Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014; laatste update 29-3-2014
 
reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

inleiding en criteria het werkwoord (het verbum) het zelfstandig naamwoord (het substantief) het lidwoord (het artikel) het voornaamwoord (het pronomen) het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief) het telwoord (de numerale) het bijwoord (het adverbium) het voorzetsel (de prepositie) het voegwoord (de conjunctie) het tussenwerpsel (de interjectie)

het lidwoord


  1. substitutie:
  2. Substitutie bij lidwoorden is over het algemeen geforceerd of onmogelijk:
    "de" en "het" kunnen elkaar niet substitueren, en "een" kan worden gesubstitueerd door "het" of "de" , naar gelang het geslacht van het daarop volgende znw.
    Dit zou gedeeltelijk kunnen worden opgelost door de parameter "geslacht" in te voeren, met als waarden {de/ het-woord}

    Dit komt echter niet tegemoet aan de andere mogelijkheden tot substitutie:
    Zowel "de", "het" als "een" kunnen altijd worden gesubstitueerd met
    -een bezittelijk voornaamwoord: {de/ mijn / onze} koe
    -een aanwijzend voornaamwoord (met de parameters "geslacht" en "getal") {de / die / deze / zo'n} koe
    -een vragend voornaamwoord {de / welke} koe
    Dit suggereert sterk dat de woordsoort "lidwoorden" geen onafhankelijke status als woordsoort toekomt.
    Het is immers ondenkbaar dat een zelfstandig naamwoord (in zijn algemeenheid) kan worden gesubstitueerd door een voorzetsel of een werkwoord. Bovendien is bij het lidwoord de substitutie door een woord uit een andere woordsoort ook erg hard: het kan niet voorkomen dat "de" en "die" samen voorkomen als inleidend woord bij een znw. Een nadere beschouwing over de wijze waarop het lidwoord -samen met de woorden die ervoor in de plaats kunnen worden gezet- beter te beschrijven is, past niet in dit stuk. Hier zal ik een volgend stukje over schrijven. Daarin zullen argumenten gegeven worden voor een andere woordsoort, te weten de "determinator", waar ook andere woorden deel van uitmaken.

  3. flexie:
  4. De woorden {de, het een} kennen eenzelfde flexie, i.e. ze kennen aparte vormen voor 1ste, 2de en 3de naamval, enkelvoud en meervoud. Het actief gebruik van deze naamvallen is soms nog mogelijk, maar wordt ervaren als "ouderwets" taalgebruik. Deze flexie wordt gedeeld met de groepen woorden die de lidwoorden kunnen substitueren. Ook dit kan een argument zijn om lidwoorden niet op te vatten als zelfstandige woordsoort.

  5. affingering:
  6. De woorden {de, het, een} kunnen worden geaffingeerd met -zelfde, maar ook die eigenschap wordt gedeeld met in ieder geval de aanwijzende voornaamwoorden die de lidwoorden kunnen substitueren: {de-dezelfde, het-hetzelfde, een-eenzelfde, die-diezelfde, dat-datzelfde, zo'n - zo'n zelfde (2 woorden)}. De bezittelijke vnw die kunnen substitueren hebben deze eigenschap niet {mijn-*mijnzelfde, etc}, maar wederom is niet duidelijk of dat komt door een semantische eigenschap of door een syntactisch/morfologische eigenschap van deze woorden.


  7. conclusie
  8. De lidwoorden zijn op basis van de gegeven criteria niet te kwalificeren als een woordsoort. In een volgend stukje zal ik proberen aannemelijk te maken dat ze onderdeel uitmaken van een woordsoort "nominale determinator".

Bert's werk