Bert's brein

geplaatst: 16-4-2014

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

  1. inleiding en criteria
  2. het werkwoord (het verbum)
  3. het zelfstandig naamwoord (het substantief)
  4. het lidwoord (het artikel)
  5. het voornaamwoord (het pronomen)
  6. het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief)
  7. het telwoord (de numerale)
  8. het bijwoord (het adverbium)
  9. het voorzetsel (de prepositie)
  10. het voegwoord (de conjunctie)
  11. het tussenwerpsel (de interjectie)

een nieuwe woordsoort: de nominale determinator


  1. inleiding
  2. Bij de bespreking van de 10 woordsoorten kwam naar voren dat de lidwoorden langs de gegeven criteria geen woordsoort vormen. Ook de voornaamwoorden bleken te divers om in één groep te worden ondergebracht. Bij deze de argumenten om woorden uit verschillende (afgekeurde) woordsoorten samen onder te brengen in een nieuwe woordsoort. Dat wordt in dit stuk stap voor stap opgebouwd: eerst worden de "lidwoorden" behandeld, en vervolgens worden verschillende voornaamwoorden geintegreerd.

  3. voorbeelden en begripsbepaling
  4. Beschouw de volgende voorbeeldzinnen:
    1. Ik heb de koe gekocht
    2. Ik heb die/deze koe gekocht
    3. Ik heb mijn/zijn/haar/hun koe gekocht
    4. Ik heb Karels koe gekocht
    5. Ik heb een koe gekocht
    6. Ik heb geen koe gekocht
    7. Ik heb sommige koeien gekocht
    8. Ik heb alle koeien gekocht

    Deze gecursiveerde woorden hebben gemeenschappelijk dat ze elkaar kunnen substitueren (voor zover er overeenkomst in getal en geslacht bestaat met het znw). Daarnaast mag het zinsdeel maar worden ingeleid door slechts één van de woorden uit deze groep:
    *Ik heb sommige de koe gekocht, of
    *Ik heb de alle koeien gekocht
    *Ik heb sommige Karels koe gekocht, of
    Is ongrammaticaal.
    Wat verklaring behoeft is enerzijds de mogelijkheid tot onderlinge substitutie, en anderzijds dat ieder (nominaal) zinsdeel slechts door één van de woorden uit de groep kan worden ingeleid. Dit suggereert sterk dat alle woorden tot dezelfde woordsoort behoren. De traditionele lidwoorden horen allemaal tot deze woordsoort. Zij zijn daarom het startpunt voor nader onderzoek.

  5. het lidwoord (algemeen)
  6. Met het lidwoord zijn rare dingen aan de hand. In de handboeken wordt er vanuit gegaan dat iedere nominale kern voorzien moet zijn van een lidwoord. Als dat lidwoord niet in de zin verschijnt (bij onbepaald meervoud) leert deze taalkundige analyse dat het woord er tóch staat, nl. als het lidwoord 0. Dit is waarschijnlijk het enige woord in de taalkunde dat er niet staat en toch wordt ingedeeld bij een woordsoort. Het vertegenwoordigt (zonder het met zoveel woorden te zeggen) een idee uit de transformationele grammatica, waarbij woorden gedurende transformatie kunnen vervormen, verplaatst kunnen worden, verschijnen en zelfs kunnen verdwijnen. Anderzijds wordt de afwezigheid van een lidwoord voor een naam weer niet gezien als een lidwoord 0.
    Een eenvoudiger beschrijving lijkt me, om ervan uit te gaan dat een woord dat er niet staat geen benoeming behoeft. Het lidwoord 0 is dan een artefact.

    De enige reden die ik ooit in de taalkundige literatuur heb gevonden om de lidwoorden {de, het, een} bij elkaar te zetten als woordsoort is, dat voor deze drie zou gelden dat het mogelijk zou zijn om zowel een uitbreidende als een beperkende bijvoegelijke bijzin te maken. Dit in tegenstelling tot het aanwijzend voornaamwoord. Vgl.
    De koe die daar loopt is gek [beperkend]
    De koe, die daar loopt, is gek [uitbreidend]
    Het paard dat daar loopt is tam [beperkend]
    Het paard, dat daar loopt, is tam [uitbreidend]
    Een man die daar loopt is gek [beperkend]
    Een man, die daar loopt, is gek [uitbreidend]
    versus:
    Die koe die daar loopt is gek [beperkend]
    ?Die koe, die daar loopt, is gek [uitbreidend]
    Dat paard dat daar loopt is tam [beperkend]
    ?Dat paard, dat daar loopt, is tam [uitbreidend]
    Zo'n man die daar loopt is gek [beperkend]
    ?Zo'n man, die daar loopt, is gek [uitbreidend]
    Eerlijk gezegd zie ik het verschil niet. De uitbreidende zinnen zullen niet snel voorkomen omdat het aanwijzende aspect wordt gedoubleerd door de toevoegende uitleg die volgt. Dat maakt de zinnen in mijn ogen niet ongrammaticaal. In mijn visie is er geen syntactische reden dat de combinatie van een aawijzend vooraamwoord en een uitbreidende bijzin niet (in geschreven taal) voorkomt, maar enkel een semantische: we hebben doorgaans geen behoefte aan dergelijke zinnen.

