Bert's brein

geplaatst: 6-2-2015
reageer

integrale tekst "apologie" van Plato



bron: ars floreat

terug naar Gorgias versus Plato

APOLOGIE
Gesprekspartners: Sokrates, Meletos, juryleden van het Volksgerecht van Athene.


Sokrates: In hoeverre gij, mannen van Athene, door mijn aanklagers zijt beïnvloed, weet ik niet; maar ik voor mij moet zeggen dat ze zo overtuigend gesproken hebben dat ik mezelf daarin bijna niet meer herkende. Er was dan ook geen woord waar van wat ze zeiden. Van alles wat zij ons op de mouw hebben gespeld, was er een ding waarover ik mij bijzonder verbaasde: de waarschuwing om u niet door mij om de tuin te laten leiden, omdat ik zo'n geducht spreker zou zijn. Het schandelijkste van die uitspraak lijkt mij nog dat zij zich er niet eens voor schamen, want ik kan hier en nu meteen bewijzen dat hun bewering niet klopt; ik ben immers helemaal geen geducht spreker. Tenzij zij natuurlijk iemand die de waarheid spreekt, een geducht spreker noemen; dan kan ik beamen een goed redenaar te zijn, al is het niet op hun manier. Maar zoals ik al zei, zij hebben nauwelijks waarheid gesproken, terwijl gij van mij de volle waarheid te horen zult krijgen.
Mannen van Athene, van mij zult ge geen redevoering horen als van mijn aanklagers, met fraai gekozen woorden en zinnen, noch een zorgvuldig opgebouwd betoog, maar een toespraak voor de vuist weg, in woorden zoals ze mij invallen. Want ik weet zeker dat het juist is wat ik zeg en laat niemand van u iets anders van mij verwachten. Want het zou toch niet bij mijn hoge leeftijd passen, bij u aan te komen met de verzinsels van een jongen die een spreekbeurt houdt.
Mannen van Athene, dit vraag ik u met klem: als ge mij hoort spreken met dezelfde woorden die ik pleeg te gebruiken op de markt bij de wisseltafels, waar velen van u mij hebben gehoord - en trouwens ook elders -, wees daar dan niet verbaasd over en neem er geen aanstoot aan. De kwestie is namelijk dat ik voor het eerst in de zeventig jaar die ik tel, voor een rechtbank verschijn.
Ik sta volkomen vreemd tegenover de taal die hier wordt gebezigd. Wil mij dus, alsof ik een vreemdeling was, vergeven dat ik spreek in de taal en op de wijze die ik van huis uit heb meegekregen. Ik denk dat het redelijk is u te vragen geen aandacht te schenken aan de manier waarop ik spreek - want die kan goed zijn of niet goed. Maar let er alleen op of wat ik zeg waar is of niet. Dat is de taak van de rechter, en de redenaar moet de waarheid spreken.
Om te beginnen, mannen van Athene, heb ik het recht mij te verdedigen tegen de oude leugens die al eerder tegen mij waren ingebracht, en vervolgens tegen de nieuwe. Want al sinds jaren zijn er velen bij u gekomen om mij aan te klagen en zij spraken de waarheid niet. Hen vrees ik meer dan Anytos en de zijnen, hoewel die ook gevaarlijk zijn. De eersten zijn echter gevaarlijker, omdat zij u al van kindsbeen af hebben beïnvloed en overtuigd, door in strijd met de waarheid over mij te zeggen: 'Er bestaat een zekere Sokrates; het is een wijs man, die de verschijnselen in de hemel naspeurt en alles onder de aarde onderzoekt en die wat krom is, recht praat'.
Degenen die dit praatje hebben rondgestrooid, mannen van Athene, zijn gevaarlijke tegenstanders. Want wie naar hen luistert, loopt het gevaar te gaan denken dat mensen die zich met een dergelijk onderzoek bezighouden, niet in goden geloven. Bovendien zijn er heel wat van dat soort en al heel lang spreken ze kwaad over mij. Zij hebben op u ingepraat tijdens uw zeer ontvankelijke kindertijd, en op enkelen van u nog daarna, en zo werd ik als het ware bij verstek veroordeeld, en niemand verdedigde mij.
Maar het onzinnigste van dit alles is wel dat ik van geen van hen de naam weet of noemen kan, behalve van een enkele blijspeldichtera
Houdt er dus rekening mee dat ik, zoals ik zei, met twee soorten tegenstanders te maken heb: mijn aanklagers van zoeven en mijn aanklagers van jaren her. Met de laatste categorie moet ik het eerst afrekenen, want hun bezwaren hebt ge eerder en vaker gehoord dan die van de anderen. die zich onder hen bevindt. Uit afgunst wisten zij u met laster om te praten - sommigen onder hen hadden zich eerst zelf laten overtuigen - en daarom zijn zij het moeilijkst te pakken. Het is immers onmogelijk om hier wie dan ook ter verantwoording te roepen, dus ik kan niets weerleggen. Daarom moet ik mijn verdediging inrichten als een schimmenspel en mij teweerstellen zonder dat ik van iemand een antwoord kan verwachten.
Goed dan. Ik zal me verdedigen, mannen van Athene, en proberen de slechte naam die al zo lang geleden bij u heeft postgevat, teniet te doen, en dat ook nog in de korte tijd die mij is toegemeten. Ik hoop dat ik hierin zal slagen, althans dat u en ik daar beter van worden, en dat ik succes heb met mijn verdediging. Maar het zal moeilijk zijn, vrees ik, en ik wil niet verhelen hoe de zaken staan. Laat het gaan zoals God het wil, maar de wet moet gehoorzaamd worden en dus moet ik mij verdedigen.
We zullen de aanklacht nagaan van het begin af, toen de laster tegen mij ontstond die nu voor Meletos aanleiding is dit proces tegen mij aan te spannen. Waarover roddelen die roddelaars eigenlijk? Ik zal, als hadden wij met echte aanklagers van doen, hun beedigde verklaring citeren:
'Sokrates handelt onwettig en hij is een bemoeial, want hij onderzoekt onderaardse en hemelse zaken, spreekt wartaal en geeft daarin ook nog les aan anderen.' aanleiding is dit proces tegen mij aan te spannen. Waarover roddelen die roddelaars eigenlijk? Ik zal, als hadden wij met echte aanklagers van doen, hun beedigde verklaring citeren:
Iets van dien aard is het. Ge hebt het immers zelf in de komedie van Aristophanes gezien. Daar werd een zekere Sokrates ten tonele gevoerd die beweerde dat hij op lucht kon lopen en meer van dat soort dingen, waar ik in de verste verte geen weet van heb. En ik zeg dit niet uit minachting voor dat soort wetenschap, zolang het inderdaad een wetenschap is. - Laat ik mij tegen dat soort verdachtmakingen nooit bij Meletos hoeven te verdedigen!
Neen, mannen van Athene, met dat soort zaken heb ik mij nimmer ingelaten. Het merendeel van u, zoals u hier zit, gij allen die mij hebt horen spreken - en dat zijn er velen - roep ik tot getuige, en ik verzoek u elkaar in te lichten en het door te geven; meldt het elkaar gerust, als ik me ooit met zoiets zou hebben beziggehouden. Daaruit zal u duidelijk worden dat hetzelfde geldt voor al het andere dat over mij wordt beweerd. Er is immers helemaal niets van waar, en mocht u van iemand hebben gehoord dat ik mensen les geef en daarvoor geld vraag, dan is dat evenmin waar. Wat niet wegneemt dat het me een goede zaak lijkt als er mensen zijn die les kunnen geven, zoals Gorgias uit Leontini en Prodikos uit Kos of Hippias uit Elis. In welke stad ze zich ook vertonen, mannen, steeds weten zij jonge mensen die gratis les kunnen krijgen van elke medeburger die ze wensen, er weer van te overtuigen dat ze die lessen moeten opgeven en zich tegen betaling bij hen moeten aansluiten. En daar moeten ze dan nog dankbaar voor zijn ook.
En dan hoorde ik over nog een wijze uit Paros, die hier zou verblijven. Ik ontmoette namelijk Kallias, de zoon van Hipponikos, die aan de sofisten meer geld had uitgegeven dan alle anderen samen. Hij heeft twee zoons en ik vroeg hem: 'Kallias, stel dat uw zoons veulens of kalveren waren, dan namen we daar toch een opzichter voor in dienst die de beesten zo goed mogelijk zou opfokken overeenkomstig de mogelijkheden van hun natuur; dus een paardenkenner of een veehouder. Maar nu gaat het om twee mensen, en wie moet daarvoor zorgen? Wie is er zo goed thuis in menselijke kwaliteiten en burgerdeugden? Ge hebt zoons, dus natuurlijk hebt ge daarover nagedacht. Welnu, bestaat er zo iemand?' 'Natuurlijk', zei hij. En ik weer: 'Wie dan, waar komt hij vandaan en wat vraagt hij ervoor?' Toen zei hij: 'Euenos uit Paros en hij rekent 5 minae.' En ik prees Euenos gelukkig, als hij die kunst werkelijk zou verstaan en toch zo goedkoop is. Zelf zou ik in ieder geval trots zijn als ik dat kon. Maar ik kan het niet, mannen van Athene!
