Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014; update 23-11-2014

reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken. Dit stuk staat op zichzelf, maar maakt wel deel uit van een groter programma. De achterliggende gedachte (waarom zou je je uberhaupt bezig houden met het aantal woordsoorten) is uitgewerkt in het stuk over de grondslagen voor een grammatica.

grondslagen voor de woordsoorten in de schoolgrammatica


  1. inleiding en vraagstelling
  2. Op de lagere en middelbare school maakt iedereen kennis met (de grondbeginselen van) schoolgrammatica. Er moet ontleed worden in zinsdelen, en benoemd worden in woordsoorten. Met grote stelligheid wordt een begrippenapparaat gedoceerd, doorgaans aan de hand van duidelijke voorbeelden: waar het moeilijk wordt, wordt uitgeweken naar vrij nietszeggende begrippen als "werkwoordelijke uitdrukking", of wordt e.e.a. aan de kant geschoven als "te moeilijk".
    In dit stuk zal ik me beperken tot de woordsoorten. Het zijn er officieel 10, en ze worden vaak in een vaste volgorde behandeld:
    1. het werkwoord (het verbum)
    2. het zelfstandig naamwoord (het substantief)
    3. het lidwoord (het artikel)
    4. het voornaamwoord (het pronomen)
    5. het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief)
    6. het telwoord (de numerale)
    7. het bijwoord (het adverbium)
    8. het voorzetsel (de prepositie)
    9. het voegwoord (de conjunctie)
    10. het tussenwerpsel (de interjectie)
    De meeste woordsoorten kennen op hun beurt weer een uitgebreide onderverdeling.

    Maar: wat is hier de systematiek? Hoe zijn we tot deze 10 gekomen? En: zijn het er altijd wel 10? Bij de eerste les latijn leer je al, dat het latijn geen lidwoord heeft, dus die 10 zijn blijkbaar niet noodzakelijk. Kunnen het er ook 11 zijn, of 34? Kortom: wat kan de gedachte geweest zijn om tot deze 10 te komen?
    De vraag is niet alleen van belang voor de schoolgrammatica, maar ook voor recentere vormen van taalwetenschap: de TGG (van Chomsky) benoemt immers ook in termen van nominale, verbale, adjectivistische etc. groepen, waarbij er stilzwijgend van wordt uitgegaan dat deze woordsoorten bekend zijn.

    Het antwoord op de vraag naar de theoretische achtergrond van de 10 woordsoorten is sterk historisch bepaald. Achtergrondinformatie is hier te vinden, en op deze link is het standaardwerk van M.C. van den Toorn online beschikbaar: zie p 144 e.v. Nog dieper graaft het boekwerk Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde, van Bakker en Dibbets.
    Maar inzicht in het ontstaan biedt geen inzicht in de achterliggende vraag: hoe komt het dat we -als we een beetje opletten op school- uiteindelijk allemaal (min of meer) tot dezelfde conclusie komen, als ons gevraagd wordt naar de woordsoort van een bepaald woord in een bepaalde zin? Dat duidt er toch op dat er sprake moet zijn van enige samenhang of logica, dat dit systeem van het benoemen van woorden aansluit op een soort psychologische realiteit, of dat er op zijn minst een leerbare set regels bestaat om tot die conclusie te komen.
    Vergeefs heb ik in de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst) gezocht naar een verantwoording van de gebruikte sysematiek. Bij deze een eerste poging op zelf dan maar de achteliggende systematiek te reconstueren, zoals ik die zelf gebruik.
    Ik zoek hierbij naar de grote lijnen. Uiteraard ben ik me bewust van enorme hoeveelheid uitzonderingen en bijzondere gevallen, maar vooralsnog zal ik hier geen aandacht aan besteden.

