Bert's brein

geplaatst: 12-1-2015

reageer

Een korte beschouwing over een afwijkende syntactische constructie, waarbij in een stellende hoofdzin de persoonsvorm niet op de tweede plaats staat.



Wat je ook doet, en wie je het ook vraagt


Het Nederlands heeft niet veel keiharde regels als het gaat om de woordvolgorde - het is eerder een wirwar van kleine regeltjes die op elkaar inwerken en dan ook weer de nodige historische uitzonderingen kennen. Toch was er altijd één regel die min of meer hard was: in een stellende hoofdzin komt het vervoegde werkwoord altijd op de tweede plaats in de zin (en het onderwerp van die hoofdzin grenst altijd aan dat vervoegde werkwoord). De persoonsvorm is daarmee zoiets als het anker van de zin. Deze regel is altijd gezien als dermate hard, dat hij algemeen wordt gebruikt om te beoordelen of een aantal bij elkaar geplaatste woorden kwalifeceren als zinsdeel: als ze tesamen (als eenheid) voor de persoonsvorm geplaats kunnen worden, is eer sprake van een zinsdeel.
Voorbeelden: in blauw het eerste zinsdeel, in rood het vervoegde werkwoord:
Ik zou de bal morgen naar het meisje willen gooien
De bal zou ik morgen naar het meisje willen gooien
Naar het meisje zou ik de bal morgen willen gooien
Morgen zou ik de bal naar het meisje willen gooien

Twee zinsdelen voor de persoonsvorm is nooit grammaticaal:
*Morgen naar het meisje zou ik de bal willen gooien

Nul zinsdelen levert geen stellende zin op:
Zou ik morgen de bal naar het meisje willen gooien?

De 1ste plaats mag ook door een bijzin worden ingenomen, zolang het maar één zinsdeel is:
Zodra de zon opkomt zou ik de bal naar het meisje willen gooien

De regel werkt ook nog bij vraagzinnen waarin het bevraagde zinsdeel naar de 1ste positie is gehaald:
Wat zou ik morgen naar het meisje willen gooien?
Naar wie zou ik morgen de bal willen gooien?
Wanneer zou ik de bal naar het meisje willen gooien?

Tot zover de hoofdregel, een regel waar ik eigenlijk nooit aan twijfelde. Tot ik een syntactische constructie aantrof die zich niets van deze regel aantrekt:
Wie het ook vraagt, hij krijgt geen antwoord
Wie je het ook vraagt, je krijgt geen antwoord
Wat we ook probeerden, het lukte maar niet
Hoe je het ook wendt of keert, het blijft een ongelukkig toeval
Wanneer je ook komt, hij is nooit thuis
Waarom je het ook doet, het interesseert me niet
Hoe lang je ook wacht, hij komt toch niet
Waarmee je het ook besproeit, het sterft niet uit

In al deze zinnen is sprake van een soort inleidende bijzin, die gekenmerkt wordt door een vraagwoord (Wat, wie, hoe, waar, wanneer) + het bijwoord 'ook', die samen een aantal woordgroepen omsluiten; deze bijzin wordt - na het woordje 'ook'- afgesloten met een vervoegd werkwoord, de persoonsvorm van de bijzin. Als het gezegde samengesteld is, volgt -net als in een gewone bijzin- de cluster werkwoorden. Maar dan begint de hoofdzin als het ware opnieuw te tellen, waardoor de persoonsvorm van de hoofdzin op de 3de plaats terecht komt.

Meer in detail:
  1. Het vraagwoord in de constructie heeft altijd een klemtoon als het naar een subject of object vraagt {wié, wát, aan wié}. Als het bijwoordelijk is {hoe láng, waarméé, waaróm} wordt de klemtoon verlegd.
  2. Voor de constructie {[vraagwoord].... [ook][ww]} is het woordje 'ook' essentieel: zonder dit woord treedt onmiddellijk de hoofdregel in werking:
  3. Wat je ook probeert, het gaat je niet lukken
    Wat je probeert, gaat je niet lukken

  4. het vragende onderdeel kan betrekking hebben op het onderwerp, het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp, het voorzetselvoorwerp of een bijwoordelijke bepaling. De structuur van de inleidende zin ligt wat dat betreft niet vast.
  5. Hoewel de inleidende bijzin altijd met een vraagwoord begint, wordt het geheel nooit een vragende zin.
  6. De gehele inleidende zin kan ook achter worden geplaatst:
  7. Het lukte maar niet, wat we ook probeerden
    Het is twijfelachtig of deze hele bijzin in het midden geplaatst kan worden - op zijn best levert dit een tang-constructie op:
    ?Het lukte - wat we ook probeerden - maar niet.

  8. Bij een andere positie van de 'inleidende zin' blijft de klemtoon behouden.
  9. de syntactische functie van een dergelijke inleidende zin is moeilijk te duiden. Het lijkt nog het meest een bijwoordelijk karakter te hebben, omdat het vaak door een (modaal) bijwoord kan worden gesubstitueerd, maar dan verandert wel de plaats in de zin. Het lijkt er dus op dat een bijwoordelijke bepaling is uitgewerkt tot een bijwoordelijke bijzin die buiten de gehele zinsconstructie wordt gehaald [dit is geen ongebruikelijk procedé in het nederlands]. Onder staan de gegeven voorbeeldzinnen na substitutie::
    Hij krijgt toch geen antwoord
    Je krijgt toch geen antwoord
    Het lukte toch maar niet
    Het blijft toch een ongelukkig toeval
    Hij is toch nooit thuis
    Het interesseert me toch niet
    Hij komt zo/toch niet
    Het sterft niet toch/zo uit
    Overigens gaat de constructie in praktijk vaak (maar zeker niet verplicht) vergezeld van het woordje 'toch' in de hoofdzin. Dit wekt de indruk dat de hele constructie een soort uitwerking is van dit woordje, zodat e.e.a. in de hoofdzin kan worden hernomen met een enkel woord. Dit komt wel vaker voor, bijvoorbeeld bij nominale constituenten:
    Die man in dat grijze pak, hem heb ik gezien
    Officieel geldt dit echter als spreektaal - het aanwijzende 'hem' kan worden weggelaten. Ook in deze voorbeeldzin wordt de hoofdregel geweld aangedaan. Wellicht is er een overeenkomstige achtergrond, hoewel het hier een losse constituent betreft en geen bijzin. Bovendien komt de klemtoon hier te liggen op de herneming, terwijl in de [vraagwoord ... ook]-constructie de klemtoon ligt in de bijzin, en de herneming (toch) geheel mag worden weggelaten. De analogie is dus verre van compleet.


  10. DE GEDACHTE:
    Hier is niet echt een gedachte, slechts de observatie dat zelfs een van de meest degelijke regels van de nederlandse syntaxis blijkbaar een uitzondering kent voor een welomschreven constructie. Hierbij speelt prosodie waarschijnlijk een grote rol. Bij de beschrijving van de wijze waarop in de nederlandse taal wordt gecodeerd en gedecodeerd zal dit op de een of andere manier moeten worden opgenomen.
    Mogelijk is er een historische oorzaak voor deze constructie aan te wijzen. Oudere varianten van het nederlands waren minder streng op inversie bij voorop-plaatsing, en ook het huidige engels doet er niet al te moeilijk over:
    I went to market yesterday wordt moeiteloos: yesterday I went to market.

Bert's werk