Nu kan iemand tegenwerpen: 'Maar wat doet gij dan, Sokrates? Waar komen die praatjes over u dan vandaan? Want als ge niet anders doet dan de anderen, zou er toch niet zo'n rumoer om u zijn? Of pakt ge het werkelijk anders aan dan de anderen? Vertel ons daar dus over, zodat we niet voorbarig over u oordelen.'
Wie zo redeneert, heeft, dunkt me, gelijk en ik ga dan ook proberen uit te leggen waardoor dat rumoer om mij is ontstaan. Misschien denkt ge dat ik een grapje maak, maar ik spreek de waarheid, houdt daar rekening mee. Mannen van Athene, door niets anders dan een zekere wijsheid heb ik me deze naam verworven. En welke wijsheid? Misschien menselijke wijsheid. Misschien kan ik daar inderdaad enigszins over beschikken. Maar misschien beschikken de leraren die ik zojuist noemde, wel over - hoe zal ik het zeggen - bovenmenselijke wijsheid. In elk geval heb ik daar geen verstand van, en wie beweert van wel, liegt en wil me belasteren. En onderbreek me nu niet met uw gemompel, mannen van Athene, ook al vindt ge mijn bewering misschien overdreven, het is geen tekst van mij; ik citeer een bron van gezag. Zo ik over enige wijsheid beschik, roep ik daarvoor het orakel van Delphic
Ge kent toch Chairephoon wel? Hij was van jongs af mijn vriend en ook een vriend van u allen; hij deelde uw ballingschap en kwam tegelijk met u terug. Ge weet toch wat voor man Chairephoon was en hoe impulsief in alles wat hij ondernam. Welnu, op een keer ging hij naar Delphi en had de moed het orakel het volgende te vragen - en, mannen, wat ik ook ga zeggen, bewaar uw kalmte -: hij vroeg of er iemand bestaat die wijzer is dan ik. En de Pythia antwoordde dat niemand wijzer is. tot getuige.
Daar Chairephoon niet meer leeft, moet zijn broer, die hier aanwezig is, voor de waarheid van het gebeurde instaan.
Begrijp nu goed waarom ik u dit vertel. Ik ga u namelijk uitleggen hoe de laster tegen mij is ontstaan. Toen ik het antwoord van de Pythia hoorde, dacht ik bij mijzelf: Wat kan de godheid hiermee bedoelen en waar zinspeelt zij op? Want ik ben me er wel van bewust dat ik niet bijzonder wijs of onwijs ben. Wat bedoelt zij dan, wanneer zij beweert dat ik de wijste ben? Zij kan toch niet liegen, want dat past een god niet. En lange tijd heb ik mijzelf afgevraagd wat zij bedoelde; toen begon ik met veel moeite een soort onderzoek. Ik ging naar iemand toe die de reputatie heeft, wijs te zijn, en veronderstelde dat ik daar de orakeluitspraak toch wel zou kunnen ontzenuwen, door vast te stellen dat die man wijzer is, hoewel het orakel zegt dat ik wijzer ben. Toen ik die man - ik heb er geen behoefte aan zijn naam te noemen, maar het was een politicus, mannen van Athene -, toen ik die man dus aan de tand voelde, bleek mij dat hij weliswaar bij velen en in het bijzonder bij zichzelf de indruk vestigde wijs te zijn, maar dat hij het niet was. Daarop probeerde ik hem duidelijk te maken dat hij wel dacht wijs te zijn, maar het niet was. Het gevolg was dat ik mij bij hem en bij velen van de aanwezigen gehaat maakte. Toen ik wegging, zei ik tot mijzelf dat ik in ieder geval wijzer was dan die man. Het lijkt er immers op dat geen van ons beiden iets weet dat juist kan worden genoemd. Maar hij denkt dat hij het wel weet, en ik denk tenminste niet dat ik het wel weet, als ik het niet weet. In dit opzicht blijk ik dus een tikje wijzer dan hij, omdat ik niet meen te weten wat ik niet weet.
Vervolgens ging ik naar iemand die de reputatie had nog wijzer te zijn dan de eerste, en ook daar kwam ik tot dezelfde conclusie en maakte mij bij de man in kwestie en bij vele omstanders gehaat.
Daarna ging ik van de een naar de ander en het ontging me niet dat ik mij gehaat maakte, wat ik betreurde en vreesde, maar tegelijk vond ik het nodig de uitspraak van de godheid in ere te houden. Om te onderzoeken wat het orakel bedoelde, moest ik naar alle mensen die de naam hadden iets te weten. En ik zweer bij de Hondd
Ik wil u het relaas doen van mijn onderzoek en van de moeilijkheden die ik ondervond om mijzelf te overtuigen dat een uitspraak van het orakel werkelijk onweerlegbaar is. , mannen van Athene, want tegen u moet ik de waarheid spreken, dat ik ervaren heb dat zij die de grootste faam hadden, op mij de indruk maakten bijna de minste wijsheid te bezitten, als ik de uitspraak van de godheid toetste. Anderen die minder aanzien genoten, bleken meer verstand te hebben.
Na de politici bezocht ik de dichters van tragedies en van lofliederen en andere schrijvers, in de verwachting dat ik daar, met het levende bewijs voor mij, zou kunnen vaststellen dat ik onwetender ben dan zij. Ik nam hun beste gedichten ter hand en vroeg hun wat ze ermee bedoelden, zodat ik meteen ook iets van hen zou kunnen leren. Mannen, ik schaam mij om u de waarheid te vertellen, maar het moet. Zij die die verzen zelf gemaakt hadden, konden er - bij wijze van spreken - minder over zeggen dan de overige aanwezigen. Ook van de dichters had ik al gauw begrepen dat hun scheppingen niet voortkwamen uit wijsheid, maar dat het hun door hun aanleg ingegeven werd, zoals dat bij profeten en waarzeggers ook gebeurt. Die doen ook allerlei prachtige uitspraken zonder te begrijpen wat ze zeggen. Het werd me duidelijk dat de dichters iets dergelijks hadden ondervonden, en tegelijkertijd merkte ik dat zij door deze gave denken ook in andere dingen zeer wijs te zijn. Dus ging ik bij hen weg en wist dat ik net zo boven hen uitsteek als boven de politici.
Uiteindelijk ging ik ook naar de ambachtslieden, want ik was mij er wel van bewust dat ik van ambachten helemaal geen verstand heb, en ik besefte dat ik zou ontdekken dat zij veel weten wat waardevol is. En hierin werd ik niet teleurgesteld, want zij wisten dingen die ik niet wist en in dat opzicht waren zij wijzer dan ik. Maar toch, mannen van Athene, ontdekte ik ook bij de goede ambachtslieden dezelfde fout als bij de dichters. Omdat ze in hun vak bedreven waren, meenden ze ook over de belangrijkste zaken de wijsheid in pacht te hebben en deze onwijsheid wierp een schaduw over hun echte wijsheid. Dit had tot gevolg dat ik op grond van de orakeluitspraak bij mezelf te rade ging over de vraag of ik moet zijn zoals ik ben, d.w.z. niet wijs waar zij wijs zijn en wijs waar zij niet wijs zijn, of dat ik hen moet volgen in hun wijs-zijn en niet-wijs-zijn. De conclusie voor mijzelf wat het orakel betreft luidde dat ik maar het beste kon zijn zoals ik ben.
Mannen van Athene, dit onderzoek heeft nogal wat wrevel gewekt, soms zo hevig en grof dat er allerlei lasterpraat uit voortkwam, waardoor ik met de titel 'wijze' werd opgescheept. Immers, steeds als ik de onwetendheid van een ander aan de kaak stel, concluderen de omstanders dat ik het wel weer beter zal weten. Maar, mannen van Athene, op de keper beschouwd, weet alleen God zelf; en zijn orakeluitspraak betekent dan ook dat menselijke wijsheid nul en van generlei waarde is. Blijkbaar gebruikt hij de naam Sokrates dus niet in persoonlijke zin, maar slechts bij wijze van voorbeeld, om daarmee te zeggen dat diegene onder u, stervelingen, werkelijke wijsheid bezit die net als een Sokrates erkent niet in staat te zijn, werkelijke wijsheid te vatten.
