Bert's brein

geplaatst: 10-2-2014; update 23-11-2014

reageer

hoezo 10 woordsoorten?



Een begin om de methode van de schoolgrammatica expliciet te maken.

inleiding en criteria het werkwoord (het verbum) het zelfstandig naamwoord (het substantief) het lidwoord (het artikel) het voornaamwoord (het pronomen) het bijvoegelijk naamwoord (het adjectief) het telwoord (de numerale) het bijwoord (het adverbium) het voorzetsel (de prepositie) het voegwoord (de conjunctie) het tussenwerpsel (de interjectie)

het bijwoord


    Bijwoorden zijn even heterogeen als voornaamwoorden: zou ik een willekeurige selectie maken van woorden die als "bijwoord" te boek staan, dan zou snel blijken dat onderlinge substitutie niet aan de orde is.
    Bijwoorden zijn bij elkaar gezet als woordsoort op het kenmerk dat ze geen flexie kennen. Ook (actieve) affingering lijkt niet plaats te vinden. Deze aspecten van woordsoorten zullen hier dan ook niet worden behandeld. Blijft over: substitutie.
    In de ANS worden verschillende soorten bijwoorden onderscheiden:
    • voorzetselbijwoorden: bijwoorden die in vorm en betekenis gelijk zijn aan of corresponderen met voorzetsels.
      Deze groep woorden komt aan de orde bij de behandeling van de voorzetsels.
    • voornaamwoordelijke bijwoorden: samenstellingen die bestaan uit een van de bijwoorden {er, daar, hier, waar, ergens, nergens, overal} plus een voorzetselbijwoord. Voorbeelden zijn {ernaast, hierdoor, waarmee...}
      Ook deze zullen aan de orde komen bij de behandeling van de voorzetsels.
    • overige bijwoorden

      Verschillende groepen van de overige bijwoorden zijn onderling wel substitueerbaar. De "overige" bijwoorden zijn overigens niet bijzonder talrijk. In het kader van een indeling op semantische gronden worden ze door de ANS voor een groot deel opgesomd. Om een idee te krijgen wat eronder verstaan wordt, geef ik deze opsomming weer:
    1. bijwoorden van richting: {waar, waarheen, hier, nergens, elders, ginds, opzij, bergop, rechtsaf, allerwegen, buitengaats....}
    2. bijwoorden van tijd: {wanneer, hoelang, nu, toen, dan, morgen, vandaag, gisteren, aanstonds, binnenkort, zojuist, pas, gauw, voorhands, kortelings...}
    3. bijwoorden van frequentie: {soms, bijwijlen,vaak, dikwijls, doorgaans, telkens ...}
    4. bijwoorden van graad: {nogal, zo, hoe, enigszins, zeer, uitermate, hartstikke, ...}
    5. kwantificerende bijwoorden: {bijna, volkomen, helemaal, vrijwel, nauwelijks, nagenoeg, wat...}
    6. bijwoorden van hoedanigheid: {hoe, zo, aldus, anders, graag, gewapenderhand,....}
    7. bijwoorden van modaliteit: {misschien, wellicht, allicht, weliswaar, inderdaad,...}
    8. oordeelspartikels, te verdelen in
      a) focuspartikels (onderdeel van een zinsdeel):{zelfs, alleen, ook, juist, al, nog pas,...}
      b) schakeringspartikels (betrekking hebbend op de hele zin): {toch, dan, maar, nou, eens, even,...}
    9. niet en wel
    Mijn invalshoek is de vuistregel dat bijwoorden iets zeggen over een werkwoord of over een bijvoegelijk naamwoord. Dit lijken onderscheiden groepen.

