Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014;  update 16-4-2014

reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

inleiding en criteria het werkwoord (het verbum) het zelfstandig naamwoord (het substantief) het lidwoord (het artikel) het voornaamwoord (het pronomen) het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief) het telwoord (de numerale) het bijwoord (het adverbium) het voorzetsel (de prepositie) het voegwoord (de conjunctie) het tussenwerpsel (de interjectie)

het werkwoord


  1. substitutie:
  2. M.b.v. substitutie zijn alle zelfstandige werkwoorden bij elkaar te plaatsen als woordsoort.
    Hulpwerkwoorden (in hun verschillende soorten en maten) worden alleen als werkwoord 'herkend' met dit criterium als ze gebruikt worden als hoofdwerkwoord, want in zijn algemeenheid zijn ze in hun functie als hulpwerkwoord niet substitueerbaar:
    ik heb een koe gekocht
    *ik zal een koe gekocht
    *ik probeer een koe gekocht

    De relevante parameters voor werkwoorden zijn:
    -functie {infinief,persoonsvorm/voltooid deelwoord/onvoltooid deelwoord}
    binnen de parameter functie, persoonsvorm:
    -persoon {1ste, 2de 3de,}
    -getal {enkelvoud/meervoud}
    -wijs {indicatief/imperatief/conjunctief}
    binnen de parameters voltooid en voltooid deelwoord:
    -buigings -e, t.g.v. gebruik als bijvoegelijk naamwoord {ja/nee}

    Merk op dat tijd {tegenwoordige tijd/verleden tijd} syntactisch geen parameter is: een tegenwoordige tijd van het ene vervoegde werkwoord kan zonder meer worden vervangen door een verleden tijd van een ander vervoegd werkwoord, zonder dat de grammaticaliteit wordt aangetast, en zonder dat de syntactische relaties binnen de zin veranderen. Het is dus blijkbaar niet zo dat iedere te onderscheiden vorm leidt tot een parameter.
    Pas met behulp van parameters anders dan de boven genoemde zijn binnen de hoofdwerkwoorden onderverdelingen te maken.
    De hoofdwerkwoorden lijken, op basis van een extra kenmerk dat bepaalt of dat werkwoord een lijdend voorwerp heeft {verboden/verplicht/optioneel} uiteen te vallen in de 3 betreffende groepen.
    Opmerkelijk is dat bij werkwoorden met een vast voorzetsel (vb: houden van) substitutie plaatsvindt inclusief dat vaste voorzetsel (vb: beminnen). Het lijdend voorwerp verandert daarmee in een voorzetselvoorwerp, en dit haalt een oud debat naar voren, nl. de vraag of een voorzetselvoorwerp niet beter gezien kan worden als een lijdend voorwerp dat begint met een vast voorzetsel (dat bij het hoofdwerkwoord hoort). Mijn positie zou zijn om deze vraag met 'ja' te beantwoorden, en toe te staan dat in een opsombaar aantal gevallen het werkwoord gezien moet worden als [werkwoord + vast voorzetsel]. In dat geval is het substitutie-criterium van toepassing op deze woorden (of: combinaties van woorden). In alle andere gevallen zou het begrip 'woordsoort' aanzienlijk moeten worden gecompliceerd. Het is in de taalkunde overigens zeker niet ongebruikelijk om een vaste combinatie van woorden te behandelen als één woord. Het bekendste voorbeeld is wellicht de woordcombinatie [zo'n], die algemeen wordt gezien als lidwoord, maar er zijn ook woordcombinaties die in hun geheel de functie van voorzetsel vervullen. Een voorbeeld is "met betrekking tot" , dat grammaticaal gezien doorgaans kan worden gesubstitueerd met het voorzetsel "over".
    Een laatste observatie m.b.t. de substitutie van werkwoorden, betreft het gedrag van scheidbaar-samengestelde werkwoorden. Als een infinitief wordt gesubstitueerd blijft het geheel in tact, maar zodra het een persoonsvorm betreft, verschijnt het scheidbare deel achter in de zin. Het wordt dan vaak benoemd als een "voorzetsel-bijwoord", maar dit lijkt een zwaktebod: het heeft de vorm van een voorzetsel en (schijnbaar) de functie van een bijwoord, maar het blijft natuurlijk (semantisch en syntactisch) een deel van het werkwoord. In een later stuk zal ik hierop terugkomen.
  3. flexie:
  4. De gekende uitzonderingen daargelaten, kennen alle werkwoorden dezelfde mogelijkheden wat betreft flexie, mogelijkheden bovendien die geen enkele andere woordsoort heeft. Het betreft de mogelijkheden om het woord in overeenstemming te brengen met de boven genoemde parameters {functie, [persoon,getal, wijs], [buigings -e]}. Wat betreft dit criterium vormen de werkwoorden dus een heldere, samenhangende woordsoort.