  7. het lidwoord als basis voor de nominale determinator
  8. In het navolgende wordt met het begrip "nominale kern" gedoeld op zelfstandige naamwoorden en eigennamen, zoals die naar voren traden in het stukje over zelfstandige naamwoorden. In het vervolg wordt "nominale kern" afgekort tot NK, en een "nominale determinator tot ND".

    Vergelijk de volgende zinnen:
    enkelvoud:
    Jan is ziek [naam]
    De Jan die ik ken is nooit ziek [naam, bepaald]
    Ik ken een Jan die ziek is [naam, onbepaald]
    Olifant is ziek [naam]
    De olifant is ziek [bepaald]
    Er is een olifant ziek [onbepaald]
    De olifant eet gras [generiek] of [bepaald]
    Een olifant is ziek [generiek] of [onbepaald]

    meervoud:
    Daar lopen olifanten [onbepaald]
    De olifanten zijn ziek [bepaald]
    Olifanten zijn cool [generiek]

    Er treden vijf parameters naar voren die (mede) uitgedrukt worden door het lidwoord of de afwezigheid van een lidwoord:
    naam: {wel/niet}
    bepaaldheid {bepaald/onbepaald}
    generiek {wel/niet}
    grammaticaal geslacht {de/het}
    getal {enkelvoud/meervoud}
    Met de onderstaande regels is m.i. de stand van zaken het eenvoudigst te modelleren:
    1. een ND heeft hetzelfde getal als de NK die hij specificeert
    2. een ND heeft hetzelfde geslacht als de NK die hij specificeert
    3. bij enkelvoud geldt: de afwezigheid van een ND duidt op een naam
    4. bij enkelvoud geldt: {de/het} is bepaald of generiek. e.e.a. moet worden opgemaakt uit de contekst
    5. bij enkelvoud geldt: {een} is onbepaald of generiek. Voor het onderwerp geldt: standaard is generiek, als onbepaald wordt bedoeld met het onderwerp aan het begin van de zin, wordt de constructie met [{er/daar/hier...} + ww + een + NK] gebruikt
    6. bij het meervoud geldt: het grammaticaal geslacht wordt niet tot uitdrukking gebracht
    7. bij het meervoud geldt: afwezigheid van een ND duidt op onbepaald of generiek; e.e.a. moet worden opgemaakt uit de contekst. Generiek lijkt hierbij de standaard als het het onderwerp van de zin betreft, en onbepaald voor alle andere functies van de NK
    8. bij het meervoud geldt: aanwezigheid van een ND is bepaald
    9. met de implicatie dat de afwezigheid van een ND bij het meervoud onbepaald is. Er is echter een goede aanwijzing dat dit zich niet beperkt tot het meervoud: gegeven het gedrag van bijvoegelijke naamwoorden bij namen (i.e. in het enkelvoud als er geen ND is) zijn ook enkelvoudige groepen zonder ND onbepaald. Zie voor voorbeelden de blockquote bij de bespreking van de bijvoegelijke naamwoorden.
    Het meest opvallend hierbij is dat er verschillende mogelijkheden zijn om generiek gebruik uit te drukken, nl
    1. de/het + enkelvoud
    2. een + enkelvoud
    3. geen ND + mv
    Het verschil tussen generiek en onbepaald is niet altijd goed te maken:
    Ik handel in olifanten [onbepaald? / generiek?]
    Of er verschil is tussen deze constructies, en in hoeverre ze van toepassing zijn bij andere posities dan bij het onderwerp zou allemaal onderzocht kunnen worden. Echter: niet hier.

  9. 1ste uitbreiding: de ontkennende nominale specifier "geen"
  10. Normaliter wordt het woord "geen" gerekend tot de bijwoorden, meer specifiek benoemd als ontkennend bijwoord.
    Zodra het bijwoord "niet" wordt gevolgd door de nominale determinator "een" (ongeacht of de functie generiek of onbepaald is), worden deze twee woorden gesubstitueeerd door "geen". De combinatie "niet + een" wordt als ongrammaticaal ervaren, mogelijk met uitzondering van zeer gemarkeerde zinnen.
    *Ik heb niet een boot gekocht Ik heb geen boot gekocht
    Omgekeerd kan de ND "geen" wel vooraf gaan aan een telwoord:
    Ik heb geen twee boten gekocht
    Ik heb geen tweede boot gekocht

    De eerste van deze twee zinnen is opmerkelijk. Vgl:
    Ik heb de twee boten gekocht
    ?Ik heb een twee boten gekocht
    Ik heb geen twee boten gekocht

    Mogelijk heeft het woord "geen"(mede) de functie om het impliciete ontkennende bijwoord, dat anders een wijziging van een werkwoord bewerkstelligt, nu bij de nominale groep te trekken. Mogelijk vereist de ontkenning dat de onbepaalde meervoudige ND -die anders schittert door afwezigheid- in deze specifieke constructie toch moet worden geëxpliciteerd.

