best willen, maar er schiet me niets te binnen.
Sokrates: Zal ik dan eens iets vertellen wat ik heb gehoord van mensen die er verstand van hebben?
Phaidros: Graag.
Sokrates: Het spreekwoord zegt immers, Phaidros, dat het rechtvaardig is ook de zaak van de boze wolf te bepleiten.
Phaidros: Doe dat dan maar.
Sokrates: Welnu, zij beweren dat men niet zo hoogdravend hoeft te zijn en het ook niet zo ver hoeft te zoeken. Want, zoals ik in het begin al zei, wie een goede redenaar wil worden kan uitstekend buiten de waarheid - of het nu gaat om rechtvaardigheid en goedheid, of om rechtvaardige en goede mensen, die dat van nature zijn of door opvoeding. Want in rechtszalen bekommert niemand zich ook maar in de verste verte om de waarheid in deze dingen, maar wel om wat overtuigt. En dat is dan wat waar lijkt; daarop moet de aankomende redenaar zijn aandacht richten. Soms - wanneer de werkelijke feiten niet aannemelijk zijn - moet men immers niet die noemen, maar alleen wat waarschijnlijk is. Dat geldt zowel voor aanklagers als voor verdedigers. De spreker moet zich volledig richten op waarschijnlijkheden en met zijn woordenvloed zegt hij de waarheid vaarwel. De kunst is nu juist, dit principe van begin tot eind door te voeren.
Phaidros: Datzelfde, Sokrates, zeggen ook zij die beweren de kunst van het spreken te beheersen. Ik herinner mij dat wij daar voorheen kort over gesproken hebben, maar het blijkt voor de kenners van groot belang.
Sokrates: Bij Tisias bijvoorbeeld, die je zo nauwgezet hebt bestudeerd. Laat Tisias ons nu eens vertellen of de massa gelooft in wat waarschijnlijk is. Phaidros: Hij zegt van wel.
Sokrates: Toen hij deze slimme en kunstige definitie had gevonden, gaf hij, geloof ik, het volgende voorbeeld: Een kleine en dappere man slaat een krachtige lafaard neer en neemt deze zijn mantel of iets anders af. Als zij dan voor het gerecht worden gebracht, zal geen van beide partijen de waarheid spreken. De lafaard zal niet zeggen dat zij maar met zijn tweeen waren en de ander zal als argument aanvoeren: Hoe zou ik, klein als ik ben, het tegen zo'n kerel kunnen opnemen? De eerste zal zijn lafheid niet toegeven, maar proberen een andere leugen te bedenken en zo zijn tegenstander misschien zelfs in de kaart spelen. En er zijn nog andere soortgelijke foefjes die voor de kunst van het spreken worden aanbevolen. Of niet soms, Phaidros?
Phaidros: Ja, zeker.
Sokrates: Mijn hemel, Tisias blijkt daar een ontzaglijk mysterieuze kunst te hebben ontdekt; of een ander dan Tisias, wie het ook is of waar hij ook vandaan mag komen. Wel, mijn vriend, zullen wij Tisias' woorden weerleggen of niet?
Phaidros: Hoe dan?
Sokrates: Wel, als volgt: een poosje geleden, Tisias, voor uw komst, spraken wij er net over dat die waarschijnlijkheid waar gij op doelt, juist door haar gelijkenis met de waarheid zo bij de goegemeente is ingeslagen. Maar wij zeiden zoeven dat hij die de waarheid kent, overal het best weet te herkennen wat op waarheid lijkt. En als gij iets anders kunt zeggen over de retorica, dan zullen wij naar u luisteren. Zo niet, dan blijven wij vertrouwen op wat we nu zeiden, namelijk dat een man nooit een bekwaam spreker kan worden binnen de grenzen van het menselijk vermogen, tenzij hij rekening houdt met de aard van zijn toehoorders en in staat is alle dingen naar soort te onderscheiden en alle aparte dingen in een begrip samen te vatten. En die bekwaamheid zal hij nooit krijgen zonder heel wat inspanning. Die inspanning moet hij zich als wijs man overigens niet getroosten terwille van het spreken en optreden voor mensen, maar om naar beste weten te kunnen spreken en handelen op een wijze die de goden behaagt. Want wijzere mannen dan wij, Tisias, zeggen dat een verstandig man niet zijn medeslaven moet behagen - tenzij als bijkomstigheid - maar zijn goede en nobele meester. Wees daarom niet verwonderd als de weg lang is, hij wordt immers afgelegd terwille van een groots doel en niet voor wat gij beoogt. Maar - het betoog zegt het al - toch zal, voor wie dat wil, ook uw doel op die manier het best worden bereikt.
Phaidros: Zoals gij het beschrijft, lijkt het mij heel mooi, Sokrates. Waren we nu ook maar in staat om zo te handelen.
Sokrates: Is het niet terecht om het goede en schone na te streven, wat er ook voor beproevingen op onze weg komen?
Phaidros: Zeker.
Sokrates: Welnu, wat er nu is gezegd over de kunst van het spreken, wat het wel is en wat niet, moet voldoende zijn.


274b