In opdracht van de godheid ben ik nu nog steeds bezig met dit onderzoek en probeer uit te vinden of ik onder de burgers of vreemdelingen iemand wijs zou kunnen noemen. Wanneer ik denk dat dit niet het geval is, laat ik dat merken en schaar mij zo aan de zijde van de godheid. Omdat ik hiermee steeds bezig ben, houd ik geen tijd over om voor de gemeenschap of voor mijn familie iets te doen dat het vermelden waard is en dus leef ik als dienaar van de godheid in grote armoede. Bovendien volgen jongelui van goeden huize die er de tijd voor hebben, mij uit eigen beweging, omdat zij graag horen hoe mensen aan de tand worden gevoeld; zij proberen mij na te doen en ondervragen op hun beurt anderen. Natuurlijk ontdekken zij dan heel veel lieden die denken iets te weten, maar in feite hebben deze weinig of niets in hun mars.
Het gevolg is dat de mensen die door de jeugd ondervraagd zijn, het mij kwalijk nemen in plaats van het kwaad bij zichzelf te zoeken, en dat ze Sokrates een onaangenaam mens vinden die de jeugd bederft. En als iemand hun vraagt: 'Wat doet hij dan en wat leert hij hun?', dan hebben zij feitelijk geen antwoord. Maar ook al weten ze niets, toch wekken ze niet graag die indruk en dan halen ze die dingen aan die altijd ten nadele van alle filosofen gezegd worden, namelijk dat ze praten over het bovenaardse en onderaardse en dat ze niet in goden geloven en dat ze recht praten wat krom is. Natuurlijk vertellen zij de waarheid liever niet, namelijk dat overduidelijk is gebleken dat zij doen alsof ze weten, maar in feite niets weten.
Maar ze zijn wel eerzuchtig en fel en ook met velen, en onophoudelijk spreken ze met grote stelligheid over mij en zo stopten ze uw oren al heel lang vol met venijnige laster. Vanuit deze sfeer viel Meletos mij aan, en Anytos en Lykoon; Meletos uit ergernis over wat ik van de dichters zei, Anytos uit naam van de ambachtslieden en politici, en Lykoon namens de redenaars. Het zou mij daarom verbazen - ik zei het al aan het begin - als ik die uitbundige wildgroei van laster in zo korte tijd kan ontwarren. Dat is de waarheid, mannen van Athene, en ik houd hierbij niets achter. Toch weet ik bijna zeker dat ik mij juist daardoor gehaat maak. Dit bewijst ook dat ik de waarheid spreek en daar dus juist op word aangevallen. Vroeg of laat zult ge, hoe dan ook, tot deze conclusie komen.
Tegen de beschuldiging van mijn eerste groep aanklagers heb ik nu genoeg ingebracht. Nu zal ik me tegen Meletos, de goede en brave vaderlander zoals hij zichzelf noemt, en de latere aanklagers proberen te verdedigen. Laten we dus hun beëdigde verklaringen nader beschouwen, als betrof het een andere groep aanklagers. De verklaring luidt ongeveer als volgt: er wordt beweerd dat Sokrates schuldig is aan het bederven van de jeugd en dat hij niet gelooft in de goden van Athene, maar in een ander, nieuw soort goddelijke macht. Aldus de aanklacht.
Laten wij nu elk onderdeel ervan bekijken. Meletos beweert dat ik de boosdoener ben, omdat ik de jeugd bederf. Maar, mannen van Athene, ik beweer dat hij de boosdoener is, omdat hij ernstige zaken aan zijn laars lapt, mensen voorbarig voor het gerecht sleept en doet alsof hij zich het vuur uit de sloffen loopt voor zaken waaraan hij zich nooit iets gelegen heeft laten liggen. Want zo is het en ik zal proberen dat aan te tonen.
Zeg me nu eens, Meletos, is er u niet veel aan gelegen dat het onze jeugd zo goed mogelijk gaat?
Meletos: Mij wel.
Sokrates: Vertel de mensen hier dan wie hen beter maakt. Het is immers duidelijk dat ge daarover nagedacht hebt, want ge maakt u bezorgd. Ge hebt, zoals ge dat noemt, in mij de bederver van de jeugd gevonden en ge sleept mij voor het gerecht en klaagt me aan. Dan kunt ge dus ook de man noemen die hen beter maakt; wel, wie is het?
Meletos: . . . . . .
Sokrates: Kijk eens aan, Meletos, ge zwijgt en hebt niets te zeggen? Maar vindt ge dat dan geen schandaal en een duidelijk bewijs voor mijn opvatting dat gij u om deze zaak nooit bekommerd hebt? Zeg het dan toch, mijn beste, wie maakt hen beter?
Meletos: De wet.
Sokrates: Dat was de vraag niet, zeer geachte heer; maar welke mens, die om te beginnen de wet kent?
Meletos: Deze rechters hier, Sokrates.
Sokrates: Wat zegt ge, Meletos? Beschikken zij over pedagogische kwaliteiten en maken zij de jeugd beter?
Meletos: Absoluut.
Sokrates: Allemaal, of sommigen wel en anderen niet?
Meletos: Allemaal.
Sokrates: Bij Hera, dat is mooi, zo'n massa helpers! Wie nog meer? Maken ook de hier aanwezige toehoorders hen beter, of die niet?
Meletos: Zij ook.
Sokrates: En de raadslieden?
Meletos: Ook de raadslieden.
Sokrates: En de mensen van de volksvergadering, Meletos, de parlementariers, zij zullen de jeugd toch niet bederven? Maken zij de jeugd ook allemaal beter?
Meletos: Zij ook.
Sokrates: Dus maken blijkbaar alle Atheners de jeugd beter behalve ik. Ik alleen bederf ze. Bedoelt ge dat?
Meletos: Dat bedoel ik precies.
Sokrates: Ge veroordeelt me wel tot een bitter lot. Maar zeg eens: is dat met paarden ook zo? Is iedereen er goed voor, behalve die ene die ze bederft? Of is het juist andersom, en is het er een, of een paar, die er goed voor zijn, en wel de paardenfokkers, terwijl de overgrote meerderheid die met paarden omgaat, ze bederft? Is het niet zo, Meletos, met paarden en alle andere diersoorten? Natuurlijk is het zo, of gij en Anytos het daar nu mee eens bent of niet. Want de jeugd zou wel heel bevoorrecht zijn, als ze maar door een man bedorven werd en als alle anderen er goed voor waren. Nu levert ge toch wel het overtuigend bewijs, Meletos, dat ge in het geheel geen verstand hebt van de jeugd; het is duidelijk dat het u helemaal niets kan schelen en dat u zich nooit iets gelegen hebt laten liggen aan de zaken waarvan ge me hier beschuldigt.
Maar bij Zeus, Meletos, vertel ons nog dit. Is het beter te leven te midden van goede burgers of te midden van slechte burgers? Vooruit, geef antwoord, ik vraag immers niets moeilijks. Doen de slechten hun directe omgeving soms geen kwaad en de goeden hun omgeving daarentegen juist goed?
Meletos: Inderdaad.
Sokrates: Bestaat er iemand die door zijn omgeving liever benadeeld dan bevoordeeld wil worden? Antwoord, mijn beste, want de wet gebiedt u te antwoorden. Bestaat er iemand die benadeeld wenst te worden?
Meletos: Natuurlijk niet.
Sokrates: Welnu, sleept ge me voor het gerecht, omdat ik bewust of onbewust bezig ben de jeugd te bederven en te benadelen?
Meletos: Bewust volgens mij.
Sokrates: Hoezo, Meletos? Heeft uw jeugd u zoveel meer wijsheid gebracht dan mijn oude dag mij, dat gij hebt begrepen dat slechte mensen hun omgeving altijd benadelen en dat goede mensen daarentegen juist deugdzaamheid verspreiden? En ben ik zo dwaas dat ik niet zou kunnen begrijpen dat ik, wanneer ik iemand met wie ik omga, slecht maak, ook zelf het gevaar loop daar het slachtoffer van te worden, en, naar gij zegt, zoiets slechts zou ik bewust en met opzet doen? Dat kunt ge mij niet wijs maken, Meletos, en ik denk ook geen enkel ander mens! Ik bederf mijn medemensen dus niet, en als ik dat wel doe, dan gebeurt dat zonder opzet. In beide gevallen liegt ge dus. Als ik hen ongewild bederf, dan is er geen wet die een mens voor zulke wandaden voor het gerecht daagt, maar ten hoogste krijgt hij daarvoor een vermaning. Want als ik eenmaal inzie wat ik ongewild misdeed, dan zal ik daar vanzelfsprekend niet mee doorgaan. Maar gij hebt niet eens de moeite genomen mij een handje te helpen en dat was ook niet uw bedoeling. Maar wel sleept ge mij voor het gerecht, waar volgens de wet alleen diegene hoort die straf verdient en niet iemand die onderricht nodig heeft.
Genoeg hierover, mannen van Athene. Wat ik gezegd heb, is nu wel duidelijk: Meletos heeft zich hierover noch in het algemeen noch in detail ooit het hoofd gebroken. Toch moet ge ons eens vertellen, Meletos, op welke manier ik volgens u de jeugd bederf. Blijkt dat uit iets dat ik heb geschreven en dat aanspoort niet te geloven in de goden waarin de staat gelooft, maar in andere, vreemde goddelijke machten? Dat is het toch wat ge zegt, dat ik hen bederf door dat te onderwijzen?