  3. drie criteria
  4. Onderstaand worden drie verschillende mogelijke criteria gegeven aan de hand waarvan bepaald zou kunnen worden of een woord tot een bepaalde woordsoort behoort. Deze criteria zijn tentatief. Ik sluit niet uit dat er nog meer criteria te geven zijn, ik sluit niet uit dat een criterium bij nader inzien niet voldoet, of dat een van de criteria -gegeven de andere criteria- geen extra informatie toevoegt.
    Wetenschap gaat over het maken van modellen van de werkelijkheid. Helaas vertelt niemand er op voorhand bij in welke termen deze modellen moeten worden gesteld. Traditioneel werkt de taalkunde met "woordsoorten" en "zinsdelen". Mijn onderzoek in de taalkunde is mede ingegeven door het wantrouwen in deze termen -zie boven. Naast het bepalen welke "woordsoorten" het Nederlands kent, heeft dit stuk daarom een tweede, veel fundamentelere vraag: wat is een relevante terminologie om taal in te beschrijven, oftewel: is "woord" (whatever that may be) wel een relevante eenheid voor analyse? In een ander stuk kom ik hier uitvoerig op terug.

    1. het 1ste criterium: substitutie

      Twee woorden behoren tot dezelfde woordsoort dan en alleen dan als
      -gegeven de waarde van een aantal parameters- het ene woord in een welgevormde zin vervangen kan worden door het andere woord, met behoud van de welgevormdheid van de zin en alle daarin aanwezige syntactische relaties. Dit met voorbijgaan aan het ontstaan van een onbegrijpelijke betekenis.

      Welke parameters relevant zijn, en welke waarde deze parameters kunnen aannemen moet per woordsoort worden bepaald.

      voorbeeld:
      Volgens de algemene intuïtie zoals die op school wordt verworven, behoren de woorden {auto, wetenschap, boekhouder, gedachte} tot de woordsoort zelfstandige naamwoorden (znw).
      Ze stemmen overeen in getal (enkelvoud), geslacht (allemaal de-woorden) en naamval (in modern nederlands doorgaans niet te onderscheiden) In een welgevormde zin als:
      ik heb mijn auto gewassen
      is het gecursiveerde woord te substitueren met ieder woord uit deze verzameling:
      ik heb mijn wetenschap gewassen
      ik heb mijn boekhouder gewassen
      ik heb mijn gedachte gewassen

      De syntactische structuren worden hierdoor niet aangetast. Wel ontstaan er onbegrijpelijke zinnen, maar ze zijn daarom nog niet ongrammaticaal: ze zouden zonder moeite kunnen voorkomen in een gedicht.
    2. het 2de criterium: overeenstemming in flexie

      Twee woorden behoren tot dezelfde woordsoort dan en alleen dan als
      de twee woorden (in principe) exact dezelfde mogelijkheden tot flexie hebben, zij het conjugatie en declinatie.


      Als voorbeeld kan hier gelden de vergelijking tussen de twee (zwakke) werkwoorden spelen en boren: beide hebben een infinitief, een 1ste, 2de en 3de persoon enkelvoud en meervoud, zowel in de tegenwoordige als in de verleden tijd, alsmede een gebiedende wijs (enkelvoud en meervoud), een tegenwoordig deelwoord en een voltooid deelwoord. Op basis daarvan mogen we concluderen dat deze twee woorden tot dezelfde woordsoort behoren.
      Omdat we het hier slechts over grote lijnen hebben, zien we af van de onregelmatigheden die zich bij flexie voordoen, het is voldoende dat al deze vormen (in principe) zijn te generen bij een woord.

      Ook de afwezigheid van mogelijkheden tot flexie is een wezenlijk element van dit criterium: het feit dat voegwoorden geen enkele vormverandering toestaan kan een argument zijn om deze woorden bij elkaar te nemen en als woordsoort te benoemen.
    3. het 3de criterium: overeenstemming in affingering

      Twee woorden behoren tot dezelfde woordsoort dan en alleen dan als
      de twee woorden (in principe) exact dezelfde mogelijkheden hebben voor affingering (pre-  en suffixen).


