Berts Brein

Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014; update 19-6-2014

reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

inleiding en criteria het werkwoord (het verbum) het zelfstandig naamwoord (het substantief) het lidwoord (het artikel) het voornaamwoord (het pronomen) het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief) het telwoord (de numerale) het bijwoord (het adverbium) het voorzetsel (de prepositie) het voegwoord (de conjunctie) het tussenwerpsel (de interjectie)

het bijvoegelijk naamwoord


  1. substitutie:
  2. Bijvoegelijke naamwoorden (bn) zijn vrijwel altijd subsitiueerbaar en zijn dus bij elkaar te plaatsen als woordsoort.
    De relevante parameters zijn:
    -functie {attributief/predicatief} binnen de parameter (functie, attributief): -getal {enkelvoud/meervoud}
    -geslacht {de/het woord}
    Voorbeelden:
    (attributief) Dat is een {rode / oude / mooie/ lieve} bal.
    (predicatief) De bal is {rood / oud / mooi / lief}.

    Er zijn grote groepen andere woorden die hier ook subsitueerbaar zijn bij de attributieve gebruik. Het betreft (in ieder geval):
    -voltooide deelwoorden : de geschopte bal
    -onvoltooide deelwoorden : de rollende bal
    Als deze woordgroepen worden omgezet in hun predicatieve verwanten, worden de deelwoorden weer benoemd als werkwoord:
    de bal is geschopt
    de bal is rollend(e)

    of als bijvoegelijke bijzin:
    de bal die geschopt is
    de bal die rollend(e) is

    Op basis van het substitutie-criterium alleen is er dus geen onderscheid te maken tussen bn en volt/onvolt deelwoorden. De subittutie is echter niet volledig omkeerbaar:
    een voltooid deelwoord in een passieve zin kan altijd gesubstitueerd:
    "ik word geslagen" versus
    "ik word rood"
    een voltooid deelwoord in een actieve zin (voltooid of onvoltooid) kan nooit worden gesubstitueerd:
    "ik heb hem geslagen" versus
    *"ik heb hem rood"
    Een tegenwoordig deelwoord in een beknopte bijzin is niet of dubieus substitueerbaar:
    "denkend aan holland zie ik brede rivieren" versus
    ?"rood in holland zie ik brede rivieren"
    Het tegenwoordig deelwoord wordt in het nederlands voornamelijk gebruikt op de positie van een bn:
    "zinderende hitte, "levende dode", "kokende olie", en "de spelende mens". Hier is een grensgebied dat nader onderzoek behoeft: "gezond" en "beroemd" zijn techisch gezien tegenwoordige deelwoorden, maar de spreker zal zich doorgaans de relatie met de infitieven "zonnen" en "beroemen" niet realiseren.

    Bijvoegelijke naamwoorden zijn in principe ook altijd te substitueren met [te + infinitief]: de te rollen bal
    semantiek: de te [inf][znw] = de [znw] die [volt deelw] moet worden, of de [znw] waarvan de verwachting bestaat dat die [volt deelw] gaat worden.
    Al met al kan een werkwoord dus op drie manieren verschijnen op de plaats van een bijvoegelijk naamwoord:
    het griekse gebouw - het te slopen gebouw - het gesloopte gebouw
    de griekse ziekte - de slopende ziekte


    Speciale aandacht verdienen de "stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden" (sbn): Wat betreft substitutie gedragen die zich niet (volledig) als gewone bn. Als een bijvoegelijk naamwoord bijvoegelijk wordt gebruikt, is het substitueerbaar met een sbn:
    de {rode / ijzeren} ketel
    Dit geldt ook bij elliptisch gebruik:
    Wil je de {rode / ijzeren} ketel? Doe mij de {rode/ijzeren} maar.
    Het sbn kan echter niet predicatief gebruikt worden:
    Deze ketel is rood
    *Deze ketel is ijzeren
    Op basis van het substitutie-criterium kan het sbn dus niet (zonder meer) tot de bijvoegelijke naamwoorden worden gerekend.
    Wel is er sprake van een herkenbaar patroon: als het bijvoegelijk naamwoord wordt geëxpliciteerd naar een naamwoordelijk gezegde, komt het stoffelijk bijvoegelijk naamwoord altijd terug met het woordje "van". Dit zijn precies de zinnen waar bijvoegelijke naamwoorden en stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden onderling niet substitueerbaar zijn.
    De rode bal de bal is rood
    De ijzeren bal de bal is van ijzer