Meletos: Dat is zeer beslist wat ik zeg.
Sokrates: Wel, Meletos, in naam van die goden waarover wij nu spreken, vertel mij en de heren hier nog eens iets duidelijker wat ge bedoelt, want er is iets wat ik niet kan begrijpen. Aan de ene kant zegt ge dat Sokrates ervoor pleit in goden te geloven; dat betekent dus dat ik ook zelf geloof in het bestaan van goden en dus niet goddeloos ben - daarin ben ik dus niet in overtreding. Maar ook zegt ge dat het andere goden zijn dan waar de staat in gelooft. Beschuldigt gij mij ervan, dat het andere goden zijn? Of zegt ge dat ik zelfs helemaal niet in goden geloof en ook anderen daartoe aanzet?
Meletos: Het laatste, dat ge helemaal niet in goden gelooft.
Sokrates: Meletos, ge verbaast me. Waarom zegt ge dit? Geloof ik niet, net als ieder ander mens, dat de zon en de maan goden zijn?
Meletos: Wel allemachtig, nee! Hij zegt immers, heren rechters, dat de zon van steen is en de maan van aarde!
Sokrates: Ach, m'n beste Meletos, wilt ge nu werkelijk Anaxagorase
Meletos: Ja, bij Zeus, dat denk ik werkelijk van u. Ge gelooft niets. aanklagen en slaat ge de heren hier zo laag aan dat ge denkt dat zij onbekend zijn met de literatuur en niet weten dat de boeken van Anaxagoras uit Klazomenai vol staan met zulke beweringen? En gelooft ge werkelijk dat de jeugd van mij wil horen wat ze desnoods in de boekwinkel voor een drachme kan kopen, en nu noem ik nog een hoge prijs! Ze zouden toch juist om Sokrates lachen, als hij beweerde dat die buitenissige uitspraken van hem zijn. Bij Zeus, denkt ge werkelijk van mij dat ik geloof dat er geen enkele god bestaat?
Sokrates: Meletos, niemand gelooft u en wat meer is, ik denk dat ge ook uzelf niet gelooft. Deze man lijkt mij zeer onbesuisd en impulsief, mannen van Athene, en het komt mij voor dat hij in een vlaag van drift en jeugdige onbezonnenheid die aanklacht op goed geluk heeft ingediend. Het lijkt wel of hij een raadsel heeft verzonnen om ons op de proef te stellen: zal Sokrates, de wijze, merken dat ik gekheid maak en mijzelf tegenspreek, of kan ik hem en de andere toehoorders om de tuin leiden? Ik heb namelijk de indruk dat Meletos zichzelf in de aanklacht tegenspreekt; het lijkt wel of hij zegt dat Sokrates niet deugt, omdat hij niet in goden gelooft, maar toch in goden gelooft. Hier is werkelijk een grappenmaker aan het woord.
Kunnen wij samen eens bekijken, heren, wat ik denk dat hij daarmee wil zeggen? Gij moet antwoorden, Meletos.
En u, toehoorders, vraag ik, evenals in het begin, niet tegen mij te schreeuwen als ik mijn betoog op de gebruikelijke manier aanpak. Is er iemand onder de mensen, Meletos, die gelooft dat er menselijke eigenschappen bestaan, maar niet gelooft dat er mensen bestaan?
Laat hem antwoorden, mannen, en laat niet op alle mogelijke manieren uw afkeuring blijken. Is er iemand die niet in het bestaan van paarden gelooft, maar wel in alles wat des paards is? Of die denkt dat er geen fluitspelers bestaan, maar wel alles wat met fluitspelen te maken heeft? Beste man, zo iemand bestaat niet. Als gij me niet wilt antwoorden, dan zullen ik en de andere aanwezigen dat wel doen. Maar beantwoord dan tenminste de volgende vraag: is er iemand die gelooft dat er goddelijke machten bestaan, maar niet dat er goden bestaan?
Meletos: Die is er niet.
Sokrates: Wat een medewerking om ons, zij het met moeite en onder de druk van de heren hier, te antwoorden! Ge beweert dus dat ik geloof in goddelijke machten, in nieuwe of oude vorm, en dat ik dat geloof onderwijs? Dus geloof ik volgens uw verklaring in ieder geval in goddelijke machten en dat hebt ge in uw aanklacht ook onder ede bevestigd. Maar als ik in goddelijke machten geloof, dan geloof ik onvermijdelijk ook in goden. Is dat niet zo? Zo is het. Ik neem aan dat ge daarmee instemt, omdat ge niet antwoordt. Rekenen wij goddelijke machten nog tot goden of tot voortbrengselen van goden?
Meletos: O, zeker.
Sokrates: Als ik dus, zoals ge zelf zegt, in goddelijke machten geloof en als goddelijke machten bepaalde goden zijn, dan slaat dat op wat ik bedoelde, toen ik zei: 'Hij spreekt in raadselen en steekt de draak met ons.' Ik zou niet in goden geloven en toch ook wel, omdat ik in goddelijke machten geloof! Maar als goddelijke machten een soort bastaard-godenkinderen zijn, van nimfen of van wat voor andere moeder ook, welk zinnig mens kan dan denken dat er kinderen van goden bestaan en geen goden? Dat zou toch even absurd zijn als te denken dat er muilezels bestaan, en geen paarden en ezels?
Maar, Meletos, natuurlijk hebt ge deze aanklacht ingediend om ons te beproeven, of anders omdat ge geen echte misdaad wist die ons kan worden verweten. Hoe denkt gij iemand, ook al heeft hij maar een beetje verstand, te kunnen overtuigen dat dezelfde persoon in geestelijke en goddelijke machten kan geloven, maar tegelijkertijd niet in geesten, goden en halfgoden?
Wel, mannen van Athene, dat ik een overtreder ben in de zin van Meletos' aanklacht, behoeft naar mijn mening niet nog verder te worden weerlegd. Dat is nu voldoende belicht.
Wat ik al eerder zei, dat zich bij velen een diepe haat tegen mij heeft geworteld, dat weet u maar al te goed. En als er iets is dat mij het leven kan kosten, dan is het die haat. Niet Meletos of Anytos, maar de laster en de afgunst van de massa. Vele andere, goede mannen zijn hierdoor veroordeeld en ik denk dat er meer zullen volgen. Dat houdt bij mij niet op.
Nu zou iemand misschien kunnen vragen: schaamt ge u niet, Sokrates, dat ge u aan een bezigheid hebt gewijd die nu tot uw dood kan leiden? Zo iemand zou ik rechtuit antwoorden: deze vraag is niet goed gesteld. Meent ge dat een man van hoe geringe verdienste ook zich moet bekommeren om leven of dood? Nee, hij moet zich bij alles wat hij doet, alleen afvragen of hij rechtvaardig of onrechtvaardig en als een goed of een slecht mens handelt. Volgens u zouden dan alle halfgoden die in Troje sneuvelden, nul en van gener waarde zijn. Denk eens aan de zoon van Thetisf, die blijvende schande zoveel erger vond dan gevaar. Zijn moeder - een godin nota bene - zei ongeveer het volgende, toen hij Hektor wilde gaan doden: 'Jongen, als ge de dood van uw vriend Patroklos wilt wreken door Hektor te doden, dan zult ge zelf ook sterven. Want,' zei ze, 'na Hektor staat de dood voor u klaar.' Toen Achilles dat hoorde, schudde hij de gedachte aan de dood en het gevaar van zich af, want groter was zijn angst om als een lafaard voort te moeten leven, zonder zijn vriend te hebben gewroken, en dus zei hij: 'Laat me dan meteen sterven nadat ik me op die schurk heb gewroken, liever dan als voorwerp van spot achter te blijven bij de gewelfde schepen, als een loze ballast voor de aarde.' Denkt ge echt dat hij iets gaf om dood of gevaar?
Mannen van Athene, dat is toch de waarheid? Wat men zich ook heeft voorgenomen, of dat nu gebeurt omdat men dit zelf het beste vindt of omdat anderen het zo wensen, men moet er zich naar mijn mening aan houden en de risico's nemen en schande niet verkiezen boven de dood of ander gevaar.
Mannen van Athene, ik zou beslist verkeerd hebben gehandeld als ik in Potidaia, in Amphipolis en bij Deliong als ik nu uit angst voor de dood of wat dan ook mijn post zou verlaten. Dat zou onjuist zijn, en met recht kon men mij dan voor een rechtbank slepen wegens godsloochening of ongehoorzaamheid aan het goddelijke bevel of omdat ik bang ben voor de dood en me laat voorstaan op wijsheid die nergens op gebaseerd is. **) niet op de posten was gebleven die de door u gekozen legerleiders mij hadden aangewezen om net als ieder ander de dood te riskeren. Maar het zou ook verkeerd zijn als ik nu - nu de god, zoals ik naar beste weten geloof, me heeft opgedragen mijn leven te wijden aan filosofie en aan onderzoek naar mezelf en anderen -
Angst voor de dood is immers wijsheid die nergens op gebaseerd is, want men denkt te weten wat men niet weet. Geen mens immers weet iets van de dood, zelfs weet niemand of het niet de grootste genade is die een mens kan overkomen. Men vreest de dood echter alsof het de grootste ramp is die een mens kan treffen. Is dat geen beschamende vorm van onwetendheid, dat men zich verbeeldt te weten wat men niet weet?