    Nb. Hier behandel ik enkel het attributieve gebruik van nominale determinators. In een zin als "Ik heb er geen" is er sprake van predicatief gebruik (mogelijk met een elliptisch karakter en een substitutie). Ditzelfde thema is ook aan de orde bij navolgende uitbreidingen van de nominale determinator. Attributief versus predicatief zal ik in een later stuk uitwerken.
    Meer over het woord "niet":
    Middelnederlandsch Woordenboek: niet
    Oudste attestatie: Limburg, 1200
    Frequentie: totaal: 6279, lexic.: 26, ambt.: 1765, lit..: 4488

    Aangetroffen spelling: Vormen met ronding: nieut (1x), niewet (2x), nuwít (2x) en (gewoonlijk voorafgegaan door te of van: niwete (2x), nieute (3x), (te)nivte (2x), (te)niute (2x), njwete (1x); aaneengeschreven met het pers.vnw. he: henuet (1x); vormen zonder ronding: neit (6x), nied (3x), niet (3765x), níít (2x), niit (1x), nijt (12x), nit (1905x), nᨖt (54x), nith (1x), nitt (1x), njet (28x), nyed (1x), nyet (194x), nyt (1x). Aaneengeschreven 1. met el 'anders': elniet (11x); 2. met het partikel en/ne: nien (1x), niene (18x), nᨖn (3x), nin (149x), nine (14x), nᨖne (57x); 3. met te (soms ook los): (te)niete (6x), (te)niet (1x), (te)niette (1x), (te)nᨖte (6x).

    Etymologie: Uit Germ. *ni wiχt- 'niet (een) zaak' d.w.z. 'niets', vgl. Onl. neuuiht, nieuuiht, niuueht, ook in de verb. te nieuuete 'ad nihilum' d.w.z. 'tot niets' > Vroegmnl. nieut en, met ronding van [iᤘ] tot [yᤘ], ook nut; later steeds niet, nit. De vorm niet was derhalve oorspronkelijk een znw., dat zich tot een onbep. vnw. ontwikkelde, dat later weer in bepaalde posities tot ontkennend bijwoord werd. Omdat ook in het Vroegmiddelnederlands nog niet altijd duidelijk is of 'niet' dan wel 'niets' wordt bedoeld, worden de verschillende gebruiksmogelijkheden hier in één lemma behandeld. Zo kan, bijvoorbeeld, het zinnetje Dar na seit marie vorseit dat soes niet gheloeft a priori zowel '... dat zij dat niet gelooft' (ontkennend bijwoord) als '... dat zij er niets van gelooft' (onbep.vnw.) betekenen.

    Flexie: -

    Korte betekenis: niet


    Meer over het woord "geen":
    Woordsoort: vnw.(onbep.)
    Modern lemma: geen
    — in gewestelijke spraak ook GIEN —, geene; ontkennend onbepaald vnw.; bij uitbreiding ook als ontkennend lidwoord der eenheid of als bijwoordelijke ontkenning gebezigd. Met afwerping van en ontstaan uit engeen, waarin men eene samenstelling zag van en, niet, en geen, als ontkennend vnw. Daar nu in de vroegere taal in de negatieve volzinnen het ontkennende en onmiddellijk vóór het ww. geplaatst werd en derhalve in volzinnen met engeen het negatieve bijwoord tweemaal, t.w. ééns vóór het vnw. en ééns vóór het ww., voorkwam, liet men, om eene schijnbaar noodelooze herhaling te voorkomen, de ontkenning vóór geen weg. De volle vorm engeen ontstond door misverstand uit negeen, doordien men dit laatste in ne-geen afdeelde en het ontkennende ne, dat schijnbaar het eerste lid der samenstelling uitmaakte, in den gewoner vorm en omzette. Mnl. negeen was evenwel niet samengesteld uit ne, niet, en geen, ontkennend vnw., maar uit nech, zelfs niet, goth. nih (SCHULZE 252, verg. lat. nec), en één, het onbepaalde telwoord of vnw. De oorspronkelijke beteekenis des woords was dus zelfs niet één, of wel, zelfs niet eenig, lat. nec unus, d. i. ne ullus quidem. Uit den zuiveren vorm necheen (neck-een) ontstond het latere negeen, doordien de ch, welke het eerste lid sloot, ten gerieve der uitspraak tot de tweede lettergreep werd getrokken en derhalve in g moest overgaan. Ohd. nihein, nihhein, nehein, nechein (GRAFF 1, 323); mhd. nehein, nechein, nekein (BEN. 1, 422); osaks. nigên, uitgesproken als ni-gên (HEYNE, Hêl. 207); hd. kein, met gelijke aphaeresis als in nl. geen.
    — Aanm. Uit engeen ontstond in enkele streken door afslijting van het eerste lid en de vorm egeen, evenals eweg (bijw.) uit enweg gevormd is. In dit geval werd egeen later tot geen, evenals eweg tot nl. weg, bijw. Egeen wordt reeds in het Mnl. aangetroffen (Alex. X, 664; Sp. II¹, 35, 50; Serv. I, 655, 940, II, 18), en voorts bij HOUWAERT, Den Generalen loop der Werelt, 39, enz.
    +I. Eigenlijk, als verbuigbaar ontkennend vnw. Niet eenig, niet één.
    +II. Bij uitbreiding, als eene liefst onverbuigbare samenstelling gebezigd van de ontkenning met het lidwoord der eenheid een, dat eigenlijk het toonlooze telwoord één is, zoodat geen in deze beteekenis volkomen gelijkstaat met niet een, hetzij de ontkenning bij het met geen verbonden znw. behoort, hetzij zij op den geheelen volzin betrekking heeft.
    +III. Bij verdere uitbreiding ook verbonden met znw., die in bevestigende volzinnen hetzij niet met het lidwoord der eenheid hetzij zonder lidwoord worden gebruikt.
    +↪IV. In bijzondere toepassing. Het woord geen wordt in eenige zegswijzen in ongunstigen zin gebezigd, ter aanduiding, dat de persoon of de zaak, van wie het praedicaat gezegd wordt, eigenlijk dien naam niet verdienen, dat zij van hunne natunr ontaard of in 't algemeen slecht of onbehaaglijk zijn. In vele gevallen heeft het met geen verbonden znw. dezelfde beteekenis als een afleidsel met on-.
    +V. Oneigenlijk, als bijwoordelijke versterkte ontkenning. In de zegswijzen:
    © 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1876.


