Bert's brein

geplaatst: 62-2015
reageer

fragment tekst "Meno" van Plato



bron: ars floreat

terug naar Gorgias versus Plato

Gesprekspartners: Menoon, Sokrates, Menoons huisjongen, Anutos

Menoon: Vertel mij, Sokrates, is deugd een kwestie van theorie of moet zij in de praktijk verworven worden; of is het geen van beide en dus een natuurlijke gave, of nog iets anders?
Sokrates: Vanouds, Menoon, worden de Thessaliers onder de Grieken geroemd en bewonderd om hun rijkunst en hun rijkdom. Maar tegenwoordig roemt men hen ook om hun wijsheid en dat doen de inwoners van Larissa, stadgenoten van uw vriend Aristippos, wel in het bijzonder. Wees Gorgias daar maar dankbaar voor. Gedurende zijn verblijf in uw stad heeft hij bij de voormannen van de hoogste kringen liefde tot wijsheid weten te wekken, dus ook bij uw vriend Aristippos en andere Thessaliers. Bovendien heeft hij u geleerd op iedere vraag onverschrokken en groots te antwoorden, zoals het een geleerde betaamt. Hij zelf gaf ook elke Griek de gelegenheid vragen te stellen over ieder willekeurig onderwerp en iedereen kreeg altijd antwoord.
Mijn beste Menoon, in dit land staan de zaken heel anders. Er lijkt een zekere stilstand in kennis te zijn ingetreden en het ziet ernaar uit dat de wijsheid uit mijn regionen naar de uwe is uitgeweken. Mocht ge iemand uit deze streek uw vraag willen stellen, dan zal iedereen in lachen uitbarsten en zeggen: 'Vreemdeling, ge moet mij wel voor een begenadigd schepsel houden, dat ge denkt van mij te kunnen horen hoe deugd geleerd moet worden of hoe zij tot ons komt. Ik zou werkelijk niet weten of iets dergelijks al dan niet kan worden geleerd. Sterker nog, ik weet werkelijk niet wat precies bedoeld wordt met het begrip deugd.' En zo'n antwoord, Menoon, zou ook het mijne zijn. Ten aanzien van die kwestie lijd ik aan hetzelfde euvel als mijn stadgenoten en ik neem het mezelf kwalijk dat ik werkelijk niets van deugd weet. En als ik niet weet wat het is, hoe zou ik dan iets over de kwaliteiten ervan kunnen zeggen? Of acht gij het mogelijk dat iemand die u niet kent, kan zeggen wie Menoon is; of hij mooi, rijk of nobel is, of niet? Denkt ge dat?
Menoon: Maar weet gij werkelijk niet wat deugd is, Sokrates? Is dat wat we in Thessalie over u moeten gaan vertellen?
Sokrates: Dat niet alleen mijn vriend, maar ook dat ik bij mijn weten nog nooit iemand heb ontmoet die me dat wel kon zeggen.
Menoon: Wat zegt ge? Hebt ge Gorgias dan niet ontmoet, toen die hier was?
Sokrates: Jawel.
Menoon: En kreeg u niet de indruk dat hij het wist?
Sokrates: Beste Menoon, mijn geheugen is niet zo goed dat ik nu precies kan zeggen wat ik toen dacht. Maar misschien wist hij het wel, en weet gij nog wat hij zei. Fris daarom mijn geheugen op en vertel mij wat hij zei. Of spreek uit uzelf, zo ge wilt, want volgens mij denkt gij net als hij.
Menoon: Ja, dat is zo.
Sokrates: Dan laten we de afwezige buiten beschouwing. Bij de goden, Menoon, zegt gij mij wat deugd is. Ik moet blij zijn dat ik het slachtoffer van een gelukkige vergissing ben geworden, want gij en Gorgias weten het beslist, terwijl ik nog nergens iemand trof die op de hoogte was.
Menoon: Dat is eenvoudig te zeggen, Sokrates. Laten we beginnen met de deugd van de man, dat is eenvoudig. De deugd van de man bestaat hieruit dat hij de staatszaken behartigt in het voordeel van zijn naasten en in het nadeel van zijn vijanden, waarbij hij ervoor zorgt zelf buiten schot te blijven. En ook de deugd van de vrouw laat zich gemakkelijk omschrijven. Zij moet haar huis goed bewonen, verzorgen wat erin is en haar man gehoorzamen. Met de deugd van een kind is het weer anders, zowel voor het meisje als voor de jongen, en ook voor de volwassene en bovendien voor de vrije man of voor de slaaf, en ga zo maar door. Trouwens, het wemelt van de deugden, zodat er meer dan genoeg over te zeggen valt. In iedere handeling is deugd, die bepaald wordt door de aard van het werk en door onze leeftijd. En ik denk, Sokrates, dat het met ondeugd net zo is.