      Een voorbeeld is het suffix "-loos", dat achter alle zelfstandige naamwoorden kan worden geplaatst, waarbij het nieuwe woord eigenschappen krijgt van een andere woordsoort, te weten de bijvoegelijke naamwoorden.
      Bij de bespreking van de verschillende woordsoorten worden in het kader van dit 3de criterium enige affixen besproken. Naar volledigheid is daarbij niet gestreefd - daarvoor zijn er gewoonweg te veel. Een (ook nog incompleet) overzicht in de ANS, onder het hoofdstuk over woordvorming.

    4. Nb. Het verschil tussen flexie en affingering kan soms lastig te beoordelen zijn. Onder flexie wordt hier verstaan:
      een vormverandering aan een woord (prefix, infix, suffix, klinkerverandering, accentverandering) die geen verandering van de betekenis van het woord bewerkstelligt, en die enkel tot doel heeft om het woord in overeenstemming te brengen met zijn syntactische omgeving.
      Onder affingering wordt hier verstaan:
      Een vormverandering aan het woord (zie boven) die een verandering van de betekenis van het woord bewerkstelligt en/of het woord de mogelijkheid geeft om in een andere syntactische omgeving te functioneren (verandering van woordsoort)
    Het bovenstaande sluit niet uit dat er sub-woordsoorten kunnen bestaan, bijvoorbeeld de hulpwerkwoorden als onderdeel van de werkwoorden. Sub-woordsoorten moeten onderling dezelfde eigenschappen hebben als een woordsoort (substitutie, fkexie, affingering) maar omdat ze andere syntactische gebruiksmogelijkheden hebben, hoeven ze (in deze afwijkende contekst) niet substitueerbaar te zijn met de hoofdsoort.
    Om ze tot de hoofdssoort te kunnen rekenen, moet er minimaal één syntactische contekst bestaan waar de sub-woordsoort (syntactisch) op dezelfde wijze wordt gebruikt als de hoofd-woordsoort. Bij hulpwerkwoorden is dat -voor zover ik zo snel kan nagaan- het geval: ieder hulpwerkwoord kan ook gebruikt worden als hoofdwerkwoord (zij het dat de betekenis vaak anders is: hebben als hoofdwerkwoord betekent bezitten, en als hulpwerkwoord geeft het slechts een aspect van de tijd aan).

    Op basis van deze drie criteria, zal ik nu de genoemde 10 woordsoorten nagaan; om het overzicht te behouden is voor iedere woordsoort een aparte pagina gemaakt.

    1. het werkwoord (het verbum)
    2. het zelfstandig naamwoord (het substantief)
    3. het lidwoord (het artikel)
    4. het voornaamwoord (het pronomen)
    5. het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief)
    6. het telwoord (de numerale)
    7. het bijwoord (het adverbium)
    8. het voorzetsel (de prepositie)
    9. het voegwoord (de conjunctie)
    10. het tussenwerpsel (de interjectie)

  5. voorlopige conclusies/nabeschouwing
  6. De oorspronkelijke gedachte was zo mooi en zo helder: ieder woord zou tot één woordsoort behoren. De praktijk is echter veel weerbarstiger. Gegeven de drie criteria die gegeven zijn, zijn er maar een paar heldere woordsoorten te onderscheiden en de rest blijft over, wachtend op een manier om ze helder in te delen. Onmiskenbaar woordsoort zijn:
    1. hoofdwerkwoorden, met daaronder mogelijke subwoordsoorten voor verschillende soorten werkwoorden, zoals (al dan niet groepsvormende) hulpwerkwoorden en transitieve/intransitieve werkwoorden
    2. zelfstandige naamwoorden + eigen namen
    3. bijvoegelijke naamwoorden (zonder de zgn stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden)
    4. hoofdtelwoorden
    5. binnen de bijwoorden lijken subgroepen mogelijk, m.n. quantfiers voor de bijvoegelijke naamwoorden en enkelwoordige tijds- en plaatsaanduidingen. Deze groepen zijn echter niet zonder problemen
    6. binnen de voorzetsels tekent zich een groep van 25 kernvoorzetsels af. De criteria leveren hier echter geen eenduidig beeld.
    7. Dwars door verschillende traditionele woordsoorten heen tekent zich een groep van onderling substitueerbare woorden af, die te duiden zijn als nominale determinators. (zie ald)
    Aanvullend geldt dat werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden met een vast voorzetsel beter als een samengesteld "woord" kunnen worden gezien.