  11. 2de uitbreiding: de niet-zelfstandige aanwijzende voornaamwoorden
  12. Deze zgn "aanwijzende voornaamwoorden" vormen een aftelbare, opsombare groep woorden. Volgens de ANS gaat het om de volgende woorden:
    enkelvoud, het-woorden: {dit, dat, ginds, zulk, zo'n, zulk een}
    enkelvoud, de-woorden: {deze, die, gene, gindse, zulke, zo'n, zulk een}
    meervoud: {deze, die, gene, gindse, zulke}
    Op de archaische vormen van {ginds, gene} zal ik hier niet ingaan. Voor een beschrijving van de specifieke eigenschappen, zie de ANS.
    Dat "zulk een" als woordcombinatie gezien wordt als aanwijzend voornaamwoord naast "zulk" bevreemdt enigszins. Ook deze woordcombinatie zal ik hier niet nader bespreken.
    Wat over blijft is een overichtelijk groepje. Ze betreffen een tweewaardig inhoudelijk element, te weten {nabij/veraf}
    De + nabij deze :deze koeien; deze paarden
    De + veraf die: die koe; die koeien; die paarden
    Het + nabij dit: dit paard
    Het + veraf dat: dat paard
    Een (enkelvoud) + nabij/veraf zo'n: zo'n koe; zo'n paard; zo'n volk
    [onbepaald meervoud] + nabij/veraf zulke: zulke koeien; zulke paarden
    Een (enkelvoud, het-woord) + nabij/veraf zulk: zulk volk
    Wat het precieze onderscheid is tussen "zo'n volk" en "zulk volk" laat zich niet eenvoudig onder woorden brengen. Mogelijk heeft "zulk" een meer generieke betekenis.
    De ANS komt met de volgende voorbeeldzinnen:
    Zulk glas is niet geschikt voor ramen van huizen (stofnaam)
    Zo'n glas is niet geschikt om bier uit te drinken (voorwerpsnaam)
    Zulke pijn komt veel voor bij insectenbeten (= 'dit soort pijn')
    Hij had zo'n pijn dat hij er niet van kon slapen (= éen zo hevige pijn')
    Aangezien 'pijn' een de-woord is, kan het woord 'zulk' blijkbaar ook als kwantificerend element worden gebruikt bij de-woorden.
    Het onderscheid generiek versus onbepaald lijkt bij het-woorden overeen te komen met zulk versus zo'n.

    Net als de "lidwoorden" kunnen vrijwel "aanwijzende voornaamwoorden" worden versterkt met het achtervoegsel "zelfde".
    Dit achtervoegsel duidt op identeit van de NK met zichzelf of een soortgelijk object. De conventies in spelling zijn niet altijd even duidelijk: soms wordt het woord los geschreven, en soms vast. Ik ga voorbij aan dit oordeel wanneer het één danwel twee woorden betreft, en behandel e.e.a. steeds als eenheid. Dit omdat de woorden niet te scheiden zijn door er een ander woord tussen toe voegen - het resultaat zou ongrammaticaal zijn.
    Ik heb dezelfde jas gekocht
    Ik heb zo'n zelfde jas gekocht
    Dit levert aan extra ND's:{dezelfde, hetzelfde, eenzelfde, dit/die/dat zelfde (los of vast gespeld), zo'n zelfde, deze zelfde}; deze versterking komt bij mijn weten niet voor bij {gene, gindse, ? zulke}, noch bij andere hierna noch te bespreken ND's.