Mannen, misschien verschil ik ook in dit opzicht van de meeste mensen; maar als ik al zou beweren dat ik van iets de wijsheid in pacht heb, dan wel hiervan, dat ik niet genoeg op de hoogte ben van de gang van zaken in de onderwereld. Maar ook al weet ik daar onvoldoende van, ik weet heel goed dat het verkeerd en onrechtmatig is, om te handelen tegen de wil van een meerdere, god of mens. Liever ben ik bang en loop ik weg voor dingen waarvan ik weet dat ze verkeerd zijn, dan voor dingen waarvan ik niet weet of ze misschien verkeerd of misschien juist goed zijn.
Stel dat ge me nu gaat vrijspreken en u niet door Anytos laat overreden; Anytos zei immers dat ik eigenlijk helemaal niet voor deze rechtbank had moeten verschijnen. Nu ik hier eenmaal sta, kan het niet anders dan dat ik de doodstraf krijg, want, voegde hij eraan toe, in geval van vrijspraak zou Sokrates uw kinderen helemaal bederven, als ze zich houden aan wat hij zegt. Als ge dit zoudt geloven en zeggen: 'Sokrates, wij zullen het advies van Anytos dit keer niet volgen, maar laten u gaan op voorwaarde dat ge u niet langer bezighoudt met zelfonderzoek en filosofie; en wordt ge daar alsnog op betrapt, dan sterft ge . . .' Als ge me onder die voorwaarde zoudt laten gaan, dan kreegt ge van mij het volgende te horen: Mannen van Athene, ik waardeer en bemin u, maar liever dan aan u gehoorzaam ik aan God, en zolang mij tijd van leven gegeven is, zal ik niet ophouden met filosoferen, en wie van u ik ook tegenkom, zal ik vermanen en aansporen op geen andere manier dan ik gewend ben, en wel als volgt: 'Geachte heer, ge zijt Athener en burger van de stad die de grootste naam heeft op het gebied van wijsheid en macht; schaamt ge u dan niet dat ge almaar jaagt naar zoveel mogelijk geld, roem en eer, en niets geeft om kennis en waarheid, en u niet bekommert om uw zieleheil?' En wanneer iemand van u me ongelijk zou geven en zeggen dat hij zich er wel degelijk om bekommert, dan liet ik hem niet meteen gaan en zou ook zelf niet weggaan, maar ik zou doorvragen en hem op de proef stellen en uithoren. En vond ik dan geen deugd in hem, terwijl hij beweert daar wel over te beschikken, dan zou ik hem voor de voeten gooien dat hij het belangrijkste het laagst aanslaat en het laagste het hoogst. Reken maar dat ik dat zou doen, ter wille van iedereen die ik ontmoet, jong of oud, vreemdeling of stadgenoot, maar natuurlijk vooral ter wille van stadgenoten, omdat die me het naast aan het hart liggen. Want weet wel dat de god me dit opdraagt, en voor mij staat vast dat de stad nimmer een groter goed op haar weg vond dan mijn dienst aan de god. Ik ben immers met niets anders bezig dan jong en oud ervan te overtuigen dat ge u niet in de allereerste plaats moet bekommeren om geld en goed. Bekommer u ook eens om uw zieleheil, want daar moet het zo goed mogelijk mee gesteld zijn. En ik bezweer u dat deugdzaamheid niet voortkomt uit rijkdom, maar dat rijkdom en alle andere goede dingen voor de individuele burger en voor de stad voortkomen uit deugdzaamheid. Als ik de jeugd zou bederven door dat te beweren, dan is er iets verschrikkelijks aan de hand. Maar als iemand durft te zeggen dat ik iets anders beweer dan dit, dan praat hij onzin.
Daarom zeg ik u, mannen van Athene, of ge nu doet wat Anytos u aanbeveelt of niet, of ge me nu vrijspreekt of niet, ik ben niet van plan me anders te gaan gedragen, ook al moest ik er vele doden voor sterven. Windt u niet op, mannen van Athene, maar houdt u aan wat ik gevraagd heb. Verstoor mijn betoog niet, maar luister liever. Ik ga u nu het een en ander zeggen, waarop ge misschien in luid geschreeuw zult losbarsten. Maar doe dat vooral niet, want weet goed dat als gij mij ter dood brengt en ik de man ben die ik zeg te zijn, ge mij daarmee minder kwaad doet dan uzelf. Mij wordt immers geen haar gekrenkt, niet door Meletos en niet door Anytos. Onmogelijk! Want ik geloof niet dat het de wil van de godheid is dat onrecht zegeviert over recht.
Mijn tegenstander kan mij misschien doden, verbannen of mij van mijn burgerrechten beroven. Evenals vele anderen denkt zo iemand dat hij mij daarmee kwaad doet, maar zo zie ik het niet. Hij doet veeleer zichzelf kwaad door te proberen een mens ten onrechte ter dood te brengen.
Nu moet ge niet denken, mannen van Athene, dat ik hier een verdedigingsrede voor mijzelf houd. Nee, eerder voor u, opdat ge niet, door mij schuldig te verklaren, zondigt tegen het geschenk dat de godheid u heeft gegeven. Want als ge mij ombrengt, zal het u niet gemakkelijk vallen weer een ander te vinden die de stad, hoe gek het ook klinkt, op haar huid zit als een horzel een paard. De stad is evenals het paard wel groot en edel, maar moet door haar afmetingen in haar traagheid geprikkeld worden. Misschien heeft de godheid mij wel om die reden aan de stad verbonden, opdat ik de hele dag doorga met ieder van u wakker te schudden, te overtuigen, u de mantel uit te vegen, en steeds overal op mijn post te zijn. Een ander die bereid is dat te doen, zal niet gauw weer opduiken, mannen; als ge mij geloven wilt, zult ge me sparen. Misschien wordt ge door mijn gedrag net zo getergd als mensen die in hun slaap worden gestoord en zoudt ge me wel kunnen slaan en op aanraden van Anytos zonder meer ter dood brengen; want dan kunt ge de rest van uw leven slapen, tenzij de godheid u een ander stuurt om zich om u te bekommeren. Dat ik het toevallig ben die door de godheid aan de stad geschonken is, kunt ge uit het volgende opmaken.
Al vele jaren heb ik al mijn eigen belangen veronachtzaamd en niets gedaan aan het verwerven van enig bezit. Voortdurend was ik bezig met uw belang, steeds naar ieder van u op weg als een vader of oudere broer om u aan te sporen te leven met het oog gericht op al wat goed is. Zoiets is toch niet gewoon voor een mens! Als ik daar nog enig voordeel van gehad zou hebben en mij had ingespannen voor geld, dan was het nog verklaarbaar geweest. Maar zelf hebt ge kunnen zien dat mijn aanklagers, die er niet voor terugdeinsden mij van allerlei andere zaken te beschuldigen, niet in staat waren een getuige op te roepen die zegt dat ik ooit een beloning heb ontvangen of gevraagd. Ik denk trouwens dat ik een betrouwbaar bewijs heb voor wat ik zeg, namelijk mijn armoede.
Het lijkt misschien vreemd dat ik rondga om mijn adviezen te geven aan individuele personen wie ik daarvoor het hemd van het lijf vraag, maar mij niet de moeite getroost officieel naar uw volksvergadering te komen om de staat raad te geven. Nu hebt ge mij al vaak bij verschillende gelegenheden horen zeggen dat de reden hiervoor is dat ik van tijd tot tijd een goddelijke en spirituele ingeving krijg; dat is precies wat Meletos in zijn aanklacht in het belachelijke trekt. Ik heb het al van jongs af; het is een innerlijke stem die mij steeds wanneer ik haar hoor, ervan afhoudt te doen wat ik van plan was, maar die mij nooit ergens toe aanzet. Dit is het wat mij ervan weerhoudt in de politiek te gaan. En dat is maar goed ook! Want weet wel, mannen van Athene, dat als ik mij met politiek was gaan bemoeien, ik al lang geleden ter dood gebracht zou zijn en u noch mijzelf in enig opzicht had kunnen helpen.
Ge moet het mij maar niet kwalijk nemen dat ik de waarheid spreek, maar er is immers geen mens die het er levend afbrengt wanneer hij poogt te verhinderen dat er onrechtvaardige en onwettige dingen gebeuren in de staat, en daarom onverschrokken stelling neemt tegen u of een andere volksvergadering. Iemand die zich metterdaad tegen het onrecht verzet en dat wil overleven, moet wel een gewone burger zijn en geen staatsman. Ik zal u dat bewijzen aan de hand van feiten, want die stelt u meer op prijs dan mooie verhalen.