    De andere "woordsoorten" voldoen vooralsnog niet aan de criteria zoals boven gegeven. Ofwel we moeten accepteren dat sommige woorden niet zijn in te delen langs de gegeven syntactische en morfologische lijnen, ofwel we moeten deze woorden onderbrengen en 'nieuwe' woordsoorten. In een volgend stuk zal ik ingaan op de mogelijke woordsoort 'nominale derterminator' , waar de lidwoorden in onder te brengen zijn, alsmede enige voornaamwoorden.
    E.e.a. vraagt om nieuwe theorievorming. Te denken valt aan een onderscheid tussen een woord en een positie: een bijvoegelijk naamwoord staat binnen het zinsdeel (per definitie) op een bn-positie. Andere woorden kunnen ten gevolge van affingering ook op die positie komen, echter zonder dat ze mogelijkheden tot flexie en affingering van het echte bijvoegelijk naamwoord overnemen. Dit idee (en waarschijnlijk nog wel meer) zal ik volgende stukjes proberen uit te werken.
    Wat betreft mijn achterliggende vraag: wat is een relevante terminologie om taal te modelleren:
    Als bovenstaand geconcludeerd, is -gegeven het substitutiecriterium- de eenheid "woord" niet de meest voor de hand liggende eenheid van analyse: werkwoorden met een vast voorzetsel kunnen beter als eenheid worden opgevat, en hetzelfde geldt voor "voorzetsel-constructie". Het idee dat de relevante eenheid onder alle omstandigheden bij elkaar blijft is daarmee niet houdbaar. Denk daarbij ook aan de scheidbaar samengestelde werkwoorden: in de infinitief (uit te leven) is het onderdeel "uit" gescheiden van "leven" door "te". De traditionele analyse is dan, dat "uit" een "voorzetsel-bijwoord" is. In zinnen met een infinitief (zij wilden zich eens uitleven) of een voltooid deelwoord (zij hebben zich uitgeleefd) is het echter weer deel van het werkwoord. Dit ziet eruit als een gammele analyse, een beschrijving die geen recht doet aan de taalkundige werkelijkheid.
    Wat betreft de drie criteria:
    Het substitutie-criterium geeft een noodzakelijke (maar nog niet voldoende) voorwaarde om een woord tot een woordsoort te rekenen. Met alleen dit criterium zouden bijvoorbeeld genominaliseerde infitieven (te leven) ook tot de zelfstandige naamwoorden gerekend moeten worden, en zouden deelwoorden (geleefde, levende) tot de bijvoegelijke naamwoorden gerekend moeten worden. Als aanvullend criterium kan daarom de flexie dienen.
    Als twee woorden een gemeenschappelijke flexie hebben is dat wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om tot dezelfde woordsoort gerekend te kunnen worden. Met alleen dit tweede criterium zouden verschillende nominale determinators (zulk/zulke) tot de bijvoegelijke naamwoorden worden gerekend, omdat ze de buigings -e kennen.
    Deze twee criteria tesamen lijken echter een voldoende voorwaarde om een woord in te delen in een woordsoort.
    Wat beteft het derde criterium (affingering): hoewel het volledig lijkt te convergeren met de uitkomsten van de andere twee criteria, is de toegevoegde waarde nihil, behalve bij de voorzetsels: daar lijkt het vermogen om van een voorzetsel een voornaamwoordelijk bijwoord te maken ( "naar" wordt "ernaar") cruciaal om de kernvoorzetsels te onderscheiden van andere voorzetsel-achtige woorden.. IMogelijk ook moeten flexie en affingering samen worden gezien als één criterium: de eerste geeft een functie-verandering zonder betekenisverandering, de andere geeft een betekenisverandering al dan niet met een functieverandering. Het criterium zelf lijkt niet onderscheidend genoeg om los te functioneren, omdat er grote groepen woorden zijn die geen enkele affingering structureel toestaan.

Bert's werk