    Afsluitend: de niet-zelfstandig gebruikte aanwijzende voornaamwoorden zijn te plaatsen binnen de woordsoort ND, maar er blijven vragen, met name bij het gebruik van zo'n als aanduiding van graad. Het precieze verschil tussen zo'n en zulke kan nader worden uitgewerkt. De woordcombinatie zulk een zou een dubbele ND zijn, wat te zeer afwijkt van het normale gebruik van een ND. Wat wel opvalt is, dat zulk een ook graad-aanduidend is.

  13. 3de uitbreiding: de niet-zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden
  14. De ANS onderscheidt:
    1ste persoon enkelvoud mijn, m'n, me
    2de persoon enkelvoud jouw, je, uw
    3de persoon enkelvoud zijn, z'n, ze, haar, 'r, d'r,
    1ste persoon meervoud ons, onze
    2de persoon meervoud jullie, uw
    3de persoon meervoud hun, 'r, d'r
    De informele/gereduceerde vormen zal ik hier niet los bespreken. Het verschil tussen mijn/m'n, zijn/z'n is een kwestie van nadruk.
    In principe vallen deze woorden naadloos binnen de ND. Bij de 3de pers mv is (nog) verschil in grammaticaal geslacht te zien (onze koe versus ons paard).

  15. 4de uitbreiding:genitief-vormen van zelfstandige naamwoorden
  16. Zoals opgemerkt in het onderdeel over zelfstandige naamwoorden, kan -in principe- van ieder zelfstandig naamwoord een bezitsvorm gemaakt worden. Vrijwel altijd gebeurt dit door middel van het toevoegen van een genitief -s aan het enkelvoud. (Karels hond).
    Bij meervouden wordt doorgaans gekozen met een achtergeplaatste constructie met van: het speelgoed van de kinderen. Voor identificeerbaar vrouwelijke personen wordt soms gekozen voor het achterplaatsen van een "bezittelijk voornaamwoord" : marietje d'r jurk. Dit komt echter voor naast: marietjes jurk. Het lijkt een kwestie van definitie (of smaak) om een achtergeplaatst persoonlijk voornaamwoord (los geschreven) toch op te vatten als een genitief.
    Daarnaast komen historische genitieven voor in idiomatische woordcombinaties als kamper uien. Met name in plaatsnamen is de oude -er genitief nog vaak te zien.
    Bij mijn weten functioneren deze verbogen zelfstandige naamwoorden zonder uitzondering als nominale determinator: ze kunnen andere ND's substitueren en een nominale constituent kan er slechts één van hebben.

  17. 5de uitbreiding: de onbepaalde voornaamwoorden
  18. In deze categorie onderscheidt de ANS (niet zelfstandig, determinerend onbepaald voornaamwoord): {ieder(e), elk(e), al/alle}
    Het woord "al" is niet substitueerbaar met de andere woorden die tot dusver gerekend werden tot de ND; de andere genoemde woorden zijn dat wel.
    De ANS merkt hierover op, dat "alle" gezien moet worden als samentrekking van al + de.
    De woorden {ieder(e), elk(e)} zijn onbepaald en/of generiek(analoog aan het gebruik van ND "een"); ze kennen de buigings -e die hoort bij het grammaticaal geslacht (iedere/elke koe versus ieder/elk paard}. {ieder(e), elke(e)} worden gebruikt in het enkelvoud, {alle} in het meervoud, en bij niet telbare (vloeibare) substantieven {alle melk}. Aangezien "alle" begrepen wordt als samentrekking van "al + de", is dit woord als determinator bepaald (analoog aan "de").
    Hier ligt een parallel met "zo'n", dat een samentrekking is van "zo + een". Deze twee woorden {zo, al} kunnen voorafgaan aan iedere NS (behalve aan "geen", mogelijk omdat dat woord zelf al uit twee componenten bestaat), maar omdat dat geheel weer kan worden voorafgegaan door een voorzetsel, kunnen ze zelf geen voorzetsel zijn. Of er meer woorden zijn als de genoemde twee, en of deze een woordsoort zouden kunnen vormen, is mogelijk een onderwerp voor een volgend onderzoek.

    Daarnaast onderscheidt de ANS het niet-collectiverend onbepaald voornaamwoord. Als niet-zelfstandig worden genoemd: {(een)zeker(e), de/het een of ander(e), deze of gene, welk(e) ... ook (maar), onverschillig/om het even/gelijk/eender welk(e), de/het eerste (...) de/het beste}
    {enig(e), enkele(e), wat, een paar, sommig(e), deze en gene, verscheidene, verschillende, ettelijke, menig(e)}
    {genoeg, voldoende, zat, die en/of die, dat en/of dat, dit en/of dit, dit en/of dat}
    Deze drie verzamelingen zijn zo divers, dat moeilijk valt te achterhalen wat de makers van de ANS voor ogen hebben gehad. Misschien hebben ze zich laten leiden door het gegeven dat van elk genoemd element ook een zelfstandige variant bestaat. De diversiteit dwingt me om te hergroeperen en individueel te bespreken. Ik zal dat steeds doen aan de hand van een voorbeeld-zinnetje. De laatste kolom geeft aan of het hier al dan niet een nominale specifier betreft.