    1. bijwoorden die iets zeggen over een werkwoord
      Substitutie kan worden onderzocht aan de hand van een voorbeeldzin. Omdat niet vast staat op welke posities in de zin een bijwoord geplaatst kan worden (in relatie tot de andere zinsdelen) kies ik voor een voorbeeldzin met een samengestelde tijd, een lijdend voorwerp en een meewerkend voorwerp:
      Ik heb de bal aan het meisje gegeven.
      Plaatsing van het bijwoord "niet": Ik heb de bal niet aan het meisje gegeven.
      Het bijwoord "niet" staat in deze zin dus tussen het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp in. Het grenst niet aan het hulpwerkwoord of aan het hoofdwerkwoord.
      het bijwoord is te substitueren met een grote groep woorden. Ik ga de (semantische) indeling van de ANS als boven besproken na. Met een asterisk word aangegeven dat een bepaald woord niet kan worden gesubstitueerd in de voorbeeldzin.
      Ik heb de bal {...} aan het meisje gegeven
      1. {*waar, *waarheen, hier, nergens, elders, ginds, *opzij, *bergop, *rechtsaf, ?allerwegen, ?buitengaats....}
      2. {*wanneer, *hoelang, nu, toen, dan, morgen, vandaag, gisteren, aanstonds, binnenkort, zojuist, pas, gauw, voorhands, kortelings...}
      3. {soms, bijwijlen,vaak, dikwijls, doorgaans, telkens ...}
      4. {*nogal, zo, *hoe, *enigszins, *zeer, *uitermate, *hartstikke, ...}
      5. {bijna, ?volkomen, helemaal, vrijwel, *nauwelijks, *nagenoeg, *wat...}
      6. {*hoe, zo, aldus, anders, graag, gewapenderhand,....}
      7. {misschien, wellicht, allicht, weliswaar, inderdaad,...}
      8. {zelfs, alleen, ook, juist, al, nog pas,...}
      9. {toch, dan, maar, *nou, eens, even,...}
      Het eerste wat opvalt is, dat de semantische indeling niet samenvalt met het syntactische criterium van substitutie.
      Het tweede wat opvalt is, dat de vragende bijwoorden {waar, waarheen, wanneer, hoelang, hoe...} een ander gedrag vertonen dan de andere bijwoorden, simpelweg omdat ze enkel aan het begin van de zin kunnen voorkomen. Deze woorden zouden een subcategorie van de bijwoorden kunnen zijn met een specifieke beperking. Die beperking bestaat eruit dat ze alleen kunnen substitueren voor een bijwoord dat vooraan is geplaatst. Merk daarbij op dat ieder vragend bijwoord een "stellende" pendant heeft: {waar-daar, waarheen-daarheen, wanneer-toen, hoelang-zolang, hoe-zo,...}
      Het verbaast enigszins dat "hoelang" als los bijwoord is opgenomen in de ANS. Ik zou een spelling in twee woorden verwachten, analoog aan {hoe ver, hoe hoog, hoe sterk, ...}. Er zijn echter ook enkele gevallen die wel normaal aan elkaar geschreven worden, bijb "hoeveel". Mijn positie is dat we ons niet moeten laten afleiden door de conventies van de spelling. Bij iedere bijwoordelijke bepaling die de vorm heeft van "hoe + bijv. nw" is de pendant te vinden, nl. "zo + bijv. nw". .
      Ten derde: de bijwoorden van graad hebben een totaal ander gedrag dan de andere genoemde bijwoorden.