  5. affingering:
  6. Opmerkelijk veel werkwoorden bestaan uit een "basis"-werkwoord, voorzien van een prefix en in veel gevallen daarbij aangevuld met een vast voorzetsel.
    Als prefixen wordt een (kleine set van) voorzetsels gebruikt. Afgeleid van "gaan" bestaan {opgaan, afgaan, uitgaan, doorgaan, meegaan, ondergaan, meegaan} en met vast voorzetsel: {ingaan op, afgaan op, uitgaan van, doorgaan met}, alle met een eigen, idiosyncratische betekenis. Het is op voorhand niet duidelijk welke beperkingen er zijn op deze wijze van affingeren. Komen woorden als {?opwinkelen, aanhoesten, meekopen, en bijsnuiten} niet voor omdat er geen behoefte aan is, of omdat er een regel is die het ontstaan van dergelijke woorden verhindert? Op dit terrein lijkt nader onderzoek vereist om te komen tot een uitspraak over de interne samenhang van de woordsoort werkwoorden.

    Een tweede vorm van affingering betreft de voorvoegsels ont- ver- ge- en be-. Ze hebben gemeen dat ze het element ge- bij het voltooid deelwoord blokkeren. Deze prefixen lijken nauwelijks meer actief bij werkwoorden. Doorgaans hebben de werkwoorden met dit prefix een idiosyncratische betekenis, en is er dus geen sprake van meer echte affingering waarbij actief een element aan een woord wordt toegevoegd, maar "versteende" affingering, waarbij werkwoorden met deze prefixen een onafhankelijke status als nieuw werkwoord hebben gekregen (dit niettegenstaande het feit dat bijvoorbeeld de woorden die met ont- beginnen een gemeenschappelijk betekenisdragend onderdeel hebben). Dat het destijds affingering van het werkwoord betrof is te zien aan het feit dat bij onregelmatige werkwoorden de verschillende vormen zijn behouden.
    Deze prefixen lijken echter nog wel actief bij andere woordsoorten om werkwoorden te genereren:
    be- + znw + -en = "voorzien van"; vb: {bedijken, bevoorraden, bepakken}
    ver- + bijv nw + -en = "eigenschap toevoegen aan iets"; vb: {verfraaien, verdorren, vergroenen, verschonen}

    Aparte aandacht verdient het prefix her- bij werkwoorden. Dit lijkt een productief bestaan te lijden met {herwaarderen, herbouwen, hergebruiken, herzien, heroverwegen}. Het wordt niet geblokkeerd door een eerdere prefix {herintreden}, het leidt nooit naar een scheidbaar samengesteld werkwoord, het blokkeert het prefix ge- soms wel en soms niet {is het "hij heeft het herwaardeerd" "hij heeft het geherwaardeerd" of "hij heeft het hergewaardeerd"?}
    Op voorhand is wederom niet te zeggen of alle werkwoorden voorzien kunnen worden van dit prefix: komen {herbehangen, herschaatsen, herkleden, herslaan} niet voor omdat er geen behoefte aan is, of omdat er regels zijn die zorgen dat dergelijke woorden niet kunnen ontstaan. Op het eerste gezicht lijken genoemde woorden vreemd, maar niet on-nederlands.

    Een derde vorm van affingering is het affix dat van een werkwoord een andere woordsoort maakt. Voorbeeld hiervan is het suffix -baar achter de stam van een werkwoord, waardoor er een bijvoegelijk naamwoord ontstaat met de betekenis dat het zelfstandig naamwoord volgend op dit bijvoegelijk naamwoord de mogelijkheid heeft om de actie van het werkwoord ten uitvoer te brengen (of zoiets).
    Voorbeelden liggen voor het grijpen: {leesbaar, leerbaar, vernietigbaar, opeisbaar, eetbaar, verwijtbaar, denkbaar ....}. Deze woorden in kunnen in veel gevallen weer worden ontkend door het voorvoegsel -on, zelfs als het bijhorende werkwoord niet in gebruik is. Dit leidt tot woorden als oneetbaar en ondenkbaar. Ook hieraan is meer onderzoek te doen, maar dat valt buiten het bestek van dit stuk.

    Aparte aandacht verdient nog wel het prefix ge- dat gebruikt wordt om van een werkwoord een (onzijdig) zelfstandig naamwoord te maken. Voorbeelden: {het gedoe, dat gedraai, het gezoem ...}. Dit is in principe met ieder werkwoord te doen, en kan daarom ook gelden als onderscheidend criterium.
    Hetzelfde valt te zeggen over [stam + ing] om te nominaliseren. Voorbeelden {verkrijging, benoeming, verdenking...} Dit is met name actief bij het actief genereren van een voorzetselgroep. Er lijkt een productief principe te zijn dat van [ter + (stam + ing) + van]een constructie maakt die functioneert als voorzetsel: {ter verkrijging van, ter bespeling van ....}. Niet alle werkwoorden lenen zich hiervoor: als er al een courant zelfstandig naamwoord bestaat wordt de constructie niet gebruikt: *ter koping van. De mogelijkheden tot affingering van werkwoorden blijkt een complex onderwerp. In een volgend stuk zal ik proberen e.e.a. meer in detail te behandelen.


  7. conclusie
  8. Vooralsnog lijkt de vraag of werkwoorden m.b.t. mogelijkheden tot affingering een welgedefinieerde woordsoort vormen onbeslist.
    Wat betreft de mogelijkheden voor substitutie en flexie lijken de (hoofd-)werkwoorden een solide woordsoort, zij het dat een eventueel vast voorzetsel het best begrepen kan worden als een onderdeel van het werkwoord.
    Hulpwerkwoorden vallen mogelijk uiteen in sub-woordsoorten. Voor subwoordsoorten zullen echter aanvullende criteria ontwikkeld moeten worden.

Bert's werk