    (een) zeker(e) een zekere Karel kwam langs zeker is adjectief (of adverbiaal?) -
    de/het een of andere ik heb een of andere fiets nevenschikking van een telwoord en "andere"; onduidelijk is de status van "andere"; ook telwoord? -
    deze of gene hij heeft deze of genefiets gekocht nevenschikking van twee ND's -
    welk(e) ... ook (maar) welke fiets je ook maar wilt kopen "ook (maar)" is geen deel van de nominale constituent; "welke" doet dienst als ND +
    de/het eerste ... de/het beste ik heb de eerste de beste fiets gekocht ellips + nevenschikking (de eerste fiets, de beste fiets) "eerste" is rangtelwoord, "beste" bijv nw -
    enig(e) ik heb enige fietsen gekocht onderscheid maken tussen "enig" als (1) bijvoegelijk naamwoord  (wat is dat een enige fiets), (2) bijvoegelijk naamwoord (dat is mijn enige dochter) en (3) ND;
    Als ND kan "enige" niet worden voorafgegaan door een andere ND: vgl: ik heb de enige fietsen gekocht die er nog waren. "enige" wordt nu bijv nw 2.
    Als ND is het woord onbepaald, en kent het de buigings-e voor grammaticaal geslacht.
    +
    enkel(e) ik heb enkele fietsen gekocht analoog aan "enige", als ND; daarnaast ook als adjectief:
    de enkele koe die ik gekocht heb
    +
    sommige ik heb sommige fietsen gekocht ND, staat geen verdubbeling toe: * de sommige fietsen die ik gekocht heb .... +
    onverschillig/om het even/gelijk/eender welke het is me om het even welke fiets je koopt het 1ste deel is een werkwoordelijke uitdrukking en hoort niet bij de nominale constituent. "Welke" is een ND, want het staat geen verdubbeling toe. +
    wat ik heb wat fietsen gekocht ND: staat geen verdubbeling toe:
    *de wat fietsen die ik gekocht heb...
    +
    een paar  ik heb een paar fietsen gekocht nominale constituent die voorafgaat aan een andere nominale constituent. Lijkt als constructie de positie van een ND te bezetten. Zie onder: de nominale quantifier-groep  
    deze en gene ik heb deze of gene fiets gekocht samentrekking van een nevenschikking:
    ik heb deze fiets en gene fiets gekocht
    -
    verscheidene ik heb verscheidene fietsen gekocht adjectief, met buigings -e voor meervoud. Staat verdubbeling toe:
    de verscheidene fietsen die ik gekocht heb
    -
    ettelijke  ik heb ettelijke fietsen gekocht analoog aan "verscheidene" -
    menig(e) ik heb menig fiets gekocht analoog aan "verscheidene" Omdat de NK enkelvoud is kent het woord de gewone adjectivische buigings -e: -
    genoeg ik heb genoeg fietsen gekocht ND, want staat geen verdubbeling toe:
    *de genoeg fietsen die ik gekocht heb
    Opmerkelijk: "genoeg" kan ook achtergeplaatst worden:
    Ik heb fietsen genoeg gekocht
    +
    voldoende ik heb voldoende fietsen gekocht analoog aan "genoeg" +
    zat ik heb zat fietsen gekocht analoog aan "genoeg" +
    die en/of die  ik heb die en die fietsen gekocht samentrekking van een nevenschikking [met idiosyncratische betekenis] -
    dit/dat en/of dit/dat ik heb dat en dat gezegd
    ik heb dit en dat paard gekocht
    samentrekking van een nevenschikking [met idiosyncratische betekenis] -


  19. 6de uitbreiding: de niet zelfstandige vragende voornaamwoorden
  20. De ANS onderscheidt als niet zelfstandige vragende voornaamwoorden: {welk, wat voor (een)} Het woord welk  functioneert zonder meer als ND: het kan een andere ND substitueren en er komen nooit twee ND's voor in een enkele nominale constituent:
    Welke fiets heb je gekocht
    Deze fiets heb je gekocht
    Karakteristiek voor "welk(e)" is dat het bij gebruik aan het begin van een zin, die zin vragend maakt.
    Het woord is echter niet gebonden aan de eerste positie in een zin:
    Ik weet niet welke fiets ik heb gekocht
    Hier is de lijdendvoorwerpszin [welke fiets ik heb gekocht] op te vatten als een soort vraagzin.
    In deze positie kan het woord "welke" niet worden gesubstitueerd door een andere ND.
    Uit het bovenstaande blijkt dat dit specifieke woord zodanige invloed kan uitoefenen op de grammaticale structuur van de zin, dat substitutie onmogelijk wordt. Het substitutie-criterium als geformuleerd vereist echter dat er minimaal één constructie is waar substitutie mogelijk is en -als boven geillustreerd- bestaat deze constructie.

    resteert: wat voor (een)
    Het lijkt erop dat deze woordcombinatie altijd substitueerbaar is met "welke". Dit pleit ervoor om deze woordcombinatie ook tot de NS te rekenen.
    De aan- of afwezigheid van "een" houdt direct verband met het getal van de navolgende nominale kern:
    Wat voor een fiets heb je gekocht?
    Wat voor fietsen heb je gekocht?
    In beide gevallen is de woordgroep te vervangen door een andere ND, waarbij het vragende karakter vervalt:
    Die fiets(-en) heb je gekocht. Zoals aan het woord "een" te zien is (danwel bij het meervoud: de afwezigheid daarvan), is deze woordgroep onbepaald. Dit is ook het essentiële verschil tussen "welke" en "wat voor":
    "Welke" is bepaald, "Wat voor" is onbepaald:
    Welke fiets heb je gekocht? Die fiets.
    Wat voor fiets heb je gekocht? Zo'n fiets.