    Het bijvoegelijk naamwoord als boven besproken wordt gebruikt om extra informatie te geven over een zelfstandig naamwoord. Bijvoegelijke naamwoorden worden ook op een andere manier gebruikt, nl. in combinatie met een vast voorzetsel en een werkwoord. vb:
    ik ben dol op honden
    De vaste combinatie is dol + op, aangevuld met een koppelwerkwoord {zijn, worden, blijven} of een hulpwerkwoord van modaliteit {lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen}. De gehele combinatie substiueert (in relevante gevallen) een werkwoord. Substitutie van het bijvoegelijk naamwoord door een ander bijvoegelijk naamwoord is ongrammaticaal of op zijn minst lastig te beoordelen:
    ?ik ben groen op honden
    ?ik ben blij op honden
    ?ik ben lang op honden
    Over het algemeen wordt dit geheel van bn + ww + vz benoemd als "werkwoordelijke uitdrukking".
    Bovenstaande observatie illustreert dat het misschien niet altijd productief is om woorden los in woordsoorten te willen onderbrengen, en het wellicht inzichtelijker is om vaste combinaties van woorden als eenheid van analyse te gebruiken.

  3. flexie:
  4. Alle "gewone" bijvoegelijke naamwoorden kennen flexie. Het betreft de buigings -e:
    "het witte paard", "een wit paard", "witte paarden" en "het paard is wit"
    "de witte baard", "een witte baard", "witte baarden" en "de baard is wit"
    de regel hier is kort gezegd:
    ^ bij attributief gebruik altijd een -e, behalve bij {onzijdig, enkelvoud, onbepaald}.
    Dit zijn dus meteen de drie relevante parameters:
    -geslacht {de/het - woorden}
    -getal {enkelvoud/meervoud}
    -bepaaldheid {bepaald/onbepaald}
    ^ bij predicatief gebruik: nooit een buigings -e

    De voltooide en onvoltooide deelwoorden van zwakke werkwoorden volgen dezelfde regels:
    "het ingestorte gebouw", "een ingestort gebouw", "ingestorte gebouwen" en "het gebouw is ingestort"
    "de ingestorte markt", "een ingestorte markt", "ingestorte markten" en "de markt is ingestort"
    "het instortende gebouw", "een instortend gebouw", "instortende gebouwen" en ?"de gebouwen zijn instortend(e)"
    "de instortende markt", "een instortende markt", "instortende markten" en ?"de markten zijn instortend(e)"
    Voltooide deelwoorden van onregelmatige werkwoorden kennen echter geen flexie voor zover ze eindigen op -en:
    "het gegeven paard", "een gegeven paard", "gegeven paarden" en "het paard is gegeven"
    "de gegeven koe", "een gegeven koe", "gegeven koeien" en "de koe is gegeven"
    In de flexie van het bijvoegelijk naamwoord in relatie tot een naam (subcategorie van de znw) is iets opmerkelijks aan de hand.
    Echte namen (Bert, Louise) zijn altijd de-woorden:
    De Bert die ik ken (...)
    De louise die ik ken (....)

    Net als alle andere de-woorden krijgen ze de buigings-e: (vgl: de gekke koe (...)
    Die achterlijke Bert (...)
    Namen van geografische plaatsen (Berlijn, Tokyo) zijn altijd het-woorden:
    Het Tokyo zoals ik dat ken (....)
    Net als andere het-woorden krijgen ze de buigings-e (vgl: het tamme paard (....)
    Het miezerige Tokyo (...)