      Wat betreft de woorden die gegeven het bovenstaande wel kunnen worden gesubstitueerd:
      Al deze woorden kunnen ook geplaatst worden aan het begin van de zin (met inversie):
      {nooit, bijna, nergens ....} heb ik de bal aan het meisje gegeven.
      De enige woorden die niet (of dubieus} vooraan geplaatst kunnen worden zijn {niet, wel}
      ? Niet heb ik de bal aan het meisje gegeven.
      Het lijkt erop dat het woord "niet" een wat afwijkende status heeft. Dit woord heeft uit zichzelf geen inhoud, anders dat het de ontkenning is van een woord dat erop volgt. Niet is een samenstelling van (ne + iet). Ne is daarin een bijwoord en iet heeft de betekenis van "ding". Het element ne is ook te vinden in combinatie met andere bijwoorden {ergens, ooit, immer} en met de (voornaam?-)woorden {iemand, iets}.
      Daarnaast kunnen alle bovenbesproken bijwoorden die kunnen substiueren ook worden gesubstitueerd door
      1) tegenwoordige deelwoorden als: {lachend, morrend, grommend, brakend...}
      2) Voltooide deelwoorden: {geslagen, ingevet, geverfd...}
      3) bijvoegelijke naamwoorden: {groen, dom, wijs...}
      de verklaring is erin te vinden, dat beide soorten deelwoorden kunnen worden geexpliciteerd tot een bijzin, met (doorgaans) het onderwerp van de hoofdzin als onderwerp:
      ik heb de bal lachend aan het meisje gegeven ik heb de bal aan het meisje gegeven terwijl ik lachte.
      ik heb de bal verslagen aan het meisje gegeven ik heb de bal aan het meisje gegeven toen ik verslagen was.
      Interessant is, dat het onderwerp van de bijzin ook het voorgaande lijdend voorwerp kan zijn:
      Ik heb de bal opgeblazen aan het meisje gegeven ik heb de bal aan het meisje gegeven toen/nadat die [bal] was opgeblazen.
      W.b. de bijvoegelijke naamwoorden: ook die kunnen evenals deelwoorden worden geexpliciteerd tot bijzin:
      Ik heb de bal groen aan het het meisje gegeven Ik heb de bal aan het meisje gegeven terwijl ik groen was. Op de relatie tussen bijvoegelijke naamwoorden, deelwoorden en (beknopte) bijzinnen kom ik in een volgend artikel terug.
      De bijwoorden die kunnen worden gesubstitueerd in "ik heb de bal [...] aan het meisje gegeven", lijken uiteen te vallen in:
      • {niet, wel}
      • enkelvoudige tijd- en plaatsbepalingen: {hier, daar ,dan toen, morgen, gisteren, vandaag, zojuist, eens, ooit, ....}
      • andere bijwoorden {eigenlijk, graag, misschien, ook, zelfs,toch, maar, inderdaad, weliswaar}
      • Er is op voorhand geen eenduidige manier om deze groep verder in te delen. Vaak hebben ze een modaal aspect (ze zeggen iets over de houding van de spreker tegenover hetgeen hij zegt) en vaak hebben ze betrekking op de gehele zin - maar deze twee sluiten elkaar niet uit. Als de besproken positie in de zin zou worden aangeduid als de "bijwoord-positie", dan valt op dat hier een hele cluster van bijwoorden geplaatst mag worden - anders dan bijvoorbeeld de 'lijdend voorwerps - positie' waar nooit meer dan één lijdend voorwerp mag staan.
      De mogelijkheid tot substitutie van een bijwoord geldt zowel voor de positie midden in de zin, als voor de positie vooraan de zin. Hieruit blijkt wederom enerzijds dat substitutie alleen niet voldoet om verschillende woorden in dezelfde woordsoort onder te brengen, en anderzijds dat het gebruikt van deelwoorden een bijzonder flexibel middel in de taal is: het kan substitueren voor zowel bijvoegelijke naamwoorden als voor een grote groep bijwoorden.
    2. bijwoorden die iets zeggen over een bijvoegelijk naamwoord
      Beschouw de zin: Dat was een slechte zet.
      In deze zin kan een bijwoord worden ingevoegd ter nadere invulling van het bijvoegelijk naamwoord "slechte":
      Dat was een bijzonder slechte zet.
      Woorden die hier substitueerbaar zijn:
      {nogal, vrij, erg, tamelijk, redelijk, behoorlijk, aardig, idioot, heel, belachelijk, enigszins, uitermate, hartstikke ....}
      Deze woorden duiden doorgaans op een kwantiteit of intensiteit van de eigenschap die wordt aangeduid met het bijvoorgelijk naamwoord, vaak ook in combinatie met een waarde-oordeel (modaal aspect).
      Deze verzameling woorden is niet zonder problemen: ze zijn bijna allemaal (ook) in gebruik als bijvoegelijk naamwoord. Alleen de verzameling {nogal, tamelijk, enigszins, hartstikke, ...} kan enkel als nadere invulling van een bijvoegelijk naamwoord dienst doen. Van woorden als {vrij, erg, heel...} is het niet op voorhand duidelijk dat bij gebruik als bijwoord hetzelfde woord is als bij gebruik als bijvoegelijk naamwoord: "Heel" heeft als bijvoegelijk naamwoord immers de betekenis van "niet kapot/hersteld", terwijl het a ls bijwoord enkel een versterkende functie heeft, die geen enkele relatie heeft met het al dan niet heel zijn van iets.
      Bij gebruik in de bijwoordelijke positie is het bij deze woorden onmogelijk om het woord te isoleren van het woord dat het specificeert: uit "een nogal slechte zet" kan het woord "nogal" niet worden losggemaakt van "slechte" zonder dat de onderlinge relatie tussen deze woorden verandert. Het verschil is subtiel, maar "een nogal slechte zet" is net iets anders dan "nogal een slechte zet" In het eerste geval heeft "nogal" betrekking op "slechte", en in het tweede geval (dit is een kwestie van interpretatie) op "een slechte zet" of op "is".
      Andere observatie: in het bovenstaande voorbeeld ging het bijwoord vooraf aan het bijvoegelijk naamwoord dat het nuanceerde. Er is echter ook een groepje woorden dat alleen maar achter een zelfstandig gebruikt bijvoegelijk naamwoord kan komen te staan: {genoeg, zat}:
      Deze zet is mooi genoeg.
      Op voorhand is niet duidelijk hoe deze woorden moeten worden ingedeeld.

    3. overige bijwoorden
      Met het bovenstaande zijn niet alle woorden die als bijwoord te boek staan gedekt. Bovendien kunnen deze woorden ook nog worden gebruikt om woorden te specificeren anders dan de genoemde werkwoorden en bijvoegelijke naamwoorden.
      In de eerste plaats kunnen bijwoorden elkaar nuanceren, waarbij de woordvolgorde van essentieel belang is. Dit is goed te zien aan de zinnen:
      Ik heb heb hem niet echt geslagen, versus
      Ik heb hem echt niet geslagen.

      Daarnaast kunnen ze gebruikt worden om telwoorden bij te staan:
      Ik heb {bijna, ongeveer, pak 'm beet, zo'n slordige ...) veertig onvoldoendes gehaald.
    4. conclusie
    5. De bijwoorden zijn te heterogeen om door te kunnen gaan voor een woordsoort. Binnen de woorden die "bijwoord" genoemd worden zijn er groepen te onderscheiden die wel aan het substitutie-criterium voldoen. Dit betreft een welomschreven groep woorden die werkwoorden kunnen specificeren en een groep quantifiers die bijvoegelijke naamwoorden kunnen specificeren.

    Bert's werk