  21. 7de uitbreiding: het voorzetsel "per"
  22. Dit is ook een buitenbeentje. De navolgende zinnen zijn voorbeeldzinnen uit de ANS:
    Aan de LTS is per 1 januari een vacature te vervullen
    Ik zal het je per kerende post sturen
    Wat ben je nou per maand voor die OV-jaarkaart kwijt?

    Substitutie kan alleen plaatsvinden door een voorzetsel(-constructie) + ND:
    Aan de LTS is [met ingang van] 1 januari een vacature te vervullen (voorzetselconstructie)
    Ik zal het je [met de] kerende post sturen (voorzetsel + ND)
    Wat ben je nou [iedere] maand voor die OV-jaarkaart kwijt? (ND)
    Al met al lijkt "per" een onduidelijke status te hebben, omdat het zich soms gedraagt als een samentrekking van een voorzetsel (met) + een bepaalde ND. Het is daarin te vergelijken met "zo'n" en "alle", die boven werden opgevat als een samentrekking van een bijwoord en een ND. Misschien is "per"daarom het best te omschrijven als een voorzetsel met ingesloten ND. Iets soortgelijks geldt voor de constructie "te + locatie" (te Alkmaar). Het simpele woordje "te" heeft echter zoveel betekinissen/functies/gebruiksmogelijkheden dat ik daar een aparte detailstudie aan wil wijden. Om die reden behandel ik het hier niet.

  23. 8de uitbreiding: de nominale quantifier-groep
  24. Bij de bespreking van het zelfstandig naamwoord is al aan de orde geweest dat een zelfstandig naamwoord(groep) vooraf kan gaan aan een andere znw-groep, en daarbij het effect van een maat heeft. Voorbeelden die gegeven zijn:
    ik heb een {mud/ kilo/ liter/ baal/ kudde/ vlucht} aardappels gekocht.
    Gespeculeerd is over het vermogen van alle znw om deze functie te vervullen. Gegeven voorbeelden:
    ? ik heb een {auto/ wetenschap/ boekhouder/ gedachte} aardappels gekocht. Het niet-voorkomen werd daarbij niet zozeer geweten aan syntactische onwelgevormdheid, maar eerder aan semantische nodeloosheid/gebrek aan betekenis. Dergelijke groepen zal ik in het navolgende aanduiden als "nominale quantifier-groep, of kortweg q-groep. Na een q-groep volgt geen (andere) nominale determinator, en een ND kan altijd gesubstitueerd worden door een q-groep (mits overeenstemmend in aantal, wat vrijwel altijd meervoud zal zijn)

    Ook het boven genoemde "niet-collectiverend onbepaald voornaamwoord" {een paar} valt in deze categorie.

    De constructie van een (q-groep + NK) heeft een aantal opmerkelijke eigenschappen.
    Historisch gezien is de q-groep de kern van de constituent, gevolgd door een nabepaling. Klassiek is de vorm met een genitivus partitivus:
    een som gelds.
    Enigszins ongemakkelijk kan (als de genitivus ouderwets aanvoelt) de relatie worden uitgedrukt door middel van een voorzetsel(-constructie):
    Een som [van]/[bestaande uit] geld
    Een paar [van] schoenen
    Een kudde [van]/[bestaande uit] olifanten
    Een kilo [met] aardappels

    Deze relatie, waarbij de 1ste groep de 2de domineert, lijkt zich echter in de loop van de tijd te keren. Dit verklaart de verwarring rond zinnen als:
    Een paar mensen [gaat/gaan] naar de bioscoop.
    Er groep mannen [heeft/ hebben] een bankoverval gepleegd.
    Een kudde olifanten [loopt/lopen] over de savanne

    Bij zgn 'vloeibare' zelfstandige naamwoorden doet het probleem zich niet voor: beide nominale onderdelen (de q-groep en de NK) staan in het enkelvoud:
    Zeven liter water is niet erg veel.
    Maar juist omdat de q-groep vaak voorkomt in combinatie met een vloeibaar znw, is er ruimte voor verwarring - en voor taalverandering.