Luister maar naar wat mij overkomen is, opdat ge weet dat ik uit vrees voor de dood voor geen enkel mens zou buigen, als dat in strijd was met het recht; maar ook hoe ik, door diezelfde onbuigzaamheid, dood had kunnen zijn. Weliswaar juristentaal, maar toch waar. Want, mannen van Athene, in de staat oefende ik nooit een ander ambt uit dan dat van raadslid. Toevallig was ik juist belast met het dagelijks bestuur, toen gij de tien veldheren die na de zeeslagh
Best mogelijk dat het me de kop had gekost, als de regering niet snel was afgezet. Velen onder u waren getuige van deze feiten. Denkt ge werkelijk dat ik het zoveel jaren had uitgehouden, als ik een openbaar ambt had bekleed en had gehandeld zoals het een keurig man betaamt, d.w.z. gehoorzaam aan de op dat ogenblik heersende wet die, zoals wordt geëist, boven alles de voorrang dient te krijgen? Natuurlijk niet, mannen van Athene. En een ander had dat evenmin gekund. Het zal duidelijk worden dat ik mijn leven lang zowel in het openbaar als prive dezelfde ben geweest als nu. Ik heb nooit van wie dan ook geduld dat hij handelde in strijd met de wet, ook niet van hen die door mijn lasteraars mijn leerlingen worden genoemd.
Trouwens, ik was nooit iemands leermeester! Als iemand - jong of oud - wilde horen wat ik denk en doe, dan heb ik daar nooit bezwaar tegen gemaakt. Ik spreek ook niet alleen tegen betaling, neen, arm en rijk kunnen gelijkelijk over me beschikken, en als iemand iets wil weten, kan hij mijn visie horen. Maar of dat nu goed of slecht uitpakt, daarvoor kan ik niet verantwoordelijk worden gesteld, want ik stelde niets in het vooruitzicht en gaf ook niemand les. En wanneer iemand beweert dat hij ooit iets van me heeft geleerd of gehoord wat niet ook alle anderen konden horen, weet dan dat hij niet de waarheid spreekt.
Waarom gaan sommige mensen dan toch graag met me om? Dat hebt ge gehoord, mannen van Athene. Ik sprak immers de gehele waarheid: ze luisteren graag, als iemand die wijs denkt te zijn, wordt ondervraagd en het dan niet blijkt te zijn. Dat is toch ook aardig?
Ik zei al dat deze manier van optreden mij is opgedragen door de God, door middel van orakels en dromen en door alle middelen waarmee door goddelijke machten aan de mens opdrachten worden verstrekt.
Dat is waar, Atheners, en gemakkelijk na te gaan. Want als ik sommige jonge mensen bederf en anderen al bedorven heb, zouden daarvan - nu ze ouder zijn geworden - toch een paar naar voren moeten komen om me te beschuldigen, als ze tenminste vinden dat ik hun in hun jeugd ooit iets verkeerds heb geraden. En willen ze dat zelf niet, dan zouden familieleden - vaders, broers of anderen -, als ze tenminste enig kwaad van me hebben ondervonden, er nu toch mee voor de dag komen en mijn vonnis eisen. Er zijn immers velen van hen hier aanwezig. Ik zie ze, daar! Kritoon om te beginnen, een man van mijn leeftijd en uit mijn buurt, en hier, de vader van Kritoboulos. Verder Lysanias uit Sphettos, en hier, de vader van Aischines. En daar Antiphoon uit Kephisia, de vader van Epigenes. En daar, verderop, nog anderen, Nikostratos, de zoon van Theozotides, de broer van Theodotos - en Theodotos is inmiddels dood, dus hij kan zijn broer niet meer smeken om van een aanklacht af te zien. En hier Paralos, de zoon van Demodokos, broer van Theages. En daar Adeimantos, zoon van Aristoon, en daar nog zijn broer Platoon en Aiantodoros, van wie Apollodoros daar een broer is. Zo kan ik er nog velen noemen en Meletos had er in zijn rede toch op z'n minst een van moeten oproepen als getuige. Heeft hij er bij die gelegenheid niet aan gedacht, dan kan hij dat alsnog doen; ik maak graag plaats voor hem, laat hij het zeggen als hij iets dergelijks wil. Maar, mannen, precies het omgekeerde zult ge ontdekken. Op hun beurt zijn ze allemaal bereid hulp te bieden aan mij die hen bedierf en hun familieleden kwaad berokkende, zoals Meletos en Anytos beweren. Nu zouden degenen die bedorven zijn, misschien nog goede redenen kunnen hebben om mij de helpende hand te bieden. Maar zij die niet bedorven zijn, oude mannen, familieleden, om welke andere reden zouden die me willen helpen dan om de enig juiste en ware reden, namelijk omdat ze heel goed beseffen dat Meletos liegt en ik waarheid spreek!
Genoeg, mannen. Dit ongeveer en misschien nog meer van dien aard is wat ik ter verdediging kan aanvoeren. Misschien schaamt deze of gene onder u zich wel, als zijn eigen houding hem weer te binnen schiet in een heel wat minder belangrijk proces dan dit.
Hoe hij de rechters met tranen in de ogen heeft gebeden en gesmeekt, zijn kinderen meebracht om aller medelijden te wekken en allerlei vrienden en familieleden ten tonele voerde. In weerwil van het feit dat ik, naar ik meen te begrijpen, in het grootste gevaar verkeer, zal ik dat allemaal niet doen. Hierover peinzend kan deze of gene mij mogelijk minder mild tegemoet treden en uit ergernis woedend een tegenstem uitbrengen. Vindt iemand van u dit - wat ik overigens niet geloof - maar vindt iemand dit echt, dan hoop ik het recht te hebben hem te mogen zeggen: mijn beste, ik heb ook familie; en om met Homeros te spreken: 'ik ben niet geboren uit een eik of een rots', maar uit mensen, en dus heb ik familie en zonen, mannen van Athene, ik heb er drie, een die al wat ouder is en twee kleintjes. Maar toch zal ik geen van hen hierheen laten komen en u dan smeken mij vrij te spreken. En waarom niet? Niet uit aanmatiging of uit gebrek aan respect voor u, mannen van Athene. En of ik ten opzichte van de dood onverschrokken ben of niet, dat is een andere kwestie. Maar voor mijn en uw goede naam, en die van de hele stad, lijkt het mij niet juist dat ik dat doe, gezien ook mijn leeftijd en de goede reputatie die ik al of niet terecht geniet.
In ieder geval heeft Sokrates de naam zich in zekere zin te onderscheiden van de meeste mensen. Als nu degenen onder u die zich onderscheiden in wijsheid of moed of wat voor deugd ook, zich zo onwaardig zouden gedragen, dan was dat een beschamende vertoning. Niettemin heb ik dikwijls mensen van enig aanzien die voor het gerecht stonden, rare bokkesprongen zien maken. Alsof hun iets verschrikkelijks zou overkomen, als zij ter dood werden veroordeeld en alsof zij onsterfelijk zouden zijn, als u hen niet doodde. Ik ben van mening dat zij schande over de stad brengen, omdat ook vreemdelingen zouden kunnen denken dat de Atheners, die zich onderscheiden in deugd en die door hun eigen medeburgers worden gekozen voor ambten en andere erebaantjes, niet wijzer zijn dan vrouwen.
Wij die toch een zekere reputatie lijken te hebben, mogen zulke dingen niet doen, mannen van Athene, en als we ze toch doen, dan moogt gij, rechters, er niet aan toegeven. Laat daarentegen duidelijk zien dat ge een man die zulke miserabele scenes opvoert en die de stad te schande maakt, eerder veroordeelt dan iemand die zich kalm gedraagt.
Maar nog los van eer en goede naam lijkt het me niet juist, heren, een rechter te willen vermurwen om zodoende vrijgesproken te worden. Wij moeten hem feiten geven en hem daarmee overtuigen. Want de rechter zit hier niet om het recht uit vriendelijkheid om te buigen, maar om recht te doen. Hij heeft gezworen geen gunsten te schenken naar willekeur, maar om recht te spreken volgens de wetten. Dus mogen wij er geen gewoonte van maken u ertoe aan te zetten uw eed te breken en u mag uzelf er niet aan wennen, want geen van ons zou zich dan rechtschapen gedragen.
Verlang daarom niet van mij, mannen van Athene, dat ik mij ten overstaan van u gedraag op een wijze die ik niet eervol vind, noch rechtvaardig of van eerbied voor de goden vind getuigen. Te meer niet daar ik nota bene door Meletos hier van gebrek aan eerbied voor de goden beschuldigd word. Een ding is wel duidelijk: als ik u door overredingskracht en smeekbeden zou dwingen uw eed te breken, dan zou ik u leren niet te geloven in het bestaan van goden en door zo'n onbeholpen verdediging zou ik mijzelf ervan beschuldigen niet in het bestaan van goden te geloven. Maar daar is geen sprake van. Want, mannen van Athene, geen van mijn aanklagers gelooft zo in het bestaan van de goden als ik, en ik laat het over aan u en aan God om over mij te oordelen, zoals het het beste zal zijn voor mij en voor u.