    Gewone znw gebruikt worden als naam -dwz. zonder nominale determinator- gedragen zich subtiel anders:
    Koe staat in de wei en Paard staat erbij te kijken.
    De de-woorden gedragen zich als verwacht: ze krijgen de buigings -e:
    Gekke koe staat in de wei.
    Maar de het-woorden krijgen bij gebruik als naam de buigings-e niet: Achterlijk paard staat erbij te kijken.
    Dit geldt ook voor de plaatsnamen:
    Nieuw Amsterdam (...), Klein Italie (...),
    Het beschreven gedrag is exact het gedrag dat hoort bij onbepaalde woordgroepen (niet de/het maar een). De logische conclusie zou zijn dat de afwezigheid van een nominale determinator (ook in het enkelvoud) onbepaald is, net zoals de áfwezigheid van een nominale determinator in het meervoud onbepaald is. Dit lijkt in strijd met een semantisch criterium dat namen (per definitie) bepaald zijn, en daarom geen ND behoeven.

    Stoffelijke bijvoegelijke naamworden volgen deze regels niet, en kennen hier geen flexie:
    "het ijzeren gebouw", "een ijzeren gebouw", "ijzeren gebouwen" en *"het gebouw is ijzeren"
    "de ijzeren markt", "een ijzeren markt", "ijzeren markten" en *"de markt is ijzeren"
    Opnieuw blijkt dat de woorden die normaliter worden aangeduid als "stoffelijk bijvoegelijk naamwoord" op basis van een formeel criterium niet (zonder meer) tot de bijvoegelijke naamwoorden gerekend kan worden, terwijl een subgroep van de "deelwoorden" zich (in elk geval bij attributief gebruik) zich geheel voegt naar de regels.

    De tweede flexie die het bijvoegelijk naamwoord kent lijkt nog het meest op de genitief. Het betreft de constuctie iets/wat + bn + -s: iets groens
    wat lekkers
    Deze mogelijkheid lijkt voorbehouden aan de "echte" bijvoegelijke naamwoorden. Stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden hebben deze mogelijkheid niet:
    *iets wols
    *iets ijzerens
    bijvoegelijke naamwoorden op basis van een voltooid deelwoord zijn dubieus:
    ?iets gegevens (i.e. iets wat gegegeven is)
    ?iets uitgekotsts (i.e. iets wat uitgekotst is)
    echter: iets bedachts
    bijvoegelijk naamwoorden op basis van een tegenwoordig deelwoord is doorgaans dubieus:
    ?iets instortends
    ?iets lopends
    echter: iets levends
    Wederom: het is niet op voorhand duidelijk of deze genitief-constructie syntactisch onaanvaardbaar is, danwel dat er geen behoefte aan is. Het laatste voorbeeld suggereert dat het met die onaanvaardbaarheid wel meevalt.

    Een vorm van affingering die het bijvoegelijk naamwoord kent, is de mogelijkheid voor een vergrotende en een overtreffende trap (comperatief en superlatief):
    Deze flexie is voorbehouden aan de kerngroep van bijvoegelijke naamwoorden (mooi, mooier, mooist) en is niet mogelijk bij stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden: (*papieren, papierer, papierst).
    Voltooide deelwoorden volgen deze flexie niet: (*gebakken, gebakkener, gebakkenst), maar het is onduidelijk of de oorzaak te vinden is in het feit dat we geen behoefte hebben aan de betekenis, of dat het syntactisch/morfologisch verboden is. We kennen immers wel (gezond, gezonder, gezondst). Dit laatste kan er echter ook op duiden dat het voorbeeld woord een definitieve transitie heeft gemaakt van voltooid deelwoord naar bijvoegelijk naamwoord, en daarmee zijn (directe) relatie met het werkwoord "zonnen" is kwijtgeraakt.