    resumerend: een q-groep kan de positie innemen van (i.e. is substitueerbaar met) een ND, en staat dan ook geen verdubbeling toe. Dit lijkt een taalverandering: van oorsprong domineerde de q-groep en was het gedeelte van de NK een nabepaling, maar meer en meer lijkt de NK te domineren, waardoor de q-groep is gereduceerd tot ND. Ook hier zou een leuk onderzoek over te doen zijn.
    Een bijzonder geval van een q-groep is:
    Eén van de mensen die daar loopt/lopen (...)
    De "ouderwetse" analyse is: "Eén" is de kern, "van de mensen" is een nabepaling bij de kern met een nieuwe (ondergeschikte) nominale kern, "die" is een betrekkelijk voornaamwoord met als referent het enkelvoudige "Eén", en dus (congruentie) moet het werkwoord "loopt" in het enkelvoud staan.
    De "alternatieve" analyse is: "Eén van de" is een q-groep bij de nominale kern "mensen", die is een betrekkelijk voornaamwoord met als referent het meervoudige "mensen", en dus (congruentie) moet het werkwoord "lopen" in het meervoud staan.
    Dit om aan te geven dat ook de q-groep nog een samengestelde groep kan zijn. Dit kan echter tot problemen leiden, bijvoorbeeld als ik de zin voortzet:
    Eén van de mensen die daar loopt/lopen gaf/gaven mij een trap
    Nu is de hoofdzin:
    [...] gaf/gaven mij een trap
    Door het prominente telwoord "Eén" lukt het mij niet om dit als een meervoudig onderwerp te zien - voor mijn taalgevoel is "gaven" dus fout. Onderzoek zou moeten uitwijzen of het merendeel van de (jongere) nederlanders dit oordeel deelt. Ik vermoed dat de hybride-vorm "lopen" + "gaf" voor veel mensen acceptabel is. Dit roept echter weer problemen op met de vraag wat nu de kern van het onderwerp is: "Eén" of "mensen", en of dat gedurende de zin kan veranderen. Als dat laatste het geval is, pleit dat tegen de TGG, en voor een lineaire, parser-achtige benadering van taal.


  25. conclusie
  26. Als nominale determinator kunnen optreden:
      bepaald
      enkelvoud meervoud aantekeningen
      de-woorden het-woorden    
             
      de  het  de   
      die  dit  die  veraf
      deze  dat  deze  nabij
      gindse  ginds  gindse   
      gene    gene   
    dezelfde  hetzelfde  dezelfde 
      diezelfde  ditzelfde  diezelfde   
      deze zelfde  datzelfde  deze zelfde   
      welke welk welke vragend
             
      mijn  mijn  mijn   
      jouw  jouw  jouw   
      zijn  zijn  zijn   
      haar  haar  haar   
             
      onze ons  onze  
      jullie  jullie  jullie   
      uw  uw  uw   
      hun  hun  hun   
      per per   voorzetsel(-groep) + ND
          q-groep  
      znw-stam + s znw-stam + s znw-stam + s genitivus
             
      onbepaald 
      een  een     
      eenzelfde  eenzelfde     
      zo'n  zo'n    adv +ND: zo + een 
        zulk  zulke  adv + ND: zulk + een
      zulke     met beperkingen: zulke melk kan wel, zulke koe kan niet.
      wat voor (een) wat voor (een) wat voor vragend
          alle  adv+ND:al + de
      elke  elk    
      geen  geen  geen  ontkennend; adv + ND: niet + een
      enige  enig  enige  ook: adj
      menig(e)  menig     
          enkele  ook: adj
          sommige   
          wat   
          genoeg  achterplaatsing mogelijk
          voldoende idem
          zat idem
             
    De bovengegeven lijst is in principe compleet. Er is nauwelijks sprake van flexie, en zijn geen mogelijkheden tot affingering. Wel bestaat voor een groot aantal elementen de mogelijkheid tot predicatief (zelfstandig) gebruik. Op deze mogelijkheden ga ik in in een volgdend stuk.
    Het algemene patroon lijkt te zijn dat een aanwezige ND (zeg: de) een extra betekenis-element kan krijgen (veraf, of: bezit van de spreker). Als het een exta betekenis-element krijgt wordt het woord vervangen door een ander taalelement, met behoud van de functie van ND. Een mogelijk element dat kan worden toegevoegd is het vragende element (deze welke), waarbij dit vragende element wel gevolgen kan hebben voor de syntaxis.
    Vooralsnog onbegrepen is de mogelijkheid tot achterplaatsing van de ND bij {genoeg, zat, voldoende}.
    De woorden {enkele, enige} hebben naast een functie als ND ook de mogelijkheid om als adjectief te worden gebruikt. In dat geval worden ze voorafgegaan door een ND.
    De elementen {welke/wat voor} zijn niet alle zinnen substitueerbaar t.g.v. hun vragend karakter.

  27. Nevenconclusie:
  28. Bij het zoeken naar een werkbare analyse eenheid kwam al naar voren dat het losse "woord" in een aantal gevallen niet volstaat. Het bleek met het oog op substitutie eenvoudiger om bijvoorbeeld een werkwoord met een vast voorzetsel op te vatten als eenheid. Nu blijkt dat het omgekeerde zich ook voordoet: bij woorden als {zo'n, zulke, alle} -die als los woord worden geschreven en geanalyseerd, is het wellicht praktisch op het woord op te vatten als een vaste samenstelling van twee eenheden, een "bijwoord" + een ND.

Bert's werk