Na het uitspreken van het doodvonnis:
Sokrates: Ik ben niet geschokt, mannen van Athene, dat ge mij bij deze stemming schuldig verklaart, maar het geeft mij wel te denken. Wat hier gebeurd is, komt voor mij niet onverwacht, maar wat mij wel verbaast, is de verhouding van de voor- en tegenstemmers. In ieder geval had ik niet gedacht dat er zo weinig verschil zou zijn. Ik had op een grote meerderheid gerekend, maar nu blijkt dat het maar dertig stemmen scheelt of ik was vrijgesproken. Eigenlijk vind ik dat ik, wat Meletos betreft, nu zelfs vrijgesproken ben en niet alleen vrijgesproken! Het zal trouwens ieder duidelijk zijn dat als Anytos en Lykoon niet naar voren waren gekomen om mij te beschuldigen, hij zelfs duizend drachmen had moeten betalen, omdat hij niet eens een vijfde van de stemmen zou hebben gekregen.
De man eist dus mijn dood. Welaan, mannen van Athene, welk tegenvoorstel zal ik u doen? Natuurlijk wat ik verdien, nietwaar? Welke straf of boete verdien ik nu, wat was mijn motief om in het leven geen rust te zoeken? Waarom ging ik voorbij aan de dingen waar de meesten zich druk over maken: geld verdienen, het beheren van bezit, militaire ambten, publieke toespraken en de verschillende openbare ambten, politieke partijen en twisten die in de staat bestaan? Ik meen dat ik werkelijk te fatsoenlijk ben om mij hier met zulke middelen uit te redden. Waarom vermeed ik het verzeild te raken in situaties waarin ik u noch mijzelf van enig nut kon zijn? Wat was de reden dat ik daarheen ging waar ik ieder van u afzonderlijk de grootste weldaad kon bewijzen door te proberen ieder van u aan te sporen zich liever om zijn eigen rechtvaardigheid en wijsheid te bekommeren dan om zijn bezittingen, liever om de staat zelf dan om alles wat daarin omgaat, en ook in andere zaken op dezelfde manier zijn zorg te geven? Wat verdient nu een man als ik? Iets goeds, mannen van Athene, als ik ten minste werkelijk een voorstel moet doen dat strookt met mijn verdienste. En dat zou dan iets goeds moeten zijn dat voor mij op zijn plaats is. Wat is op zijn plaats voor een behoeftig man die u een dienst bewijst en die bovendien de tijd moet hebben om u aan te sporen? Er is niets, mannen van Athene, dat in zo'n geval meer voor de hand ligt dan zo'n man te laten eten in het Prytaneion. Daarvoor komt hij veel eerder in aanmerking dan iemand van u die te paard of met een twee- of vierspan gewonnen heeft bij de Olympische Spelen. Want hij maakt dat u denkt dat u gelukkig bent, maar ik maak dat u het ook echt bent. En hij heeft geen behoefte aan ondersteuning, maar ik wel. Als ik dus een voorstel moet doen overeenkomstig mijn verdienste, dan stel ik voor: verzorging in het Prytaneion.
Misschien denkt ge nu dat ik dit zeg uit een soort grootspraak, net als toen ik sprak over dat jammeren en smeken. Maar zo is het niet, Atheners, veeleer ben ik ervan overtuigd dat ik nooit met opzet iemand kwaad heb gedaan. Maar u heb ik daar niet van kunnen overtuigen, want we hebben maar kort met elkaar kunnen spreken. Als u, zoals sommige andere steden, een wet had die bepaalt dat over doodstraf niet in een dag beslist mag worden, maar pas na een paar dagen, dan zoudt u overtuigd kunnen worden. Maar nu is het niet gemakkelijk in zo'n korte tijd zulke sterke vooroordelen op te lossen.
En omdat ik ervan overtuigd ben dat ik niemand kwaad doe, zal ik vast en zeker mezelf geen kwaad doen en over mezelf zeggen dat ik iets slechts verdien en dus voor mezelf een straf voorstellen die daarmee overeenstemt. Waarom zou ik? Soms om niet te hoeven ondergaan wat Meletos als straf voorstelt en waarvan ik zeg niet te weten of het goed is of slecht? Moet ik in plaats daarvan iets kiezen waarvan ik zeker weet dat het slecht is? Wat moet ik dan voorstellen? Gevangenisstraf soms? En waarom zou ik in gevangenschap moeten leven, steeds overgeleverd aan de willekeur van wie aan de macht is? Zal ik misschien een boete voorstellen en gevangen blijven tot die is afbetaald? Maar dat komt op hetzelfde neer als wat ik zoeven zei, want waar zou ik het geld vandaan moeten halen?
Zal ik dan verbanning voorstellen? Want die straf zoudt u mij misschien wel willen opleggen. Wanneer mijn manier van optreden u, die mijn medeburgers zijt, al zo is gaan tegenstaan dat ge nu probeert ervan af te komen, omdat zo'n houding u te lastig en te pijnlijk is, dan zou ik wel al te zeer op het leven gesteld zijn als ik zo dom was, dat ik niet op mijn vingers kon natellen dat anderen helemaal niet van verbanning willen horen. Zo ligt de zaak toch, Atheners!
Een mooi leven zou me beschoren zijn, als ik op mijn leeftijd deze stad zou moeten verlaten en van de ene naar de andere stad gaan, om steeds weer weggejaagd te worden! Want ik ben ervan overtuigd dat waar ik ook heenga, de jeugd naar me zal komen luisteren, net als hier. En al zou ik ze wegsturen, dan zullen zij mij, via de ouderen, verjagen; jaag ik ze niet weg, dan zullen hun vaders en familieleden mij wel wegsturen, in de mening dat het voor hun bestwil is!
Nu zou iemand kunnen zeggen: 'Maar, Sokrates, kunt ge dan niet zwijgen en u rustig houden, als ge van ons weggaat?' Wel, dit is sommigen van u zeer moeilijk duidelijk te maken. Want als ik zeg dat dit ongehoorzaamheid aan de god zou betekenen en ik me daarom onmogelijk rustig kan houden, zult ge me niet geloven en zeggen dat ik me van den domme houd. Maar als ik zeg dat het de grootste genade voor een mens is om dag in dag uit te mogen spreken over deugd en over andere dingen die ik bespreek en onderzoek bij mezelf en anderen, en dat leven zonder zo'n onderzoek zelfs niet waard is geleefd te worden, dan zult ge me nog minder geloven. Het is precies zoals ik zeg, maar het is niet gemakkelijk een overtuigend bewijs te leveren, daar het bovendien niet mijn bedoeling is mijzelf voor iets slechts in aanmerking te laten komen. Als ik over geld beschikte, had ik gevraagd om een boete zo hoog als ik maar kon opbrengen, want dat zou me geen kwaad doen. Maar zoals de zaken er nu voorstaan, kan dat niet, tenzij ge me zoveel boete zoudt willen opleggen als ik kan opbrengen. Misschien kan ik een mina zilver opbrengen, zo'n boete stel ik dus voor. Maar, mannen van Athene, Platoon daar en Kritoon en Kritoboulos en Apollodoros vinden dat ik dertig minae moet voorstellen en zij staan borg. Laat ik dat maar voorstellen. Zij daar kunnen voor dat geld ruimschoots borg staan.


Het vonnis blijft ongewijzigd.
Sokrates: Klein zal de winst in tijd zijn, mannen van Athene. Want weldra zullen degenen die de stad kwaad willen doen, de blaam op u werpen dat ge Sokrates hebt vermoord, een wijs man, en zo zult ge voortaan bekend staan. Want zij die u willen belasteren, zullen beweren dat ik wijs ben, ook al ben ik het niet. Als ge de zaak nog even had opgeschort, was mijn dood u vanzelf in de schoot geworpen. Want ge ziet hoe oud ik ben, hoe ver mijn levensweg al gevorderd is en hoe vlak bij de dood is. Ik zeg dit niet tegen u allemaal, maar alleen tot degenen die voor mijn dood hebben gestemd. En hun zeg ik dan ook nog dit: misschien denkt ge, mannen, dat ik ben veroordeeld omdat het me aan het juiste woord ontbrak om u te overreden, als ik tenminste alles op alles had willen zetten om een veroordeling te ontlopen. Maar zo is het niet. Inderdaad ben ik veroordeeld, omdat het me ontbrak aan iets - niet aan het juiste woord, maar wel aan brutaliteit, schaamteloosheid en bereidheid om te zeggen wat gij het liefst had willen horen. Want, ik zeg het nog eens, ge had me willen horen jammeren en klagen en me dingen laten doen en zeggen die beneden mijn waardigheid zijn en die ge gewend zijt van anderen te horen. Maar zoals ik destijds niet vond dat ik wegens het gevaar iets moest ondernemen wat een vrij man ontsiert, zo heb ik ook nu geen spijt van deze verdediging, want veel liever sterf ik na deze verdediging dan dat ik blijf leven na een onwaardige verdediging. Want noch in een proces noch in een oorlog mag ik of een ander er tot elke prijs op uit zijn, aan de dood te ontsnappen. Ook in het gevecht blijkt men immers vaak aan de dood te kunnen ontsnappen, als men de wapens neergooit en de achtervolgers om genade smeekt. Zo zijn er in iedere hachelijke situatie allerlei manieren om aan de dood te ontkomen, als men maar bereid is tot het uiterste te gaan. En, mannen, misschien is het wel helemaal niet zo moeilijk om aan de dood te ontsnappen, maar veel moeilijker om te ontkomen aan de smaad, want die is zelfs de dood te vlug af.