    De andere vorm van flexie bij het bijvoegelijk naamwoord, wordt gevormd door het suffix -ig: (groen/groenig, dom/dommig, kwaad/kwaaiig, lief/lievig)
    Dit suffix verdient een aparte studie, omdat het niet alleen gebruikt wordt om aan een bestaand bn een betekenis-element toe te voegen, maar ook om van woorden uit andere woordsoorten een bijvoegelijk naamwoord te construeren. Voorbeelden zijn:
    nietig (bijwoord niet + ig)
    voorzichtig (voorz voor + zn zicht + ig)
    katerig (zn kater + ig)
    nichterig (zn nicht + ?infix er + ig)
    spijtig (zn spijt + ig)
    levendig (t.deelw + ig)
    complicerende factor is ook, dat -ig soms uitwisselbaar lijkt met -achtig: (groen, groenig, groenachtig), terwijl dit affix normaal voorbehouden lijkt aan zelfstandige naamwoorden.
    Bn die met -ig zijn gevormd gedragen zich zowel wat betreft substitutie als wat betreft flexie als reguliere bn: ze kennen de buigings -e en de trappen van vergelijking. Ze kunnen zowel attributief als predicatief worden gebruikt.


  5. affingering:
  6. Affingering met {-erd, -aard} maakt van een bijvoegelijk naamwoord een zelfstandig naamwoord, met de betekenis: persoon met de betreffende eigenschap: {lieverd, leukerd, gierigaard, rijkaard ....} De beperking hierop lijkt voornamelijk semantisch: "groenerd" lijkt niet on-nederlands, het is enkel moeilijk voor te stellen dat de eigenschap "groen" een levende wezen kwarakteriseert. Semantisch gezien lijkt -erd neutraal, en -aard afkeurend.

    Een tweede vorm van affingering lijkt vrij recent, en is daarom lastig te beoordelen. Het gaat om de mogelijkheid om door middel van het verkleinende affix -jes van een bijvoegelijk naamwoord een bijwoord te maken. Voorbeelden zijn:
    kalm - kalmpjes: hij doet het kalmpjes aan
    zoet - zoetjes: het is zo zoetjes aan wel welletjes
    slap - slapjes: hij voelde zich wat slapjes
    warm - warmpjes: hij zit er warmpjes bij
    Het zal duidelijk zijn dat niet ieder bn zich hiertoe leent, maar de morfologische en semantische grenzen zijn hiervan niet op voorhand te bepalen. Een bespreking van dit suffix valt buiten het bestek van dit artikel.

    Een laatste opmerking over stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden:
    wellicht zijn deze woorden beter te begrijpen als zelfstandige naamwoorden die d.m.v. het affix -en het betekenis element [gemaakt van] krijgen, met daarbij wel de syntactische attributieve positie, maar niet de morfologische eigenschappen van een gewoon bn. Dit kan een procedé zijn dat nog beperkt productief is:
    ? een pijpenrageren knutsel
    ? een sokken pop
    Hierbij kan nog worden opgemerkt dat nieuwere materialen direct in de taal worden geïntroduceerd zonder dit proces van affingering. Te denken valt aan "mica", plastic", "platina" en "suède". Ook "jute" krijgt geen -n in "jute zak". Voor deze woorden geldt echter weer wel dat ze -net als stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden- bij explicitering naar een naamwoordelijk gezegde [predicatief gebruik] terugkeren met het voorzetstel "van".

  7. conclusie
  8. Gegeven de drie criteria zijn de bijvoegelijke naamwoorden een woordsoort, met uitzondering van de "stoffelijke bijvoegelijke naamwoorden". Wellicht kunnen deze beter worden opgevat als zelfstandige naamwoorden die d.m.v. een suffix -en tot (enigszins gemankeerd) bijvoegelijk naamwoord zijn omgevormd.
    Net als bij werkwoorden is het waarschijnlijk eenvoudiger om bijvoegelijke naamwoorden die voorkomen met een vast voorzetsel op te vatten als een enkel woord.

Bert's werk