Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014

reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

inleiding en criteria het werkwoord (het verbum) het zelfstandig naamwoord (het substantief) het lidwoord (het artikel) het voornaamwoord (het pronomen) het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief) het telwoord (de numerale) het bijwoord (het adverbium) het voorzetsel (de prepositie) het voegwoord (de conjunctie) het tussenwerpsel (de interjectie)

het voornaamwoord


  1. substitutie:
  2. Al in de ANS wordt opgemerkt dat de voornaamwoorden een zeer heterogene groep vormen, die syntactisch en morfologisch niet in het algemeen te krakteriseren is. Onderscheiden worden:
    • persoonlijk voornaamwoord (pronomen personale)
    • wederkerend voornaamwoord (refelexief pronomen)
    • wederkerig voornaamwoord (reciprook pronomen)
    • bezittelijk voornaamwoord (possesief pronomen)
    • aanwijzend voornaamwoord (demonstratief pronomen)
    • vragend voornaamwoord (iterrogatief pronomen)
    • betrekkelijk voornaamwoord (relatief pronomen)
    • onbepaald voornaamwoord (indefinitief pronomen)
    • uitroepend voornaamwoord (exclamatief pronomen)
    Over het algemeen kunnen woorden uit onderscheiden subgroepen niet worden gesubstitueerd.
    Een enkel voorbeeld hiervoor kan volstaan:
    Neem voor de verzameling "voornaamwoorden" de volgende voorbeeldwoorden als elementen:
    {
    "hij" (persoonlijk vnw)
    "hem" (persoonlijk vnw)
    "zich" (wederkerend vnw)
    "elkaar" (wederig vnw)
    "zijn" (bezittelijk vnw)
    "(de/het) zijne" (bezittelijk vnw)
    "deze" (aanwijzend vnw)
    "zo'n" (aanwijzend vnw)
    "zelf"(aanwijzend vnw)
    "zodanig" (aanwijzend vnw)
    "Wie" (vragend vnw)
    "hetgeen" (hetgeen) (betrekkelijk vnw)
    "iets" (onbepaald voornaamwoord)
    "iedere" (onbepaald voornaamwoord)
    "genoeg" (onbepaald voornaamwoord)
    "wat" (uitroepend voornaamwoord, alleen in constructies als "wat een onzin", "wat mooi", en nog enige andere, zie ANS)
    }
    Het zal op voorhand duidelijk zijn, dat er geen enkele zin is waarbij al deze woorden elkaar kunnen substitueren.
    Als de parameters "getal", "geslacht" en "naamval" hierbij worden betrokken, blijven er voor elke categorie steeds maar één of enkele woorden over. Binnen de categoriën is dan wel verklaard waarom substitutie niet mogelijk is, maar alle generaliserende kracht is verdwenen.
    Deze woorden vormen dus onder het substitutie-criterium geen woordsoort, en zelfs de onderscheiden groepen vormen wat dit betreft doorgaans geen woordsoorten.
    Bij de uitleg van deze onderverdeling wordt in de ANS veelvuldig gebruik gemaakt van criteria die meer te maken hebben met de betekenis van de gezamenlijk ondergebrachte woorden, dan met de syntactische of morfologische eigenschappen. Zo is het persoonlijk vnw. "hij" (1ste persoon enkelvoud) wel degelijk substitueerbaar met woorden als "iemand" (onbepaald), "men" (onbepaald) en "die" (aanwijzend, predicatief gebruikt), maar overeenkomsten en verschillen tussen woorden worden in de ANS hier niet nader op beschouwd.

  3. flexie:
  4. De meeste woorden die op een of meerdere manieren als voornaamwoord zijn benoemd kennen flexie, al wordt het actieve gebruik (woorden als {wien, welker, eniger, ...}) als formeel of ouderwets ervaren. Woorden die attributief gebruikt kunnen worden kennen doorgaans de buigings -e, die we ook aantreffen bij bijvoegelijke naamwoorden, en die volledig bepaald wordt door door de parameters geslacht {de-, het-woord} en getal {enkelvoud, meervoud}. Voorbeelden zijn: welk/welke, zodanig/zodanige, ieder/iedere. Het gebruik hiervan is juist veelal verplicht. Over de flexie van de voornaamwoorden is veel detail-informatie te geven, maar dat valt buiten de opzet van dit stuk. Er is in elk geval geen sprake van, dat overeenkomsten in flexie de volledige grondslag kan leveren voor het samenvoegen van een grote groep zeer verschillende woorden onder de noemer "voornaamwoorden"
    Toch lijkt dit wel de historische grondslag voor deze heterogene groep. Het heeft er de schijn van dat juist de overeenkomsten in (mogelijkheden voor) verbuiging een reden geweest zijn om deze woorden bij elkaar te plaatsen. Vervolgens signaleerde men dat er sprake was van zelfstandig (predicatief) en bijvoegelijk (attributief) gebruik, bij m.n. de aanwijzende vnw. Vanuit de overtuiging dat een woord toch maar tot één woordsoort kan behoren, heeft men de groepen steeds verder uitgebreid en opgerekt, totdat er van een werkelijke samenhang geen sprake meer was. Kenmerkend hiervoor is de gedachte om het woord "zelf" dan maar op te vatten als een aanwijzend vnw, terwijl het daar -behalve semantisch- niets mee te maken heeft.


  5. affingering:
  6. Aan sommige voornaamwoorden kan het element "-zelf" worden toegevoegd als benadrukkend of versterkend element. Afhankelijk van de syntactische structuur kan dit element los komen te staan.
    Meer specifiek: -zelf kan als suffix optreden bij:
    persoonlijke voornaamwoorden {ik-ikzelf; mij,mijzelf; jij-jijzelf; hij-hijzelf; hem-hemzelf; haar-haarzelf; wij-wijzelf; ons-onzelf; u-uzelf; ?jullie-juliezelf} wederkerend voornaamwoord {zich-zichzelf}
    "Zelf" kan ook als versterkend element optreden (maar dan als los woord) bij persoonsnamen en persoons-aanduidingen:
    Dat heeft Karel zelf gedaan
    Daar zullen we mevrouw zelf hebben


    verwant lijkt het suffix -zelfde, dat achter lidwoorden (!) een aanwijzende voornaamwoorden kan worden geplaatst:
    {de-dezelfde, het-hetzelfde, een-eenzelfde, die-diezelfde, dat-datzelfde}

  7. conclusie
  8. De voornaamwoorden voldoen niet aan de gegeven criteria voor een woordsoort. Een aantal zal moeten worden ondergebracht bij andere en/of nieuwe woordsoorten (als we tenminste willen vasthouden aan de gedachte dat ieder woord tot een woordsoort moet behoren) Bij het stukje over de specifier zal blijken dat in elk geval een aantal voornaamwoorden hierbij kan worden ondergebracht.

Bert's werk