Omdat ik nu zo langzaam en oud ben, kom ik in de greep van het langzame, maar mijn aanklagers, die alert zijn en fel, komen in de greep van het snelle: de smaad. En zo zullen wij uiteengaan: ik door uw vonnis schuldig bevonden, de dood tegemoet, zij door de waarheid schuldig bevonden aan slechtheid en onrechtvaardigheid. Ik aanvaard mijn vonnis, zij het hunne. Wie weet moest het zo lopen, ik vind het goed zo.
En nu wens ik u die mij hebt veroordeeld, nog graag een voorspelling te doen. Want ik ben nu beland op het punt waar mensen het diepste inzicht hebben, namelijk vlak voor ze gaan sterven. Dus zeg ik u, mannen die mijn dood gewild hebt, dat u een straf wacht meteen na mijn dood, die bij Zeus veel zwaarder zal zijn dan gij mij met de dood hebt toebedeeld. Want nu hebt ge zo gehandeld in de veronderstelling dat ge daarmee bent gevrijwaard verantwoording te moeten afleggen van uw leven, maar, zeg ik u, precies het omgekeerde is het geval. Want er zal u door veel meer mensen rekenschap worden gevraagd dan tevoren; tot nu toe heb ik die ervan weerhouden, als hebt ge dat niet gemerkt. En ze zullen het u moeilijker maken naarmate ze jonger zijn en gij u meer opwindt. Want als ge denkt dat ge door mensen ter dood te brengen een halt kunt toeroepen aan de beschuldiging dat ge niet juist leeft, dan beoordeelt ge de situatie verkeerd. Die uitweg is niet mogelijk en niet goed, maar de mooiste en gemakkelijkste uitweg is die waarbij ge anderen niets in de weg legt en uzelf zo goed mogelijk presenteert. En nu ik u dit alles door een blik in de toekomst in het vooruitzicht heb gesteld, verlaat ik u.
Met degenen die voor mijn vrijspraak hebben gestemd, zou ik graag nog wat napraten over de hele gang van zaken, zolang de rechters bezig zijn en ik niet ben vertrokken naar de plaats van de terechtstelling. Wilt die tijd nog bij me blijven, vrienden. Want wat let ons om met elkaar te praten zolang er tijd is? U, mijn vrienden, wil ik duidelijk maken wat ik denk dat mij hier is overkomen. Rechters - ja, u noem ik inderdaad rechters -, ik heb iets wonderlijks beleefd.
De goddelijke influistering was in het verleden onmiddellijk bij de hand, als ik op het punt stond iets verkeerds te doen, en ze tikte me bij het minste of geringste op de vingers. Nu weet u even goed als ik dat me iets is overkomen dat wordt beschouwd als het ergste van alle verschrikkingen. Maar toen ik vanmorgen van huis ging, kwam er geen protest van de god, toen ik voor deze rechtbank verscheen evenmin, en ook niet bij enig punt dat ik in mijn pleidooi naar voren wilde brengen. Toch snoerde die stem me bij andere redevoeringen herhaaldelijk de mond. Maar nu, in deze zaak, klonk er geen enkel bezwaar tegen wat ik deed of zei. Wat is daar volgens mij de reden van?
Ik zal het u zeggen: wat mij nu is overkomen, moet iets goeds zijn. En diegenen onder ons die de dood als een verschrikking beschouwen, hebben het dus bij het verkeerde eind. Daarvoor heb ik een belangrijke aanwijzing gekregen. Want het kan niet anders dan dat de godheid had geprotesteerd, als mij iets slechts te wachten had gestaan.
Laten we ook op een andere manier nog eens nagaan of er goede hoop mag bestaan dat het iets goeds is. Want dood zijn is een situatie van niets-zijn waarin de dode zich van niets bewust is, of - zoals wel wordt gezegd - een verandering of verhuizing van de ziel van de ene plek naar de andere, een van beide. Is men zich van niets bewust, zoals in diepe slaap, wanneer zich zelfs geen dromen aandienen, dan moet de dood verbazingwekkende voordelen bieden. Want ik denk dat als iemand een nacht moest uitkiezen waarin hij zo goed sliep dat hij zelfs niet droomde en daar andere nachten en dagen van zijn leven mee moest vergelijken en vervolgens zou moeten zeggen hoeveel dagen en nachten hij het in zijn leven prettiger had gehad dan in die nacht - mij dunkt dat iedereen, en zelfs de grootste koning, zou vinden dat die op een hand te tellen zijn. Als dat het wezen is van de dood, noem ik het winst. Want op die manier lijkt alles wat met tijd te maken heeft, niet meer dan een nacht. En wanneer de dood een manier van verhuizen is, van hier naar een andere plaats, en het waar is dat alle gestorvenen zich daar bevinden, welke genade is dan groter dan deze, heren rechters? Want als iemand naar Hades gaat en diegenen achterlaat die, naar ze beweren, rechters zijn, zou er dan iets tegen zo'n verhuizing zijn wanneer hij daar de ware rechters vindt die, naar gezegd wordt, daar zitting houden: Minos en Rhadamanthos, en Aiakos en Triptolemos, en allerlei andere halfgoden die bij hun leven rechter waren? Of hoeveel zou iemand van u er niet voor over hebben om Orpheus te ontmoeten, of Mousaios, en Hesiodos en Homeros? Als dat waar is, zou ik keer op keer willen sterven; want het lijkt me geweldig om daar te verblijven waar ik Palamedes kan tegenkomen en Aiax, zoon van Telamoon, of een van de andere klassieke helden die door een onrechtvaardig oordeel aan hun eind kwamen. Ik geloof echt dat het niet onaardig zou zijn om dan mijn ervaring te vergelijken met de hunne. En het liefste was het me, als ik bij degenen die daar verblijven, zou kunnen onderzoeken en navraag doen naar wie van hen wijs is en wie het denkt te zijn, maar het niet is. Wat zou iemand er niet voor over hebben, heren rechters, om in de leer te gaan bij degene die het hele leger van Troje aanvoerde, of bij Odysseus of Sisyphos, of de talloze anderen die ik zou kunnen noemen, mannen en vrouwen? Met de mensen daar praten en samen zijn, dat zou toch onmetelijke vreugde betekenen? In elk geval denk ik niet dat ze er iemand zullen doden; de lieden die daar vertoeven, zijn immers veel gelukkiger, en als wat gezegd wordt waar is, voor de rest van de tijd onsterfelijk.
Maar ook gij, heren rechters, moet de dood hoopvol tegemoet treden en die ene waarheid onder ogen zien die zegt dat voor een goed mens geen kwaad bestaat, niet tijdens zijn leven, niet na zijn dood,en dat hij in het plan van de goden niet over het hoofd wordt gezien. Dus overkomt mij dit nu niet zomaar, want het is me duidelijk dat sterven en bevrijd worden van het aardse beter voor me is. Daarom legden de goden me ook niets meer in de weg met hun aanwijzingen en ik neem degenen die me veroordeelden en beschuldigden, dan ook niets kwalijk. Toch hadden ze dat niet voor ogen, toen ze me beschuldigden en veroordeelden, maar ze dachten me te kunnen treffen. Dat zal hun worden aangerekend.
Toch vraag ik hun dit: mannen, straf mijn zonen, als ze groot zijn, met dezelfde vasthoudendheid als waarmee ik u heb lastiggevallen, indien u mocht vinden dat ze zich meer zorgen maken om geld dan om deugdzaamheid, en indien ze voorgeven iets te zijn wat ze niet zijn. Veeg hun dan de mantel uit, zoals ik het u deed, omdat ze zich niet bekommeren om wat belangrijk is en aanspraak maken op iets dat ze niet waard zijn. Als ge mijn zoons zo recht doet, doet ge het mij ook.
Maar nu is het uur gekomen om weg te gaan. Aan mij de dood, aan u het leven. Wie van ons een beter lot treft, is voor ieder een vraag en voor de goden een weet.